Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBLIM:2025:11417

Hoger beroep op beslissing van de RC in een WSNP verzoek om de kosten van het beschermingsbewind op te nemen in het vrij te laten bedrag. De rechtbank wijst het hoger beroep af omdat geen van de aangevoerde doorbrekingsgronden slaagt. Geen onjuiste toepassing van artikel 295 Fw, geen schending van artikel 6 EVRM, artikel 392 Rv of 317 lid 2 Fw.

Rechtbank Limburg 3 June 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBLIM:2025:11417 text/xml public 2026-06-03T17:06:26 2025-11-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2025-11-19 C/03/344557 / HA RK 25-137 Uitspraak Hoger beroep Rekestprocedure NL Roermond Civiel recht; Insolventierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2025:11417 text/html public 2026-06-03T17:04:57 2026-06-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2025:11417 Rechtbank Limburg , 19-11-2025 / C/03/344557 / HA RK 25-137
Hoger beroep op beslissing van de RC in een WSNP verzoek om de kosten van het beschermingsbewind op te nemen in het vrij te laten bedrag.

De rechtbank wijst het hoger beroep af omdat geen van de aangevoerde doorbrekingsgronden slaagt. Geen onjuiste toepassing van artikel 295 Fw, geen schending van artikel 6 EVRM, artikel 392 Rv of 317 lid 2 Fw.
RECHTBANK Limburg
Civiel recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer / rekestnummer: C/03/344557 / HA RK 25-137

Beschikking van 19 november 2025 van de meervoudige kamer op het beroep van

[verzoeker] , in hoedanigheid van bewindvoerder in het beschermingsbewind van [naam],

te [plaatsnaam] ,

verzoekende partij,

hierna te noemen: beschermingsbewindvoerder,

advocaat: mr. Q.J. van Riet,

tegen de beschikking van de waarnemend rechter-commissaris mr. P. Hoekstra (hierna: de rc) van 11 augustus 2025 in de schuldsaneringsregeling van [naam] .
<nr>1</nr>De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 5 november 2025.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.
<nr>2</nr>De feiten 2.1.
Bij vonnis van de rechtbank Limburg van 23 januari 2024 is [naam] toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (wsnp) met benoeming van mr. G.M. Drenth tot rc en [bewindvoerder] tot bewindvoerder.
2.2.
Bij aanvang van de wsnp heeft de beschermingsbewindvoerder gevraagd om de kosten van de beschermingsbewindvoering op te nemen in het zogeheten vrij te laten bedrag (vtlb). Dit verzoek is geweigerd omdat bijzondere bijstand voor deze kosten kon worden aangevraagd.
2.3.
Het verzoek om bijzondere bijstand is door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van [naam] afgewezen. Het tegen die beschikking gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard evenals het daartegen ingestelde beroep bij de rechtbank.
2.4.
De rc heeft in de uitkomst van de bestuursrechtelijke procedures geen aanleiding gezien om de kosten van de beschermingsbewindvoering op te nemen in het vtlb. Bij beschikking van 24 juli 2025 heeft de rc een verzoek daartoe afgewezen.

Een herhaald verzoek met gelijke strekking heeft de rc bij beschikking van 11 augustus 2025 wederom afgewezen.
<nr>3</nr>Het verzoek 3.1.
De beschermingsbewindvoerder vraagt ontvankelijk te worden verklaard in dit hoger beroep en de beschikking van de rc van 11 augustus 2025 te vernietigen en met terugwerkende kracht de kosten van het beschermingsbewind op te nemen in het vtlb. Wanneer de rechtbank het verzoek niet direct toewijst wordt verzocht om aan de HR de volgende préjudiciële vragen te stellen”

Dient het spaargeld dat iemand, die is toegelaten tot de wsnp, binnen zijn vtlb heeft gespaard, te allen tijde buiten de boedel te blijven?

Staat het een rechter-commissaris vrij om binnen een vtlb gespaard bedrag te laten aanwenden voor de betaling van kosten die zonder dit gespaard bedrag in het vtlb zouden zijn opgenomen? Dient daarbij een bodembedrag te worden gehanteerd en zo ja hoe hoog zou dit bodembedrag moeten zijn?

Leidt het in artikel 5.9 Vtlb-rapport opgenomen uitgangspunt, dat de kosten van beschermingsbewindvoering dienen te worden betaald uit het vtlb, tot het ongewenste resultaat dat een saniet zijn bestaansminimum moet aanspreken om noodzakelijke kosten van het bestaan te betalen en/of leidt dit tot een ongewenste fundamentele rechtsongelijkheid ten opzichte van een saniet die van zijn gemeente bijzondere bijstand voor deze kosten krijgt?

Wanneer de rechtbank meer of andere prejudiciële vragen aan de Hoge Raad wil stellen, wil de beschermingsbewindvoerder in de gelegenheid worden gesteld om zich daar over uit te laten.
3.2.
Aan het verzoek heeft de beschermingsbewindvoerder ten grondslag gelegd dat doorbrekingsgronden aanwezig zijn die maken dat hij toch ontvankelijk is in zijn beroep en dat het uitgangspunt in het door de rc toegepaste artikel 5.9 van het Vtlb-rapport onjuist en onrechtvaardig is en door de rc ten onrechte of verkeerd is toegepast.

Tijdens de zitting heeft de beschermingsbewindvoerder nog als aanvullende doorbrekingsgrond aangevoerd dat de rc ten onrechte het bepaalde in artikel 317 lid 2 Fw buiten toepassing heeft gelaten door de bewindvoerder niet te horen over het verzoek om de kosten van het beschermingsbewind op te nemen in het vtlb.
<nr>4</nr>De beoordeling
De ontvankelijkheid
4.1.
De rechtbank heeft ambtshalve de ontvankelijkheid van de beschermingsbewindvoerder in het hoger beroep te beoordelen en overweegt daarover als volgt.
4.2.
Tegen een beschikking van de rc als hier aan de orde staat geen hoger beroep open. Dat volgt uit de artikelen 315 lid 2 Fw en 295 lid 3 Fw. Dat kan echter anders zijn wanneer sprake is van een zogenaamde doorbrekingsgrond van het appelverbod. De beschermingsbewindvoerder heeft een beroep gedaan op verschillende doorbrekingsgronden. De rechtbank overweegt dat het enkele feit dat de beschermingsbewindvoerder stelt dat er sprake is van een doorbrekingsgrond, voldoende is om haar te ontvangen in dit hoger beroep. Nu de rechtbank van oordeel is dat geen van de aangevoerde doorbrekingsgronden slaagt, oordeelt zij evenwel tot afwijzing van het beroep. Dit oordeel is gebaseerd op de volgende overwegingen.
4.3.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan een doorbrekingsgrond aan de orde zijn wanneer (in dit geval) de rc buiten het toepassingsgebied van een wetsartikel is getreden of dit artikel ten onrechte heeft toegepast, maar ook wanneer de rc bij de behandeling van de zaak fundamentele rechtsbeginselen heeft verzuimd.

Onjuiste toepassing van artikel 295 Fw 4.4. De eerst aangevoerde doorbrekingsgrond is erop gericht dat de rc artikel 295 Fw ten onrechte niet heeft toegepast dan wel dat de rc buiten het toepassingsbereik ervan is getreden. De rechtbank stelt voorop dat de rc heeft beslist op een verzoek om het vtlb te verhogen met de kosten van het beschermingsbewind. Dit is een verzoek als bedoeld in artikel 295 lid 3 Fw en ziet op een discretionaire bevoegdheid van de rc waarbij deze een afweging kan maken op grond van alle omstandigheden. Het gaat dus niet om het bepalen van de omvang van het vtlb zoals bedoeld in artikel 295 lid 2 Fw dat is gebonden aan wettelijke normen. Anders dan de beschermingsbewindvoerder heeft aangevoerd kan dus niet worden vastgesteld dat de rc buiten het toepassingsbereik van de wet is getreden.

Strijd met artikel 6 EVRM
4.5.
Als tweede doorbrekingsgrond is aangevoerd dat de beschikking in strijd is met de artikel 6 EVRM. Gesteld wordt dat een discriminatoir onderscheid wordt gemaakt tussen sanieten die binnen het vtlb hebben willen/kunnen sparen en degenen die dat niet hebben gedaan. Het door de rc gehanteerde drempelbedrag is volgens de beschermingsbewindvoerder bovendien willekeurig en getuigt van vooringenomenheid.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 6 EVRM ziet op rechtsbeginselen voor de toegang tot de rechter en het te voeren proces. De door de beschermingsbewindvoerder aangevoerde argumenten zijn niet te rijmen met de rechtsbeginselen waarop artikel 6 EVRM ziet. Zij zien op de door de rc in zijn beschikking gegeven motivering. Dit betekent dat ook de tweede doorbrekingsgrond niet slaagt.

Artikel 392 Rv ten onrechte niet toegepast
4.6.
De beschermingsbewindvoerder stelt dat de rc geen uitspraak had mogen geven zonder eerst een préjudiciële vraag te stellen aan de Hoge Raad. Ook in deze grond ziet de rechtbank geen aanleiding om het appelverbod te doorbreken. In artikel 392 Rv wordt een bevoegdheid gegeven om een préjudiciële vraag te stellen. Dat kan ambtshalve of op verzoek van een partij. Er is in ieder geval geen sprake van een verplichting.

Het nalaten gebruik te maken van het stellen van een préjudiciële vraag kan daarom niet als een schending van een wettelijke bepaling worden aangemerkt. Dit geldt temeer nu een de beschermingsbewindvoerder zelf ook geen verzoek tot het stellen van een préjudiciële vraag bij de rc heeft neergelegd.

Schending van artikel 317 lid 2 Fw
4.7.
De beschermingsbewindvoerder heeft tijdens de zitting nog als doorbrekingsgrond aangevoerd dat de rc heeft verzuimd de bewindvoerder op het verzoek te horen, waardoor hij artikel 317 lid 2 Fw niet, dan wel niet juist heeft toegepast.
4.8.
Hoewel pas voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling een beroep is gedaan op deze grond, is de rechtbank van oordeel dat geen belang zich verzet tegen behandeling van deze beroepsgrond.
4.9.
Het is juist dat de bewindvoerder door de rc niet meer is gehoord. Uit de overweging 1.4 in de beschikking van 24 juli 2025 volgt echter dat de rc wel op de hoogte was van het standpunt van de bewindvoerder en zich bij dat standpunt heeft aangesloten. Tegen deze achtergrond heeft de beschermingsbewindvoerder onvoldoende gesteld waarom een noodzaak bestond om de bewindvoerder opnieuw te horen. De beschikking van 11 augustus 2025 is gegeven op een herhaald verzoek zonder dat daarbij sprake was van nieuwe en/of andere feiten of omstandigheden.

Dit betekent dat ook deze beroepsgrond niet tot een doorbreking van het appelverbod leidt.

Conclusie
4.10.
Omdat geen van de aangevoerde doorbrekingsgronden slaagt zal het beroep van de beschermingsbewindvoerder worden afgewezen.
<nr>5</nr>De beslissing
De rechtbank
5.1.
verklaart de beschermingsbewindvoerder ontvankelijk in haar hoger beroep,
5.2.
verwerpt het hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.J.M.G. Rulkens, mr. dr. J.J. Verhoeven en mr. A.H.M.J.F. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2025.

CB

zie HR 29 maart 1985, NJ 1986/242

Artikel delen