Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBLIM:2026:3977

Arbeidszaak. Ontslag op staande voet wegens stelselmatig te laat komen. Werkgever heeft werknemer meerdere waarschuwingen gegeven voor te laat komen. Ontslag op staande voet is rechtsgeldig verleend. Verzochte billijke vergoeding, transitievergoeding en gefixeerde schadevergoeding worden afgewezen. Het tegenverzoek van de werkgever om het onverschuldigd loon terug te betalen wordt verrekend met...

Rechtbank Limburg 7 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBLIM:2026:3977 text/xml public 2026-07-07T15:02:03 2026-04-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-04-30 12093367 AZ VERZ 26-23 Uitspraak Beschikking NL Maastricht Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:3977 text/html public 2026-07-07T12:20:09 2026-07-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:3977 Rechtbank Limburg , 30-04-2026 / 12093367 AZ VERZ 26-23
Arbeidszaak. Ontslag op staande voet wegens stelselmatig te laat komen. Werkgever heeft werknemer meerdere waarschuwingen gegeven voor te laat komen. Ontslag op staande voet is rechtsgeldig verleend. Verzochte billijke vergoeding, transitievergoeding en gefixeerde schadevergoeding worden afgewezen. Het tegenverzoek van de werkgever om het onverschuldigd loon terug te betalen wordt verrekend met de nog niet uitbetaalde vakantiedagen.

RECHTBANK LIMBURG

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer / rekestnummer: 12093367 AZ VERZ 26-23

Beschikking van 30 april 2026

in de zaak van

[werknemer] ,

te [plaats 1] ,

verzoekende partij,

verwerende partij in het tegenverzoek,

hierna te noemen: [werknemer] ,

gemachtigde: mr. M. Hermens,

tegen

[werkgever] B.V.,

te [plaats 2] ,

verwerende partij,

verzoekende partij in het tegenverzoek,

hierna te noemen: [werkgever] ,

gemachtigde: de heer [gemachtigde] bc.

De zaak in het kort

In deze zaak verzoekt de werknemer om toekenning van een billijke vergoeding, transitievergoeding en gefixeerde schadevergoeding na een ontslag op staande voet. De kantonrechter wijst de verzoeken af, omdat het ontslag rechtsgeldig is verleend.

Het tegenverzoek van de werkgever om het ontslag op staande voet te bekrachtigen wordt toegewezen. Het tegenverzoek van de werkgever om de werknemer te veroordelen tot betaling van € 1.877,20 bruto wordt afgewezen.
<nr>1</nr>De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het op 10 februari 2026 ontvangen verzoekschrift,

- het op 9 april 2026 ontvangen verweerschrift, met een tegenverzoek,

- de op 16 april 2026 ontvangen aanvullende productie 11 van de zijde van [werknemer] ,

- de spreekaantekeningen van de zijde van [werknemer] ,

- de mondelinge behandeling van 16 april 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2. De feiten
2.1.
[werknemer] , geboren [datum] 2000, is sinds 1 september 2024 in dienst bij [werkgever] . De functie van [werknemer] is technisch specialist personenwagens met een loon van € 3.250,18 bruto per maand.
2.2.
Op 23 april 2025 heeft [werkgever] [werknemer] een brief gestuurd met - voor zover van belang - de volgende inhoud:

“Ik heb vastgesteld dat je al geruime tijd regelmatig te laat op je werk bent. Het zijn meestal enkele minuten. Ik heb je hier al diverse malen op aangesproken. Ondanks mijn mondelinge waarschuwingen en je gespreksverslag in AFAS was je vandaag weer enkele minuten te laat.

Je werkdag start om 8:00 uur. Dat houdt in dat je uiterlijk om 7:50 uur op je werk aanwezig bent, zodat je om 8:00 uur daadwerkelijk aan het werk bent. Het te laat komen is voor ons onacceptabel.

Hierbij ontvang je een officiële waarschuwing voor jouw hiervoor omschreven gedrag.

Wij gaan ervan uit dat je de binnen onze organisatie geldende regels nakomt en dat je dergelijk gedrag niet meer vertoont. Mocht je wederom in strijd handelen met onze regels, dan kan dit strengere maatregelen als gevolg hebben en zelfs consequenties hebben voor de voortzetting van jouw dienstverband.”
2.3.
Op 23 september 2025 heeft [werkgever] [werknemer] een brief gestuurd waar - onder meer - het volgende in vermeld staat:

“We stelden vast dat je nog steeds regelmatig te laat op het werk aanwezig bent. Afgelopen vrijdag 19 september 2025 ben je hier nogmaals door [naam] (Aftersales Manager) op aangesproken. In dit gesprek gaf ja aan dat je het snapt maar dat het toch blijft gebeuren. Vandaag, 23 september 2025, was je om 8:15 uur aanwezig terwijl je vanaf 8:00 uur aanwezig moet zijn en dus ook betaald wordt.

Dit gedrag is voor ons nog steeds onacceptabel. Dit was namelijk niet de eerste keer dat je de afspraken niet nakomt. Op 23 april 2025 gaven wij jou ook een officiële waarschuwing omdat je te vaak te laat op het werk bent. Hierbij ontvang je dan ook een tweede officiële waarschuwing voor jouw gedrag.

Zowel in eerdere gesprekken als in het gesprek op 19 september 2025 gaf je aan dat je dit niet meer laat gebeuren. Wij vragen je dringend om je aan deze toezegging te houden. Doe je dit niet en gedraag je je toch nog ongewenst, dan kunnen wij overgaan tot het nemen van verdergaande maatregelen, waarbij ontslag niet is uitgesloten.”
2.4.
Op 12 december 2025 is [werknemer] op staande voet ontslagen.
2.5.
In de ontslagbrief van 12 december 2025 staat - voor zover van belang - het volgende opgenomen:

“Hierbij bevestigen wij dat wij u op 12 december2025 op staande voet hebben ontslagen. De redenen voor dit ontslag zijn, zoals wij u ook op 12 december 2025 hebben meegedeeld, zowel het niet naleven van het bedrijfsreglement door zeer regelmatig te laat aanwezig te zijn en het in levensgevaar brengen van een klant door een bestelwagen zeer onveilig aan de klant over te dragen.

Voor het te laat komen heeft u naast mondelinge waarschuwingen op 12 maart 2025 een schriftelijke waarschuwing ontvangen. Op 23 april 2025 en op 29 september 2025 heeft u officiële waarschuwingen ontvangen voor het niet naleven van het bedrijfsreglement door zeer regelmatig te laat aanwezig te zijn. Op 12 december 2025 was u nogmaals te laat, en wel om 8:03 uur, aanwezig waardoor dit de eerste reden van ontslag op staande voet is.

Het in levensgevaar brengen van een klant kwam doordat u tijdens werkzaamheden aan een Mercedes-Benz Sprinter op 8 en 9 december 2025 hebt verzuimd om twee linkerachterwielen vast te zetten na het vervangen van de remblokken. Deze zijn vervolgens op donderdag 11 december 2025 tijdens het rijden (…) los geraakt. De schade die dit voor de klant, de chauffeur van de klant en ons eigen bedrijf teweeg kan brengen, had op kunnen lopen tot een dodelijk ongeluk. Het niet uitvoeren van zo’n essentiële basishandeling is voor ons onacceptabel en daarmee de tweede reden van ontslag op staande voet.

U heeft gelegenheid gehad uw kant van het verhaal te vertellen, dit heeft niet tot een ander oordeel geleid. Deze redenen vormen elk afzonderlijk maar ook in samenhang een dringende reden voor dit ontslag op staande voet.

Wij zullen per 12 december 2025 een correcte eindafrekening opstellen van het salaris, vakantiegeld en niet-genoten vakantiedagen. Deze zullen wij aan u uitbetalen bij de loonronde van december 2025.”
<nr>3</nr>Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek 3.1.
Na intrekking van het primaire verzoek (de zogenoemde ‘switch’), verzoekt [werknemer] - na hernummering - om (samengevat):

I. een dag vast te stellen waarop deze zaak ter terechtzitting behandeld wordt,

en om [werkgever] te veroordelen tot betaling van:

Primair:

II. de billijke vergoeding van € 31.033,26 bruto,

III. de transitievergoeding van € 1.501,05 bruto,

IV. de gefixeerde schadevergoeding van € 5.494,22 bruto,

Subsidiair:

V. de transitievergoeding van € 1.501,05 bruto, voor het geval de arbeidsovereenkomst is geëindigd door het ontslag op staande voet,

VI. de wettelijke rente over de hiervoor genoemde bedragen,

VII. de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.155,29 exclusief btw,

VIII. de proceskosten.
3.2.
Volgens [werknemer] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig. Hij voert daartoe het volgende aan. Voor de start van zijn werkzaamheden moet [werknemer] een overall en werkschoenen aantrekken. Omdat hem geen eigen overall is verstrekt, moet hij deze op de reservestapel bij [werkgever] pakken en na gebruik bij [werkgever] in de wasmand doen. Daardoor is [werknemer] verplicht om zich op het werk om te kleden. Deze omkleedtijd geldt als arbeidstijd, zodat [werknemer] niet te laat is als hij om 8:03 uur in de werkplaats komt. Hij was namelijk wel voor 8:00 uur bij [werkgever] aanwezig. Ook betwist [werknemer] dat hij de wielen van de bestelwagen niet goed zou hebben aangedraaid. Volgens [werknemer] is er geen causaal verband aangetoond tussen de werkzaamheden die [werknemer] heeft verricht en het incident met de bestelwagen. [werkgever] heeft verzuimd om een onderzoek in te stellen naar deze gebeurtenis, zodat [werkgever] te snel is overgegaan tot het ontslag op staande voet.
3.3.
[werkgever] voert verweer en stelt dat de verzoeken moeten worden afgewezen. [werkgever] voert ‑ samengevat ‑ aan dat [werknemer] structureel te laat kwam, dat zij hem hier veelvuldig op heeft aangesproken en dat zij hem erop heeft gewezen dat dit onacceptabel was. Daarbij kon [werknemer] na afloop van een dienst ook een schone overall mee naar huis nemen, zodat hij zich, voor een volgende dienst, thuis al kon omkleden. Het was geen noodzaak om zich op het werk om te kleden.

Het aandraaien van de wielen is een basisvaardigheid waarvan verwacht mag worden dat [werknemer] die beheerst.
3.4.
[werkgever] heeft een tegenverzoek gedaan en verzoekt (samengevat):

Primair

 Het ontslag op staande voet te bekrachtigen zonder toekenning van enige vergoeding en [werknemer] te veroordelen in het terugbetalen van het onverschuldigd betaalde loon van € 1.887,20 bruto,

 [werknemer] te veroordelen in de proceskosten.

Subsidiair:

 Het ontslag op staande voet te bekrachtigen en wanneer [werknemer] recht heeft op een transitievergoeding, deze te verrekenen met het onverschuldigd betaalde loon,

 [werknemer] te veroordelen in de proceskosten.
3.5.
Op de stelling van partijen wordt hierna - voor zover relevant - nader ingegaan.
<nr>4</nr>De beoordeling van de verzoeken
Het verzoek van [werknemer]
4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven, of aan [werknemer] een billijke vergoeding moet worden toegekend en of [werkgever] moet worden veroordeeld tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding. De kantonrechter is van oordeel dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven en wijst de verzoeken van [werknemer] af. De kantonrechter legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.

Ontslag op staande voet, juridisch kader
4.2.
Een ontslag op staande voet is alleen geldig als daarvoor een dringende reden is. Dat wil zeggen zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen. Hij moet hierbij de aard en de ernst van de dringende reden afwegen tegen de door de werknemer aangevoerde omstandigheden. Ook moet er onverwijld worden opgezegd en moet de dringende reden gelijktijdig met het ontslag worden meegedeeld aan de werknemer. Onverwijld betekent dat dit direct of zo snel mogelijk moet gebeuren. De werkgever moet de dringende reden bewijzen. Voorop staat dat een ontslag op staande voet een ultimum remedium is. Gelet op de verstrekkende gevolgen van zo’n ontslag voor de werknemer mag dit alleen bij uitzondering worden gegeven.

Welke dringende reden(en) heeft [werkgever] aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegd?
4.3.
Het ontslag op staande voet is op 12 december 2025 verleend. [werkgever] voert twee redenen aan waarom [werknemer] op staande voet is ontslagen. De eerste reden is dat [werknemer] , ondanks meerdere waarschuwingen voor te laat komen, op 12 december 2025 weer te laat was. De tweede reden is omdat [werknemer] de wielen van een bestelwagen waaraan hij gewerkt had niet goed had aangedraaid, waardoor deze tijdens het rijden los zijn gekomen en de klant in levensgevaar is gebracht.

Te laat komen

Waarschuwingen
4.4.
[werkgever] stelt dat zij [werknemer] meerdere malen zowel mondeling als schriftelijk heeft aangesproken en gewaarschuwd over het te laat komen. [werkgever] heeft twee schriftelijke waarschuwingen overgelegd. De eerste schriftelijke waarschuwing van 23 april 2025 is door [werknemer] ondertekend. In deze waarschuwing staat dat de werkdag om 8:00 uur begint. Op de mondelinge behandeling heeft [werkgever] toegelicht dat zij er belang bij heeft dat iedereen om 8:00 uur klaar staat om aan de slag te gaan, omdat zij om 8:00 uur de werkorders verdeelt. Dit is niet door [werknemer] betwist. Verder staat in de waarschuwing vermeld dat te laat komen onacceptabel is en dat er bij een volgende keer strengere maatregelen zullen volgen die zelfs consequenties kunnen hebben voor de voortzetting van het dienstverband.
4.5.
In de waarschuwing van 23 september 2025 staat vermeld dat [werknemer] op 19 september 2025 door de aftersales manager erop is gewezen dat hij regelmatig te laat komt en dat hij op 23 september 2025 om 8:15 uur pas aanwezig was. Ook in deze brief staat vermeld dat [werknemer] om 8:00 uur aanwezig moet zijn. In deze brief wordt [werknemer] gewezen op de consequenties van het herhaaldelijk te laat komen. Daarbij wordt ook vermeld dat ontslag niet is uitgesloten. Op deze waarschuwing heeft [werknemer] niet schriftelijk gereageerd. Op de mondelinge behandeling heeft [werknemer] verklaard dat hij te laat was door een omleiding en bij de aftersales manager bezwaar had gemaakt tegen deze waarschuwing. Dat er die dag een omleiding was heeft [werknemer] niet onderbouwd. Evenmin heeft [werknemer] onderbouwd dat hij bezwaar heeft gemaakt tegen deze waarschuwing en dat hij de sales manager heeft gezegd dat hij door een omleiding te laat was. Daarmee is niet vast komen te staan dat er een rechtvaardiging was voor het op die dag te laat komen.
4.6.
Verder heeft [werkgever] een verklaring overgelegd van de aftersales manager waarin staat vermeld dat [werknemer] regelmatig omstreeks 8:05 uur binnen kwam lopen terwijl de werkdag om 8:00 uur begon. De aftersales manager voert aan [werknemer] hierop diverse malen mondeling te hebben aangesproken. De inhoud van (dit deel van) deze verklaring heeft [werknemer] niet betwist.
4.7.
Op grond van het voorgaande kan worden vastgesteld dat [werkgever] duidelijke regels hanteert over de werktijden en op welk tijdstip [werknemer] omgekleed en wel aanwezig moet zijn, namelijk om 8:00 uur. Ook staat vast dat [werknemer] veelvuldig is aangesproken dat hij te laat was en dat hij daarbij gewaarschuwd was dat te laat komen niet wordt geaccepteerd en arbeidsrechtelijke consequenties zal hebben. Ondanks deze waarschuwingen was [werknemer] op 12 december 2025 pas om 8:03 uur klaar om aan het werk te gaan. Daarmee was [werknemer] te laat.

Omkleedtijd is arbeidstijd
4.8.
Dat [werknemer] niet altijd om 8:00 uur kon starten met zijn werkzaamheden wordt niet betwist. [werknemer] voert echter aan dat hij wel om 8:00 uur bij [werkgever] aanwezig was, maar zich nog moest omkleden. Het was namelijk verplicht om een overall en werkschoenen aan te hebben voordat hij met de werkzaamheden kon starten. Deze overall moest hij bij [werkgever] pakken en zich vervolgens omkleden. [werknemer] stelt dat hij op 12 december 2025 wel al om 8:00 uur aanwezig was bij [werkgever] , maar doordat hij nog eerst een overall moest pakken en zich moest omkleden, was hij pas om 8:03 uur in de werkplaats. Omdat omkleden verplicht is, gold deze omkleedtijd als arbeidstijd en was hij wel op tijd voor zijn werkdag aanwezig. [werkgever] heeft betwist dat [werknemer] verplicht was zich bij [werkgever] om te kleden en heeft aangevoerd dat [werknemer] ook een overall mee naar huis kon nemen, zodat hij omgekleed bij [werkgever] kon aankomen. Dat deze mogelijkheid er was, heeft [werknemer] niet betwist. Daarmee is niet vast komen te staan dat het omkleden op de werkvloer een voorschrift van [werkgever] is, zodat omkleedtijd niet te gelden heeft als arbeidstijd. [werknemer] heeft er zelf voor gekozen om zich niet al thuis, maar pas bij [werkgever] om te kleden. In dat geval dient hij er voor te zorgen dat hij om 8:00 uur omgekleed klaar staat. [werkgever] heeft immers voldoende onderbouwd dat zij er belang bij heeft dat om 8:00 uur de werkdag begint omdat zij om 8:00 uur de werkorders verdeelt.

Los daarvan is ook bepaald niet komen vast te staan dat [werknemer] - ondanks de toch duidelijk ernstige waarschuwingen - al eerder diens argument naar voren zou hebben gebracht dat hij recht zou hebben op ‘omkleedtijd’.

Het ontslag op staande voet is rechtsgeldig
4.9.
Door steeds te laat te komen, heeft [werknemer] de bedrijfsvoering van [werkgever] gefrustreerd. [werknemer] heeft met zijn handelen hardnekkig geweigerd te voldoen aan de redelijke bevelen en opdrachten die [werkgever] heeft verstrekt. Dit is dermate ernstig dat het op zichzelf staand een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert. [werkgever] heeft [werknemer] meerdere malen gewaarschuwd dat hij zijn gedrag moest verbeteren omdat dit anders ontslag tot gevolg kon hebben. Daarmee heeft [werkgever] voldoende maatregelen getroffen om [werknemer] te wijzen op zijn gedrag en om dit gedrag te verbeteren. Door dan op 12 december 2025 toch weer te laat startklaar te zijn, is [werknemer] het vertrouwen van [werkgever] onwaardig geworden. Van [werkgever] kan dan niet langer worden verwacht de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De conclusie is dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is verleend.

Niet vastdraaien van wielen
4.10.
Nu het stelselmatig te laat komen een voldragen grond voor het ontslag op staande voet oplevert, behoeft de tweede genoemde reden geen bespreking meer.

Afwijzing van de verzochte vergoedingen
4.11.
De verzochte billijke vergoeding en gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging worden afgewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is.
4.12.
Ook de verzochte transitievergoeding wordt afgewezen. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat sprake is van feiten en omstandigheden die een dringende reden opleveren voor het ontslag op staande voet. Die feiten en omstandigheden brengen in dit geval ook mee dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van het handelen of nalaten van [werknemer] dat als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt. Daarom is [werkgever] geen transitievergoeding aan [werknemer] verschuldigd.

Subsidiaire verzoek
4.13.
De kantonrechter oordeelt dat het niet-toekennen van de transitievergoeding niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zoals [werknemer] subsidiair heeft betoogd. Daarvoor moet bijvoorbeeld gedacht worden aan een relatief kleine misstap na een lang en vlekkeloos dienstverband. Hier is geen sprake van een dergelijke situatie. [werknemer] was pas kort in dienst en in die tijd al vaak aangesproken op te laat komen. Deze houding is ernstig verwijtbaar en de kantonrechter vindt het niet onredelijk dat [werknemer] daardoor zijn transitievergoeding heeft verspeeld.
4.14.
De door [werknemer] aangevoerde onervarenheid en jonge leeftijd zijn eveneens onvoldoende om te stellen dat het onaanvaardbaar is dat [werknemer] de transitievergoeding niet krijgt. Dat [werknemer] geen weloverwogen inschatting heeft kunnen maken over zijn kansen in deze procedure omdat hij de gevraagde stukken van [werkgever] niet heeft gekregen, treft ook geen doel. [werknemer] heeft namelijk niet ontkend dat beide waarschuwingen zijn gegeven. Hij heeft alleen gesteld dat hij het met de tweede schriftelijke waarschuwing niet eens was. In ieder geval was [werknemer] dan bekend met de waarschuwingen die gegeven waren omdat hij te vaak te laat op het werk was. Op grond daarvan had hij een inschatting kunnen maken van zijn kansen in de procedure.

Afwijzing van de subsidiaire nevenverzoeken
4.15.
Nu het subsidiaire hoofdverzoek van [werknemer] wordt afgewezen, zullen de daarmee verband houdende nevenverzoeken (buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente) eveneens worden afgewezen.

Het tegenverzoek van [werkgever]

Bekrachtigen ontslag op staande voet
4.16.
Omdat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is verleend zonder toekenning van een vergoeding, zal de verzochte bekrachtiging daarvan worden toegewezen.

Terugbetalen onverschuldigd loon wordt toegewezen met verrekening
4.17.
[werkgever] verzoekt [werknemer] te veroordelen tot betaling van het loon van € 1.887,20 bruto. Het betreft het loon dat betaald is over de periode 13 tot en met 31 december 2025. [werknemer] heeft erkend dat hij in december 2025 € 692,02 netto meer aan loon heeft ontvangen dan hij volgens zijn loonstrook van december 2025, met einddatum 12 december 2025, had behoren te ontvangen. Daarmee staat vast dat [werknemer] over de maand december 2025 het bedrag van € 692,02 netto te veel aan loon heeft ontvangen.
4.18.
[werknemer] stelt echter dat hij nog 17,8 vakantiedagen open had staan die nog niet door [werkgever] zijn uitbetaald. Deze vakantiedagen vertegenwoordigen volgens [werknemer] een waarde van € 2.883,60 bruto, zijnde € 1.724,39 netto. [werknemer] beroept zich op verrekening van het te veel betaalde loon met de nog uit te betalen vakantiedagen, waardoor [werkgever] nog € 1.032,37 netto (zijnde € 1.724,39 netto vakantiedagen - € 692,02 netto onverschuldigd loon) dient te betalen.
4.19.
De berekening van de nog openstaande vakantiedagen heeft [werknemer] op 15 april 2026 om 13:28 uur aan zowel de gemachtigde van [werkgever] als aan [werkgever] zelf per e- mail gezonden. Op de mondelinge behandeling heeft [werkgever] geen bezwaar gemaakt tegen deze productie. [werkgever] heeft de berekening niet betwist. Zij heeft enkel aangevoerd dat zij niet wist of er nog vakantiedagen moeten worden betaald.
4.20.
[werknemer] heeft de berekening één dag voor de mondelinge behandeling naar [werkgever] gestuurd. Het betreft een berekening van de uitbetaling van vakantiedagen. Met één dag had [werkgever] voldoende tijd om bij haar administratie na te vragen of er aan [werknemer] vakantiedagen waren uitbetaald. [werkgever] heeft dit nagelaten. Nu op de loonstrook van december 2025 alleen de uitbetaling van de vakantietoeslag staat vermeld, is het aannemelijk dat de vakantiedagen nog niet waren uitbetaald. Omdat [werkgever] het aantal openstaande vakantiedagen en de berekening van [werknemer] niet heeft betwist, zal de kantonrechter de verrekening toewijzen. Dit houdt in dat [werkgever] nog € 1.032,37 netto aan [werknemer] moet betalen.

Subsidiaire verzoek
4.21.
Het subsidiaire verzoek is ingediend voor het geval [werknemer] recht zou hebben op een transitievergoeding. Nu geoordeeld is dat [werknemer] daar geen recht op heeft, hoeft de kantonrechter niet te oordelen over de onderdelen van het subsidiaire verzoek.

[werknemer] moet de proceskosten betalen
4.22.
De proceskosten komen voor rekening van [werknemer] , omdat [werknemer] overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [werknemer] . De proceskosten aan de zijde van [werkgever] worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
<nr>5</nr>De beslissing
De kantonrechter

op het verzoek
5.1.
wijst de verzoeken af,

op het tegenverzoek
5.2.
bekrachtigt het ontslag op staande voet zonder toekenning van een vergoeding,
5.3.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen € 1.032,37 netto,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,

op beide verzoeken
5.5.
veroordeelt [werknemer] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werknemer] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend.

Deze beschikking is gegeven door mr. Otto en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026.

Artikel 7:677 lid 1 BW.

Artikel 7:677 lid 1 BW.

Zie hiervoor onder 2.2 en productie A1 bij het verweerschrift.

Zie hiervoor onder 2.3.

Productie B bij het verweerschrift.

Artikel 7:678 lid 2 sub j BW.

Artikel 7:673 lid 7 sub c BW.

Artikel 7:673 lid 8 BW.

Kamerstukken II 2013/14, 33818, nr. 3, p. 110-113.

Aanvullende productie 11.

Aanvullende productie 11.

Productie 3 bij het verzoekschrift.

Artikel delen