Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBLIM:2015:11408

Publicatie oud vonnis op verzoek van pers. Vonnis is nadien bij arrest van gerechtshof van 13 juli 2018 (ECLI:NL:GHSHE:2018:3097; op moment van deze publicatie nog niet gepubliceerd) vernietigd. Rechtbank veroordeelde verdachte voor witwassen tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, met verbeurdverklaring van 358.600 euro.

Rechtbank Limburg 13 August 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBLIM:2015:11408 text/xml public 2026-08-13T12:03:14 2026-08-13 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2015-05-01 03.703495.12 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Maastricht Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2015:11408 text/html public 2026-08-13T12:02:50 2026-08-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2015:11408 Rechtbank Limburg , 01-05-2015 / 03.703495.12
Publicatie oud vonnis op verzoek van pers. Vonnis is nadien bij arrest van gerechtshof van 13 juli 2018 (ECLI:NL:GHSHE:2018:3097; op moment van deze publicatie nog niet gepubliceerd) vernietigd. Rechtbank veroordeelde verdachte voor witwassen tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, met verbeurdverklaring van 358.600 euro.
RECHTBANK Limburg
Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer : 03/703495-12

Datum uitspraak : 1 mei 2015

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Limburg, meervoudige kamer voor strafzaken,

in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953,

wonende te [adres] .

Raadsman is mr. J.J.H.S. Thomassen, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.
<nr>1</nr>Het onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 april 2015.

De rechtbank heeft gehoord de officier van justitie en de verdachte, bijgestaan door zijn raadsman.
<nr>2</nr>De tenlastelegging
De verdachte staat - na wijziging van de tenlastelegging - terecht ter zake dat:

hij in of omstreeks de periode 21 mei 2013 tot en met 3 februari 2014, in de gemeente Maastricht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van een voorwerp, te weten een geldbedrag van 358.600 euro, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, dan wel heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op een voorwerp, te weten een geldbedrag van 358.650 euro, waren/was, en/of dit voorwerp voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moet(en) vermoeden, dat dat voorwerp -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was uit enig misdrijf;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij in of omstreeks de periode 21 mei 2013 tot en met 3 februari 2014, in de gemeente Maastricht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een voorwerp, te weten een geldbedrag van 358.600 euro, voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moet(en) vermoeden, dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.
<nr>3</nr>De voorvragen
Bij het onderzoek ter terechtzitting:

is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is;

is gebleken dat de rechtbank krachtens de wettelijke bepalingen bevoegd is van het ten laste gelegde kennis te nemen;

zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen;

zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

4. De beoordeling van het bewijs
4.1
Het standpunt van de officier van justitie

De officier heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde feit - het verbergen van de herkomst en de vindplaats van een geldbedrag van € 358.600,00 en dit geldbedrag voorhanden hebben, terwijl hij weet dat het geldbedrag onmiddellijk of middellijk afkomstig is uit enig misdrijf - wettig en overtuigend kan worden bewezen. Hij heeft daartoe gewezen op het proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagname alsmede de verschillende ondersteunende processen-verbaal van bevindingen, waarbij de officier van justitie heeft gewezen op witwastypologieën.
4.2
Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van het primair en het subsidiair tenlastegelegde feit.

De raadsman heeft bepleit dat uit de jurisprudentie blijkt dat er allereerst dient te worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Alleen indien dit het geval is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van dat aangetroffen geld. Het gaat er dan om dat de verklaring van de verdachte over de herkomst van het geld concreet, min of meer verifieerbaar en niet zo onwaarschijnlijk is, dat deze bij de vorming van het bewijsoordeel zonder meer ter zijde kan worden gesteld.

Het blote feit dat een groot geldbedrag in de woning van de verdachte is gevonden, impliceert volgens de verdediging niet dat er sprake is van een vermoeden van witwassen. Bovendien heeft de verdachte omtrent het geldbedrag verklaard. Hij heeft geld van zijn dochter, van zichzelf en van de vennootschap in zijn woning opgeborgen. Deze verklaringen kunnen niet bij de vorming van het bewijsoordeel zonder meer ter zijde worden gesteld. Een redelijke wetstoepassing houdt niet in dat de verdachte het aangetroffen bedrag tot achter de komma dient te verklaren. Niet kan worden gesteld derhalve dat het niet anders kan zijn dat dat het geld van enig misdrijf afkomstig is, aldus de raadsman. Verder ontbreekt bij de verdachte de wetenschap dat het geldbedrag afkomstig is uit enig misdrijf en heeft hij het geldbedrag niet verborgen of verhuld. Het geld is enkel opgeborgen in de woning opdat het bij een inbraak of overval niet meteen zou worden gevonden.
4.3
Het oordeel van de rechtbank Op 21 mei 2013 is de woning van de verdachte en zijn (inmiddels overleden) echtgenote [naam 1] doorzocht. Het chalet is gelegen aan de [adres] te Maastricht. Tijdens deze doorzoeking werd een geldbedrag van € 358.600,00 aangetroffen en inbeslaggenomen.

Het geldbedrag werd gevonden in een bergkast in de woning. Het geldbedrag bevond zich in een kleine groene plunjebaal, welke plunjebaal was verpakt in een draagtas met het opschrift ‘C1000’ en welke draagtas weer in een blauwe vuilniszak zat. Het geldbedrag bestond uit gebundelde biljetten van € 50, € 100, € 200 en € 500, het merendeel bij elkaar gehouden door elastiekjes. Het totale bedrag zat bij elkaar.

De manier van bewaren van een zeer groot bedrag aan contanten in een kast in een woning kan als zeer ongebruikelijk en onveilig worden beschouwd. Dit geldt te meer als er wel bankrekeningen beschikbaar zijn waarop het geld veilig gedeponeerd/gestort had kunnen worden. Ook wordt op dergelijke wijze het geldbedrag onttrokken aan het zicht van de fiscus. Er is dan ook sprake van een vermoeden van witwassen van dat aangetroffen geldbedrag, namelijk het verbergen van de herkomst en de vindplaats ervan. In een dergelijke situatie mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft over de herkomst van het geld.

Op 3 februari 2014 werd naar aanleiding van de inbeslagname bij de rechtbank Limburg een klaagschrift ingediend door de raadsman van de verdachte. In het klaagschrift is gesteld dat het geldbedrag uit drie posten bestaat.

Post 1: Het geldbedrag van € 48.388,38 toebehorende aan [bedrijf 1]

- waarvan de verdachte blijkens de informatie uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel enig aandeelhouder en bestuurder is - heeft in het klaagschrift gesteld dat een bedrag van € 48.388,38 aan de besloten vennootschap zou toebehoren. Het geld zou kasgeld betreffen en het bijbehorende kasboek zou tevens in de woning aanwezig zijn.De rechtbank acht het onaannemelijk dat een dergelijk omvangrijk bedrag aan kasgeld van een commerciële onderneming ter bewaring zonder veiligheidsmaatregelen over de openbare weg meegenomen wordt door een persoon om opgeborgen te worden met ander contant geld in een kelder/trapkast, alwaar storting van het bedrag in een gecontroleerde en veilige omgeving met een kluis echt meer voor de hand ligt. Verder acht de rechtbank het opmerkelijk dat pas geruime tijd na de inbeslagneming er door de onderneming geklaagd wordt dat haar aanzienlijke kasgeld bij een doorzoeking ten onrechte inbeslaggenomen is.

Een deugdelijk kasboek waaruit daadwerkelijk geconcludeerd kan worden dat het gestelde bedrag van € 48.388,38 aanwezig was bij [bedrijf 1] en dat het bedrag werd bewaard door de verdachte, is ook niet aangetroffen in de woning, noch overgelegd door de verdachte. De raadsman van de verdachte heeft bij het klaagschrift ter onderbouwing een overzicht van het kasboek van de maand mei 2013 gevoegd. Dit overzicht, evenals de door de politie gevorderde administratie, geven niet door de rechtbank gewenste duidelijkheid. Opmerkelijk is namelijk dat uit het overzicht blijkt dat de ontvangsten en uitgaven na 21 mei 2013 (de dag van inbeslagname) gewoon doorgaan alsof het in beslag nemen van het geldbedrag van € 48.388,38 van geen enkel belang is voor de uitgaven die per kas gedaan kunnen worden. De kas liep niet negatief na 21 mei 2013, terwijl dat wel zou hebben gemoeten als er kasgeld inbeslaggenomen was. Pas op 27 februari 2014 en na confrontatie door de politie is de inbeslagname van het bedrag aan kasgeld administratief verwerkt en is een lening ter hoogte van € 10.000,00 administratief toegevoegd die [naam 2] (de zoon van de verdachte) op 21 mei 2013 zou hebben verstrekt. [naam 3] heeft daarover verklaard dat hij op grond van een gesprek met [naam 4] en het klaagschrift de onderliggende stukken van de inbeslagname en de lening in begin 2014 heeft opgemaakt en heeft geantedateerd. Voorts zijn in de plunjebaal geen munten aangetroffen. Het geldbedrag van € 48.388,38 kan dus niet als zodanig in de tas hebben gezeten. De daarvoor gegeven verklaring van de verdediging dat de verdachte het kasgeld heeft aangevuld tot een rond bedrag, komt de rechtbank niet aannemelijk voor. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het niet aannemelijk geworden is dat er kasgeld van de onderneming ten tijde van de inbeslagneming bij de verdachte aanwezig was.

Post 2: Het geldbedrag van € 233.011,62 toebehorende aan [naam 5]

(de dochter van de verdachte) heeft gesteld dat een bedrag van € 233.011,62 aan haar zou toebehoren. Zij had het geldbedrag in verband met haar vakantie in het huis van haar ouders opgeborgen.

Hoewel er door de verdediging verschillende stukken zijn overlegd ter onderbouwing van het geldbedrag, wordt er niet aangegeven op welke wijze het bedrag van € 233.011,62 zou zijn opgebouwd. Uit een aangifte erfbelasting 2012 zou moeten blijken dat een groot gedeelte van het geld afkomstig was uit de erfenis van [naam 6] , de ex-echtgenoot van [naam 5] . Een bedrag van € 170.000,00 zou kasgeld betreffen van de voormalige eenmanszaak [bedrijf 2] van haar ex-echtgenoot. Een bedrag van € 90.000,00 zou een openstaande vordering zijn, welke [naam 7] (de broer van [naam 6] ) nog aan [bedrijf 2] diende te betalen en welke contant - zo blijkt uit een kwitantie die door [naam 5] is opgemaakt en ook enkel door haar is ondertekend - zou zijn betaald op 15 november 2011. Verder zou uit de inrichtingstukken 2011 moeten blijken dat [naam 5] in haar eenmanszaak, genaamd [bedrijf 3] en opgericht op 18 oktober 2011, € 109.800,00 contant zou hebben gestort. Waar de rest van het geldbedrag van afkomstig is, heeft de dochter van de verdachte niet willen verklaren.

Een duidelijk verifieerbare administratie voor deze bedragen is niet door [naam 5] aangeleverd, terwijl door [naam 5] in de tijd steeds wisselende verklaringen voor de herkomst van het geldbedrag worden gegeven. Daarbij wijst de rechtbank op het feit dat bij de behandeling van het klaagschrift gevraagd is hoe het kan dat er gesteld wordt dat er € 90.000,00 aan contanten ontvangen zou zijn, terwijl de boekhouding zou suggereren dat de betaling in de vorm van overdracht van bedrijfsmiddelen (auto’s) zou zijn geschied. Ter zitting van de strafzaak wordt er plots aangegeven dat er tweemaal een betaling zou hebben plaatsgevonden. De overgelegde aangifte successie 2012 geeft niet de door de rechtbank gewenste duidelijkheid, omdat een verdere onderbouwing ontbreekt en er significante afwijkingen zijn in deze aangifte ten opzichte van de gegevens waarover de geraadpleegde notaris spreekt bij schrijven van 9 juli 2013. De gestelde bedragen zijn ook nooit door derden gezien en evenmin zijn die gelden te herleiden uit verifieerbare administratieve bescheiden die bijvoorbeeld bij de fiscus of andere instanties bekend zijn.

[naam 5] heeft ten aanzien van de vordering van € 90.000,00 een kwitantie overlegd. De kwitantie is opgesteld door haar en ook enkel door haar ondertekend. De onderbouwing waaruit zou blijken dat zij recht zou hebben op een betaling van de gestelde derde ontbreekt. Verder is het zeer onwaarschijnlijk dat dergelijk bedragen contant tussen bedrijven worden betaald. Ook is verwonderlijk dat [naam 5] uit de door haar overgelegde bescheiden volgens de geraadpleegde notaris in 2012 gesproken zou hebben over een mogelijke vordering van € 90.000,00, terwijl uit de kwitantie zou blijken dat dat bedrag al in 2011 aan haar zou zijn uitgekeerd.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank niet aannemelijk geworden dat enig deel van het aangetroffen contante geldbedrag eigendom zou zijn van [naam 5] .

Post 3: Het geldbedrag van € 77.200,00 toebehorende aan de verdachte

De verdachte heeft in het klaagschrift gesteld dat een bedrag van € 77.200,00 aan hem zou toebehoren. Het betreft de som van een bedrag van € 53.000,00 (zijnde box 3-vermogen per 31 december 2012) en een bedrag van € 24.200,00 (de verkoopopbrengst van een amfibievoertuig). Ten tijde van de strafzaak heeft verdachte aangegeven dat hij ten onrechte de verkoopopbrengst van het amfibievoertuig aan zichzelf heeft toegedicht, terwijl het voertuig van [bedrijf 1] zou zijn en ook in de administratie van deze vennootschap zou zijn opgenomen.

Een kopie berekening inkomstenbelasting en premieheffing 2012 van de verdachte is ter onderbouwing van het box 3-vermogen aan de rechtbank verstrekt. Dit vermogen zou in de loop van de jaren zijn gespaard. Blijkens dit overzicht zouden de verdachte en zijn fiscale partner beschikken over een contant geldbedrag en vorderingen van € 53.000,00. Hoeveel aan contanten aanwezig was en wat het aandeel was van de openstaande vorderingen, wordt niet nader gespecificeerd. Via een vordering 126nd van het Wetboek van Strafvordering werden belastinggegevens gevorderd van de verdachte en de (inmiddels overleden) partner [naam 1] . De verkregen informatie kwam niet overeen met de kopie berekening inkomstenbelasting en premieheffing 2012 van de verdachte. De aangiftes bij de belasting van aanwezig zijnde vermogen lijken dan ook ‘pour besoin de la cause’ te zijn opgemaakt.

Ter onderbouwing van de verkoopopbrengst van een ambitievoertuig is een kopie van een factuur gevoegd aan het klaagschrift. Uit de factuur blijkt dat [bedrijf 1] op 8 mei 2013 een amfibievoertuig heeft verkocht voor een bedrag van € 24.200,00 inclusief BTW aan [naam 8] . De factuur zou per ‘kast’ -de rechtbank begrijpt per ‘kas’- zijn voldaan. De raadsman van de verdachte heeft terechtzitting verklaard dat in het klaagschrift het vermogen abusievelijk is gekwalificeerd als privévermogen in plaats van vennootschappelijk vermogen. De opbrengst is echter niet in het kasboek van [bedrijf 1] verantwoord, noch is verder met bewijzen onderbouwd dat het voertuig voor een aanzienlijk bedrag in contanten van eigenaar is gewisseld.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen voor de aanwezigheid van het zeer grote contante geldbedrag gegeven in het klaagschrift en ter terechtzitting herhaald niet aannemelijk zijn geworden. Het heeft er alle schijn van dat de verdachte samen met anderen een plan heeft gesmeed om een legale herkomst van het geldbedrag - waarvan de rechtbank, vanwege het ontbreken van een concreet, verifieerbaar en overtuigend alternatief, vaststelt dat het volledige bedrag aan de verdachte toebehoort - te construeren. Op basis van het dossier is geen rechtstreeks verband te leggen met een specifiek misdrijf waaruit het geld afkomstig is. Dat het aangetroffen contant geld ‘uit enig misdrijf afkomstig is’, kan niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is (HR 13 juli 2010, LJN BM0787). Gelet op de aard van het bedrijf waarvan de verdachte enig aandeelhouder en bestuurder is, een growshop, gelet op de witwastypologieën als de grote hoeveelheid coupures van € 500, gelet op het feit dat het contante bedrag niet ter herleiden valt naar een verifieerbare legale herkomst en gelet op het feit dat het bedrag niet bij de fiscale autoriteiten bekend gemaakt was, kan het niet anders dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. De verdachte moet daar ook wetenschap van gehad hebben, anders had hij het geldbedrag niet op deze wijze aanwezig gehad.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte een bedrag van € 358.600,00 heeft witgewassen.
4.4
De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte:

op 21 mei 2013 in de gemeente Maastricht van een voorwerp, te weten een geldbedrag van 358.600 euro, de herkomst en de vindplaats heeft verborgen, en dit voorwerp voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dat voorwerp -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was uit enig misdrijf.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is tenlastegelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
<nr>5</nr>De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de kwalificatie 5.1
De strafbaarheid

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
5.2
De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op het navolgende strafbare feit: witwassen.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 420bis lid 1 onder a van het Wetboek van Strafrecht.
<nr>6</nr>De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu geen omstandigheid aannemelijk is geworden die verdachtes strafbaarheid opheft.
<nr>7</nr>De oplegging van de straf 7.1
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden met aftrek van voorarrest.
7.2
Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair bepleit de verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde feit. Subsidiair heeft de raadsman van de verdachte verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte is sinds 25 april 2014 weduwnaar, heeft geen relevant strafblad en heeft zijn onderneming [bedrijf 1] moeten sluiten wegens gewijzigde regelgeving. Indien de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf door de rechtbank opgelegd zou krijgen, betekent dit dat hij zijn onderneming (thans in- en verkoop van ijzer en ventwerkzaamheden) moet sluiten.
7.3
Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich op 21 mei 2013 schuldig gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van € 358.600,00.

Door het witwassen van crimineel vermogen wordt de onderliggende criminaliteit gefaciliteerd. Het vormt een aantasting van de legale economie en is, mede vanwege de ondermijnende invloed ervan op het legale handelsverkeer, een bedreiging voor de samenleving.

Bovendien heeft de verdachte op deze wijze doelbewust zijn fiscale verplichtingen terzijde geschoven. Hij heeft daarbij vooral zijn eigen financiële gewin op het oog gehad en de overheid nadeel toegebracht.

Op dergelijke feiten kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf van enige duur.

Met oplegging van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Bij het bepalen van de duur van de straf heeft de rechtbank mede gelet op de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 20 maart 2015, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder door de strafrechter is veroordeeld. De rechtbank zal hiermee in het voordeel van de verdachte rekening houden.

De rechtbank acht, alles afwegende, een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.
<nr>8</nr>Het beslag
De rechtbank zal het geldbedrag van € 358.600,00 (goednummer: 2206741) dat aan de verdachte toebehoort, verbeurd verklaren nu het het voorwerp betreft met betrekking tot welke het feit is begaan.
<nr>9</nr>De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
<nr>10</nr>De beslissing
De rechtbank:

Bewezenverklaring

verklaart het tenlastegelegde bewezen, zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;

spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is tenlastegelegd;

Strafbaarheid

verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert, zoals hierboven onder 5.2 is omschreven;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 16 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk;

bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat de verdachte voor het einde van een proeftijd van twee jaar de algemene voorwaarde heeft overtreden;

stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Beslag

- verklaart verbeurd het in beslag genomen geldbedrag van € 358.600,00 (zegge: driehonderd achtenvijftigduizend zeshonderd euro), goednummer: 2206741.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.P. Bosma, voorzitter, mr. S.V. Pelsser en mr. W.A.M. Loo, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.E. Felderhof, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 1 mei 2015.

Buiten staat

Mr. S.V. Pelsser en mr. W.A.M. de Loo zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen en de motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de doorlopende paginanummering in de voor eensluidend afschrift gewaarmerkte kopie van het in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde verbalisanten van de politie Eenheid Limburg opgemaakte proces-verbaal, genummerd 2453414001 d.d. 20 maart 2014 en de als bijlagen daarbij gevoegde schriftelijke bescheiden, welke alle wettige bewijsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 344, eerste lid jo artikel 339, eerste lid onder 5º van het Wetboek van Strafvordering.

Proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming d.d. 22 oktober 2014, doorgenummerde pagina’s. 157-160.

Volgens het proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 februari 2014 is in de kennisgeving van inbeslagneming van 21 mei 2013 abusievelijk het geldbedrag van € 358.650,00 vermeld in plaats van € 358.600,00.

Proces-verbaal (waarin gerelateerd de bevindingen welke hebben geleid tot de verdenking ex artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering contra de verdachte [verdachte] ter zake van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht) met bijlagen d.d. 19 februari 2014.

Klaagschrift over inbeslagneming d.d. 3 februari 2014 met bijlagen, doorgenummerde pagina’s 216-218. (De bijlagen zijn verspreid in het procesdossier opgenomen).

Kopie van uittreksel handelsregister Kamer van Koophandel d.d. 15 mei 2013, doorgenummerde pagina’s 241-243.

Klaagschrift over inbeslagneming d.d. 3 februari 2014 met bijlagen, doorgenummerde pagina’s 216-218. (De bijlagen zijn verspreid in het procesdossier opgenomen).

Kopie van kasboek [bedrijf 1] maand mei, doorgenummerde pagina’s 223-224.

Proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 februari 2014 met bijlage, doorgenummerde pagina’s 41-45.

Proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 maart 2014 met bijlagen, doorgenummerde pagina’s 126-130.

Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 9 april 2014 met bijlagen, doorgenummerde 391-406.

Proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 februari 2014 met bijlage, doorgenummerde pagina’s 41-45.

Klaagschrift over inbeslagneming d.d. 3 februari 2014 met bijlagen, doorgenummerde pagina’s 216-218. (De bijlagen zijn verspreid in het procesdossier opgenomen).

Proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 februari 2014 met bijlage, doorgenummerde pagina’s 41-45.

Kopie van aangifte erfbelasting 2012 d.d. 16 oktober 2013, doorgenummerde pagina’s 247-269.

Kopie van kwitantie d.d. 15 november 2011, doorgenummerde pagina 228.

Kopie van uittreksel handelsregister Kamer van Koophandel d.d. 14 oktober 2014, doorgenummerde pagina 295.

Kopie van inrichtingstukken 2011 [bedrijf 3] d.d. 25 september 2013, doorgenummerde pagina’s 270-290.

Proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming d.d. 22 oktober 2014, doorgenummerde pagina’s 157-160.

Proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 februari 2014 met bijlage, doorgenummerde pagina’s 41-45.

Kopie van kwitantie d.d. 15 november 2011, doorgenummerde pagina 228.

Klaagschrift over inbeslagneming d.d. 3 februari 2014 met bijlagen, doorgenummerde pagina’s 216-218. (De bijlagen zitten verspreid in het procesdossier).

Kopie van berekening inkomstenbelasting en premieheffing 2012, doorgenummerde pagina’s 219-221.

Proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 februari 2014 met bijlage, doorgenummerde pagina’s 41-45.

Proces-verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming d.d. 22 oktober 2014, doorgenummerde pagina’s 157-160.

Kopie van kwitantie verkoop amfibievoertuig, doorgenummerde pagina 222.

Proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 februari 2014 met bijlage, doorgenummerde pagina’s 41-45.

Volgens het proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 februari 2014 is in de kennisgeving van inbeslagneming van 21 mei 2013 abusievelijk het geldbedrag van € 358.650,00 vermeld in plaats van € 358.600,00.

Artikel delen