Ontbinding huurovereenkomst en ontruiming. Tekortkoming verplichtingen voortvloeiende uit huurovereenkomst. Onderverhuur in strijd met verbod. Verbouwing van woning zonder toestemming. Huurachterstand.
Rechtbank Limburg 1 September 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2026:2
Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
16-12-2025
Datum publicatie
01-09-2026
Zaaknummer
11717162 CV EXPL 25-2484
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBLIM:2026:2text/xmlpublic2026-09-01T17:06:592025-12-16Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Limburg2026-01-0711717162 CV EXPL 25-2484UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLMaastrichtCiviel recht; VerbintenissenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:2text/htmlpublic2026-01-16T12:50:192026-09-01Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBLIM:2026:2 Rechtbank Limburg , 07-01-2026 / 11717162 CV EXPL 25-2484 Ontbinding huurovereenkomst en ontruiming. Tekortkoming verplichtingen voortvloeiende uit huurovereenkomst. Onderverhuur in strijd met verbod. Verbouwing van woning zonder toestemming. Huurachterstand.
RECHTBANK LIMBURG Civiel recht
Kantonrechter Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: 11717162 CV EXPL 25-2484 Vonnis van 7 januari 2026 in de zaak van HBCM LAREN B.V., in hoedanigheid van bewindvoerder over alle goederen van de heer [betrokkene]
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: HBCM q.q.,
gemachtigde: mr. A.H.H. Nauta, tegen 1 [gedaagde sub 1] , wonende te [woonplaats] ,2. [gedaagde sub 2],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
gemachtigde: mr. C.A.M.J.M. Joosten. 1De procedure1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord
- de akte aanvullende productie 7 van HBCM q.q.
- de mondelinge behandeling van 3 december 2025. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten2.1.
[betrokkene] is eigenaar van de woning gelegen aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning). 2.2.
[betrokkene] is op 18 augustus 2020 in Sokobanja, Servië, gehuwd met mevrouw [naam echtgenote] . Voorafgaand aan het huwelijk heeft [betrokkene] een hersenbloeding gehad en daarbij blijvend hersenletsel opgelopen. Momenteel verblijft hij in Lelystad in een beschermde woonomgeving 2.3. Op enig moment, omstreeks de datum van het huwelijk, zijn de schoonzoon van mevrouw [naam echtgenote] , [gedaagde sub 1] , en zijn (toenmalige) partner, [gedaagde sub 2] , in de woning getrokken. 2.4. Bij beschikking van 22 juli 2021 heeft de kantonrechter van de rechtbank Limburg, locatie Roermond, wegens de lichamelijke of geestelijke toestand van [betrokkene] een bewind ingesteld over zijn (toekomstige) goederen. Bij beschikking van 8 december 2022 heeft de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, de voormalige bewindvoerder ontslagen onder gelijktijdige benoeming van HBCM q.q. tot bewindvoerder. 2.5. Tussen [betrokkene] enerzijds en [gedaagden] anderzijds is een huurovereenkomst voor de woning gesloten, gedateerd 17 augustus 2022. Daarin is onder meer vermeld dat de huur € 550,00 per maand bedraagt en dat op de huurovereenkomst de algemene bepalingen woonruimte van 30 juli 2003 (hierna: de algemene bepalingen) van toepassing zijn. 2.6. Bij beschikking van 24 december 2024 heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, de echtscheiding tussen [betrokkene] en mevrouw [naam echtgenote] uitgesproken. 2.7. Bij besluit van 16 januari 2025 heeft de Gemeente Venlo een last tot handhaving opgelegd aan [gedaagde sub 1] wegens illegale bouwactiviteiten in de woning van [betrokkene] . 3Het geschil3.1. HBCM q.q. vordert – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: voor zover er sprake is van een gebruiksovereenkomst of huurovereenkomst voor de woning aan de [adres] , te [plaats] , deze ontbonden verklaart,
[gedaagden] veroordeelt om de woning met verdere aangehorigheden binnen twee weken na betekening van dit vonnis met alle zich daarin bevindende personen en zaken te verlaten en te ontruimen, onder afgifte van sleutels en hetgeen daartoe verder behoort ter vrije en algehele beschikking te stellen van HBCM q.q.,
[gedaagden] hoofdelijk veroordeelt om ter zake van schadevergoeding, te voldoen een bedrag van € 550,00 per maand vanaf maart 2025, voor elke maand of gedeelte daarvan dat zij in gebreke blijven om het gehuurde te ontruimen en ter beschikking te stellen van HBCM q.q. tot de dag van de ontruiming van de woning,
[gedaagden] hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten. 3.2. HBCM q.q. legt het volgende aan de vordering ten grondslag. De huurovereenkomst is aangegaan toen [betrokkene] onder bewind stond. De huurovereenkomst is niet door HBCM q.q. bekrachtigd. Primair stelt HBCM q.q. daarom dat geen sprake is van huur. Subsidiair stelt HBCM q.q. dat [gedaagden] in hun verplichtingen als huurders tekort zijn geschoten, doordat zij de woning niet zelf bewonen maar aan derden onderverhuren en omdat zij de woning zonder toestemming hebben verbouwd. Ook is er een huurachterstand ontstaan. Dit alles rechtvaardigt ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. 3.3.
[gedaagden] stellen dat de huurovereenkomst al vóór 17 augustus 2022, op 20 april 2022, is aangegaan. Zij erkennen dat de woning in het verleden was onderverhuurd aan derden. Dit was volgens hen nodig om de huur te kunnen voldoen. Naast de huurbetalingen aan HBCM q.q. dienden zij ook (een deel van de) huur te betalen aan de
(ex-)echtgenote van [betrokkene] , mevrouw [naam echtgenote] . Er is sprake van onduidelijkheid aan wie zij huur moeten betalen die tot de huurachterstand heeft geleid. Zij erkennen ook dat zij de woning hebben verbouwd. Na de dagvaarding hebben zij aan de onderhuurders verzocht het gehuurde te verlaten. Op dit moment woont [gedaagde sub 1] daar alleen. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling Is er sprake van een huurovereenkomst? 4.1. De eerste vraag is of er daadwerkelijk een huurovereenkomst tot stand is gekomen tussen [betrokkene] als verhuurder en [gedaagden] als huurders. Volgens [gedaagden] is dat het geval, terwijl HBCM q.q. dit primair betwist. 4.2. Bij beschikking 22 juli 2021 zijn alle (toekomstige) goederen van [betrokkene] onder bewind zijn gesteld. Volgens artikel 1:441 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) vertegenwoordigt de bewindvoerder bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte. Van vervulling van deze taak is sprake wanneer het gaat om handelingen in verband met de onder bewind staande goederen. 4.3. Aangezien de (schriftelijke) huurovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen ten tijde dat [betrokkene] onder bewind stond, heeft dit tot gevolg dat [betrokkene] op dat moment handelingsonbevoegd was ten aanzien van de onder bewind gestelde goederen, zo ook de woning. Dat is ook het geval wanneer de kantonrechter [gedaagden] volgt in de stelling dat de huurovereenkomst eigenlijk al op 20 april 2022 tot stand was gekomen, omdat die datum ook ligt na de datum van de beschikking waarbij de onderbewindstelling is uitgesproken. Dat [betrokkene] handelingsonbevoegd was over de woning te beschikken, betekent dat hij slechts de huurovereenkomst kon aangaan als zijn bewindvoerder hiervoor stemming zou hebben gegeven of met een machtiging van de kantonrechter. Als zowel de toestemming of machtiging ontbreken, kan de bewindvoerder zich op de ongeldigheid van de rechtshandeling van [betrokkene] beroepen. 4.4. De vraag is of HBCM q.q. (alsnog) toestemming heeft gegeven door bijvoorbeeld medewerking te verlenen aan de uitvoering van deze huurovereenkomst of dat HBCM q.q. de huurovereenkomst heeft bekrachtigd. Voorop staat dat [gedaagden] kan worden tegengeworpen dat zij ‘wisten’ dat [betrokkene] onder bewind stond. [gedaagde sub 1] is immers de schoonzoon van de (ex-)echtgenote van [betrokkene] . Dat [gedaagden] , zoals gesteld en onvoldoende weersproken, [betrokkene] hebben bezocht in de zorginstelling waar hij verblijft en hem de huurovereenkomst hebben laten ondertekenen, verdient niet de schoonheidsprijs. Hoe dan ook, tijdens de mondelinge behandeling heeft de heer [naam] van HBCM q.q. verklaard dat [gedaagden] meerdere jaren huur hebben betaald en dat de betalingen niet zijn teruggestort. Daaruit volgt dat HBCM q.q. wist of had kunnen weten dat derden tegen betaling in de woning verbleven. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft HBCM q.q. door de huurbetalingen gedurende lange tijd in ontvangst te nemen en niet op te treden tegen de situatie, medewerking verleend aan de uitvoering van de huurovereenkomst en zo alsnog toestemming gegeven. Dat leidt tot de conclusie dat tussen partijen sprake is van een huurovereenkomst. Is er reden om de huurovereenkomst te ontbinden? 4.5. Aangezien er sprake is van een huurovereenkomst dienen [gedaagden] de daaruit voortvloeiende verplichtingen na te komen. Dat betekent dat zij zich moeten houden aan hun verplichtingen uit de huurovereenkomst, de toepasselijke algemene bepalingen en de wet. [gedaagden] dienen zich als goed huurders te gedragen. Daaronder valt ook het tijdig betalen van de huur. Als [gedaagden] hun verplichtingen niet nakomen, kan dit reden zijn om de huurovereenkomst te ontbinden tenzij deze tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. 4.6. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagden] hun verplichtingen niet zijn nagekomen. Zo is niet in geschil dat zij de woning hebben onderverhuurd terwijl dit in strijd is met het verbod genoemd in artikel 1.3. en de zelfbewoningsplicht genoemd in artikel 1.1. van de algemene bepalingen. Ook is niet weersproken dat zij de woning hebben verbouwd zonder toestemming van [betrokkene] of HBCM q.q. Daarnaast is er een huurachterstand van drie maanden. Al deze omstandigheden samen maken dat [gedaagden] tekort zijn geschoten in hun verplichtingen uit de huurovereenkomst. 4.7. De kantonrechter overweegt dat de stelling dat [gedaagden] de onderverhuur direct hebben beëindigd nadat zij de dagvaarding hadden ontvangen en Djorde weer zelf in de woning verblijft, het oordeel niet anders maakt. Zo heeft HBCM q.q. dit weersproken en hebben [gedaagden] hun stelling niet onderbouwd, waardoor nog altijd niet te verifiëren is wie er in de woning verblijft. Dat de verbouwingen weer ongedaan zouden zijn gemaakt, zoals [gedaagde sub 1] stelt, is evenmin gebleken. Wat er ook moge zijn van hun stelling dat de huurachterstand is veroorzaakt doordat zij ook huur aan mevrouw [naam echtgenote] moesten betalen, als al waar, laat onverlet dat zij de huurbetalingsverplichting uit de overeenkomst met [betrokkene] /HBCM q.q. stipt hadden moeten nakomen. 4.8. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagden] zijn tekortgeschoten in hun verplichtingen. Dit rechtvaardigt de ontbinding van de huurovereenkomst. De termijn van ontruiming 4.9. Omdat [gedaagde sub 1] tijdens de mondelinge behandeling heeft medegedeeld geen andere woonruimte te hebben, zal de kantonrechter [gedaagden] veroordelen om de woning te ontruimen op een termijn van dertig dagen na betekening van het vonnis. Dit is naar het oordeel van de kantonrechter een redelijke termijn om aan de veroordeling te voldoen. De vordering tot betaling van schadevergoeding 4.10. HBCM q.q. wil ook dat [gedaagden] worden veroordeeld tot het betalen van een maandelijks bedrag van € 550,00 vanaf maart 2025 tot het moment dat zij de woning ontruimen. 4.11. De kantonrechter stelt vast dat in de dagvaarding niet is toegelicht waarom [gedaagden] schadevergoeding ter hoogte van de maandelijkse huur verschuldigd zijn vanaf 25 maart 2025. Ook is er tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat sprake is van een huurachterstand van drie maanden en niet van een huurachterstand vanaf maart 2025. Daarom wijst de kantonrechter dit deel van de vordering af. 4.12. De gevorderde schadevergoeding vanaf de ontbinding van de huurovereenkomst tot aan de ontruiming wordt wel toegewezen. Dit is een gebruiksvergoeding voor de periode dat [gedaagden] na ontbinding van de huurovereenkomst nog in de woning verblijven. Hoofdelijkheid 4.13. De veroordelingen tot betaling van een geldsom worden hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen. Proceskosten 4.14.
[gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van HBCM q.q. worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 147,81 - griffierecht € 90,00 - salaris gemachtigde € 408,00 (2 punt × € 204,00) - nakosten € 102,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 747,81 5De beslissing De kantonrechter 5.1. ontbindt de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot de woning aan het adres [adres] , [plaats] , 5.2. veroordeelt [gedaagden] om binnen dertig dagen na betekening van dit vonnis de woning aan het adres [adres] , [plaats] , te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [betrokkene] zijn, en de sleutels af te geven aan HBCM q.q., 5.3. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om te betalen aan HBCM q.q. een bedrag van € 550,00 per maand vanaf de datum van de ontbinding van de huurovereenkomst tot het einde van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden, 5.4. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 747,81 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, 5.5. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 5.6. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. R.A.J. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2026. JC Artikel 6:265 BW.