Effectenlease. Dexia. Combi tussenpersoonproblematiek en onaanvaardbaar zware financiële last.
Rechtbank Limburg 2 July 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2026:5230
Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
28-05-2026
Datum publicatie
02-07-2026
Zaaknummer
11965195 CV EXPL 25-4899
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
ECLI:NL:RBLIM:2026:5230text/xmlpublic2026-07-02T09:04:192026-05-28Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Limburg2026-06-0311965195 CV EXPL 25-4899UitspraakBodemzaakNLRoermondCiviel recht; VerbintenissenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5230text/htmlpublic2026-07-02T09:03:512026-07-02Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBLIM:2026:5230 Rechtbank Limburg , 03-06-2026 / 11965195 CV EXPL 25-4899 Effectenlease. Dexia. Combi tussenpersoonproblematiek en onaanvaardbaar zware financiële last.
vonnis RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: 11965195 CV 25-4899 vonnis van de kantonrechter van 3 juni 2026 in de zaak van
[lessee] ,
wonende te [plaats] ,
eisende partij in conventie in de hoofdzaak,
verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces, tegen de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak,
eisende partij in reconventie in de hoofdzaak en verzoekende partij in het incident,
gemachtigde: USG Legal Professionals.
Partijen worden hierna [lessee] en Dexia genoemd. 1De procedure1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 5 november 2025; de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met een incidenteel verzoek; de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie; de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie; de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlating producties. 1.2. De bij de laatste conclusie overgelegde producties zijn buiten beschouwing gelaten. Het was daarom niet nodig Dexia hierop nog te laten reageren 1.3. Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen. 2
2. De feiten2.1.
[lessee] heeft de volgende leaseovereenkomsten (verder: de overeenkomsten) ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia: Nr. Contractnr. Datum Naam overeenkomst I.
[contractnummer 1]
03-06-1999 WinstVerDriedubbelaar II.
[contractnummer 2]
01-09-1999 Capital Effect 2.2. Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomsten een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat: Nr. Datum eindafrekening Resultaat Betaald I. 03-06-2002 - € 3.048,03 Ja II. 30-08-2004 - € 13.783,04 Ja 2.3. Volgens opgave van Dexia heeft [lessee] op grond van de overeenkomsten – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 30.254,82 aan maandtermijnen en een bedrag van € 16.831,07 wegens restschuld aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [lessee] € 1.071,66 aan dividenden ontvangen en € 4.076,15 aan fiscaal voordeel genoten. Op 18 januari 2012 heeft Dexia ten aanzien van overeenkomst II. een bedrag van € 12.669,54 aan [lessee] uitgekeerd, volgens Dexia tweederde van de restschuld inclusief reeds verschenen rente. 2.4. Tussen [lessee] en Dexia is daarnaast de volgende overeenkomst gesloten: Nr. Contractnr. Naam overeenkomst III.
[contractnummer 3]
SpaArExtra 2.5. De gemachtigde van [lessee] , Leaseproces, heeft bij brief van 19 maart 2008 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren. 3De vordering en het verweer in de hoofdzaak en het verzoek in het incident3.1.
[lessee] vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [lessee] en/of toerekenbaar is tekort geschoten,
voor recht zal verklaren dat [lessee] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,
Dexia ten aanzien van overeenkomst II zal veroordelen tot voldoening aan [lessee] van al datgene dat [lessee] aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente daarover,
voor recht zal verklaren dat sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last ten aanzien van overeenkomst I en Dexia zal veroordelen tot terugbetaling aan [lessee] van 2/3e deel van de inleg, vermeerderd met de wettelijke rente daarover,
Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [lessee] , met rente,
Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente. 3.2.
[lessee] heeft onder nummer 44 van de conclusie van repliek in conventie/antwoord in reconventie kenbaar gemaakt zijn vordering te wijzigen, in die zin dat hij tevens 2/3e deel van de restschuld vordert, vermeerderd met de wettelijke rente. Hoewel [lessee] deze wijziging niet herhaalt in het petitum van de conclusie, begrijpt de kantonrechter een en ander zo, dat [lessee] heeft bedoeld te vorderen 2/3e deel van al hetgeen [lessee] in het kader van de overeenkomst met nummer [contractnummer 1] heeft betaald. Dit mede, nu [lessee] aan zijn vordering ten grondslag legt de aanwezigheid van een onaanvaardbaar zware financiële last en hij in het lichaam van de conclusie uitdrukkelijk melding maakt van de wijziging. 3.3. Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering, waarbij Dexia vordert, dan wel verzoekt (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- in het incident:
[lessee] zal veroordelen om aan Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier, althans van andere schriftelijke documenten waar de door Leaseproces namens [lessee] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend,
- in de hoofdzaak: voor recht zal verklaren dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [lessee] gesloten overeenkomsten met nummers [contractnummer 1] , [contractnummer 2] en [contractnummer 3] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [lessee] verschuldigd is,
[lessee] zal veroordelen in de proceskosten. 3.4. Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan. 4. De beoordeling van de vorderingen in de hoofdzaak en het verzoek in het incident algemeen
4.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen decennia zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [lessee] . 4.2. De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend.Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen. 4.3. Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies: er is sprake van huurkoop; er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck; Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
[lessee] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld; er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.
Ten aanzien van de overeenkomst met nummer [contractnummer 1] 4.4. Hierna zal achtereenvolgend worden ingegaan op:
* de vaststelling van de schade wegens termijnen en de schade wegens restschuld;
* het op de schade in mindering brengen van het genoten voordeel;
* de eigen schuld (art. 6:101 BW);
* een wel of niet onaanvaardbaar zware financiële last;
* de consequenties van het voorgaande voor de verdeling van de (resterende) schade;
* wat elke partij gelet op het voorgaande nog aan de andere partij verschuldigd is;
* wettelijke rente. 4.5. Waar hierna sprake is van ‘leasetermijnen’ ‘restschuld’, ‘dividenden en claims’, ‘waarde effecten’, ‘restant hoofdsom beëindiging’, ‘uitkering’ en ‘fiscaal voordeel’ wordt gedoeld op de bedragen die bij de (betreffende) overeenkomst worden vermeld op het (meest recent) door Dexia overgelegde financiële overzicht (de laatste twee genoemde onder het kopje ‘Overige voordelen’). Nu [lessee] de juistheid van de daarop vermelde gegevens niet (voldoende gemotiveerd) heeft betwist wordt daarvan uitgegaan. De vaststelling van de schade wegens termijnen en de schade wegens restschuld 4.6. De schade die als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia is ontstaan, bestaat uit de schade wegens de door [lessee] verschuldigde termijnen, dat wil zeggen zowel de betaalde termijnen als de bij de eindafrekening nog achterstallige termijnen, en uit een (eventuele) restschuld. 4.7.
[lessee] heeft aan de hand van het door Dexia overgelegde financiële overzicht in de conclusie van repliek in conventie/antwoord in reconventie de schade berekend op € 11.011,23. Dexia heeft de juistheid van deze berekening betwist, nu [lessee] hierin tevens de betaalde restschuld heeft meegenomen, terwijl hij, volgens Dexia, geen vordering terzake van de restschuld heeft ingesteld. 4.8. Zoals reeds uit nummer 3.2. blijkt, volgt de kantonrechter Dexia hierin niet. [lessee] heeft onder nummer 44 van de conclusie van repliek in conventie/antwoord in reconventie kenbaar gemaakt zijn vordering te wijzigen, in die zin dat hij tevens 2/3e deel van de restschuld vordert. Dat hij deze wijziging vervolgens niet herhaalt in het petitum van de conclusie maakt niet dat [lessee] dan van deze wijziging heeft afgezien. Het is voor deze partijen en de kantonrechter genoegzaam duidelijk wat [lessee] heeft bedoeld te vorderen. De kantonrechter zal daarom uitgaan van de juistheid van het door [lessee] becijferde, en door Dexia voor het overige niet betwiste, bedrag. Het op de schade in mindering brengen van het genoten voordeel 4.9. Op de door [lessee] geleden schade dient eerst in mindering te worden gebracht het voordeel als bedoeld in artikel 6:100 BW. Dit bestaat uit de in verband met de betreffende overeenkomst ontvangen inkomsten uit ‘Dividenden en claims’ en het genoten fiscaal voordeel. 4.10.
[lessee] heeft er bij conclusie van repliek in conventie/antwoord in reconventie op gewezen dat Dexia bij de berekening van het fiscaal voordeel, onterecht de aftrekbeperking voor gehuwden heeft gehanteerd. Bij conclusie van dupliek in conventie/repliek in reconventie heeft Dexia zich gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter. 4.11.
[lessee] heeft bij dagvaarding een biljet van proces overgelegd. Hieruit volgt dat [lessee] niet gehuwd was. Dexia heeft dan ook onterecht de aftrekbeperking voor gehuwden gehanteerd. Nu de door [lessee] gemaakte berekening van het fiscaal voordeel door Dexia verder niet is betwist, zal worden uitgegaan van een door [lessee] genoten fiscaal voordeel van € 660,73. 4.12. Een eventueel reeds door Dexia betaalde (gedeeltelijke) schadevergoeding behoort niet tot de hier bedoelde voordelen. 4.13. Indien daarvan sprake is behoort tot het op de schade in mindering te brengen voordeel eveneens het batig saldo uit andere effectenleaseovereenkomsten tenzij deze meer dan een jaar vóór het aangaan van de overeenkomst waarbij de schade zich voordoet zijn beëindigd. Onder batig saldo wordt verstaan hetgeen aan opbrengst resteert nadat alle betalingen door de afnemer in mindering zijn gebracht. 4.14. Voor zover sprake is van voordeel als hiervoor bedoeld, dient dit eerst in mindering te worden gebracht op de schade die [lessee] heeft geleden wegens verschuldigde termijnen. Resteert dan nog een niet verrekend deel van het voordeel en is er sprake van meerdere verlieslatende overeenkomsten, dan dient vervolgens verrekening plaats te vinden met de schade wegens termijnen uit de volgende verlieslatende overeenkomst(en), en daarna met de restschuld, tot alle voordeel is verrekend. De eigen schuld (art. 6:101 BW), wel of niet een onaanvaardbare financiële last 4.15. Op grond van artikel 6:101 BW dient [lessee] een deel van de na verrekening van eventuele voordelen als hiervoor bedoeld resterende schade, (hierna: de resterende schade) wegens eigen schuld zelf te dragen. Daarbij dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de resterende schade bestaande uit de verschuldigde termijnen en de resterende schade bestaande uit een (eventuele) restschuld. 4.16. Onderzocht moet worden of nakoming door Dexia van haar onderzoeksplicht zou hebben uitgewezen dat Dexia het aangaan van deze overeenkomst had behoren te ontraden, omdat daardoor naar redelijke verwachting een onaanvaardbaar zware financiële last op [lessee] werd gelegd. Indien het aangaan van de overeenkomst voor [lessee] een onaanvaardbaar zware financiële last met zich bracht, dient [lessee] een derde deel van de resterende schade uit zowel verschuldigde termijnen (de inleg) als de restschuld zelf te dragen. 4.17. Indien geen sprake was van een dergelijke last dient [lessee] de resterende schade wegens verschuldigde termijnen geheel zelf te dragen en van de schade wegens restschuld een derde deel. Of sprake is van een zodanig onaanvaardbaar zware financiële last wordt beoordeeld door toepassing van de zogenoemde Hof-formule als weergegeven in het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981). [lessee] dient de gegevens die nodig zijn voor deze beoordeling te verstrekken en met stukken te onderbouwen. 4.18. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last moeten alle bekende omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de financiële ruimte van een belegger in aanmerking worden genomen. De hiervoor gehanteerde vuistregel, de Hof-formule luidt: X - W - A- B- C < Y + 0,1 xY + 0,15 x (X-Y). De factor X staat voor het besteedbare netto-maandinkomen van [lessee] . De factor Y betreft de NIBUD-basisnorm voor het betrokken type huishouden. De factor W staat voor de maandelijkse huur-of hypotheeklasten voor de eigen dan wel gehuurde woning voor zover deze het daarvoor door het NIBUD gehanteerde basisbedrag overtreffen. De factor A staat voor de verplichtingen die voortvloeien uit de leaseovereenkomst, factor B staat voor eventuele financiële verplichtingen uit andere, eerder aangegane leaseovereenkomsten. De
factor C staat voor eventuele (daadwerkelijk bestaande) rente- en aflossingsverplichtingen uit andersoortige eerdere kredietovereenkomsten. Indien sprake is van vermogen van méér dan € 5.000 (bij alleenstaanden) of € 10.000 (bij een meerpersoonshuishouden) waaruit de verplichtingen uit de overeenkomst hadden kunnen worden voldaan, dan dient dit meerdere te worden gedeeld door het aantal maanden waarvoor de overeenkomst is aangegaan, waarbij de uitkomst (‘factor V’) dient te worden opgeteld bij de bestedingsruimte. 4.19. Tussen partijen is (onder meer) in geschil of het aangaan van de overeenkomst voor [lessee] een onaanvaardbaar zware financiële met zich bracht. Tussen partijen is in het bijzonder in geschil de gezinssituatie en het vermogen. 4.20. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [lessee] niet alle voor de hier bedoelde beoordeling noodzakelijke (schriftelijke onderbouwing van de) financiële en andere persoonlijke gegevens overgelegd. Op het moment van het afsluiten van de overeenkomst woonde [lessee] nog in de ouderlijke woning. Vader was recent overleden en moeder al enige tijd geleden. Snel genoeg na het afsluiten van de overeenkomst is [lessee] verhuisd. Uit de door [lessee] overgelegde bescheiden kan niet worden vastgesteld of [lessee] alleenstaand was en/of mogelijk binnen afzienbare tijd ging samenwonen. Dan is er nog de (toch forse) vooruitbetaling in het Capital Effect in september 1999. [lessee] stelt geen vermogen van meer dan € 5.000,00 te hebben. Dit rijmt niet met de vooruitbetaling voor het Capital Effect. Niet ondenkbaar is dan ook dat [lessee] heeft voorgesorteerd op de uitkering van een eventuele erfenis en daarmee voldoende draagkrachtig was en/of spoedig zou worden. 4.21. Gelet op het voorgaande heeft [lessee] niet (voldoende) onderbouwd dat bij het aangaan van de overeenkomst (met nummer [contractnummer 1] ) sprake was van het ontstaan van een onaanvaardbaar zware financiële last, zodat de daaruit volgende schade wegens termijnen geheel voor zijn rekening blijft. 4.22. Met betrekking tot de overeenkomst (met nummer [contractnummer 1] ) volgt uit het voorgaande dat niet sprake was van een onaanvaardbaar zware financiële last als gevolg van het aangaan daarvan. De consequenties voor de verdeling van de (resterende) schade. 4.23. Uit het voorgaande volgt dat de resterende schade wegens verschuldigde termijnen geheel voor rekening van [lessee] blijft, evenals 1/3 deel van de resterende schade wegens restschuld. Wat elke partij nog aan de andere partij verschuldigd is 4.24. Nu de overeenkomst niet rechtsgeldig is vernietigd of ontbonden zal [lessee] aan de daaruit voortkomende betalingsverplichtingen dienen te voldoen. Anderzijds zal Dexia de resterende schade dienen te vergoeden die volgens het bovenstaande voor haar rekening komt. 4.25. Op grond van het voorgaande en de door Dexia (meest recent) overgelegde financiële gegevens van de onderhavige overeenkomst zullen partijen in staat zijn te berekenen:
a. wat de schade is aan verschuldigde termijnen en restschuld;
b. wat de in mindering te brengen voordelen zijn (inclusief eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten) en wat na aftrek daarvan aan schade resteert;
c. of en zo ja tot welk bedrag [lessee] een resterende schade wegens termijnen en wegens restschuld dient te dragen;
d. wat [lessee] op grond van nakoming van betalingsverplichtingen uit de overeenkomst in totaal aan Dexia verschuldigd is. 4.26.
[lessee] heeft in verband met de onderhavige overeenkomst jegens Dexia aanspraak op schadevergoeding indien en voor zover [lessee] ter zake van een bepaalde overeenkomst méér aan Dexia heeft betaald dan het onder d. bedoelde bedrag verminderd met het totaal van de onder c. bedoelde bedragen en verminderd met een (eventueel) reeds door Dexia betaalde schadevergoeding (exclusief wettelijke rente). wettelijke rente 4.27. Een aanspraak op wettelijke rente over nadeel, dat bij de voordeelstoerekening wordt verrekend met de voordelen, moet worden geacht niet te zijn ontstaan, aangezien die de schadeberekening te zeer zou compliceren. Slechts over het nadeel dat na voordeelstoerekening resteert, kan overeenkomstig de uitspraak van de Hoge Raad van 1 mei 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1198) wettelijke rente worden toegewezen (Hoge Raad 3 februari 2017 ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3). De wettelijke rente wordt, als onvoldoende bestreden, toegewezen over het bedrag aan schadevergoeding voor zover deze nog door Dexia verschuldigd is. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). overeenkomst [contractnummer 2] 4.28.
[lessee] heeft de overeenkomst met nummer [contractnummer 2] met Dexia afgesloten via de tussenpersoon [financieel adviseur] (verder ook: de tussenpersoon). Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd. 4.29. De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [lessee] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [lessee] , anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [lessee] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [lessee] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [lessee] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomst en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard. 4.30.
[lessee] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:
“ [lessee] werd door [financieel adviseur] telefonisch benaderd. De medewerker van [financieel adviseur] wilde eigenlijk in contact komen met de vader van [lessee] , maar zijn vader was destijds recentelijk overleden. De medewerker gaf toen aan dat het wellicht voor [lessee] ook interessant zou kunnen zijn om zijn financiële situatie door te nemen met een financieel adviseur van [financieel adviseur] en stelde voor om een afspraak te maken voor een huisbezoek. [lessee] heeft hiermee ingestemd.
Tijdens het gesprek heeft de adviseurs van [financieel adviseur] geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van [lessee] . Zo is met de adviseur gesproken over de erfenis die [lessee] had ontvangen na het overlijden van zijn vader. Daarnaast is met de adviseur gesproken over de wens van [lessee] om zijn pensioen aan te vullen. [lessee] werkte namelijk voor minimumloon en hij was band dat zijn pensioen in de toekomst niet toereikend zou zijn. D adviseur gaf aan dat het mogelijk was om dit doel te bereiken en dat hij hier een geschikt product voor wist.
De adviseur adviseerde [lessee] om een Capital Effect product van Bank Labouchere af te sluiten met een maandelijkse inleg van ongeveer NLG 1.000,-. [lessee] diende hiervoor maandelijks de erfenis aan te wenden. Volgens de adviseur zou [lessee] op deze wijze aanzienlijk vermogen opbouwen, waardoor [lessee] zijn pensioen zou kunnen aanvullen. De adviseur gaf ook aan dat het ging om aandelen van grote Nederlandse bedrijven waardoor het Capital Effect product een erg veilig en betrouwbaar product zou zijn.
De adviseur heeft [lessee] niet geïnformeerd over de specifieke risico’s. Zo heeft hij er niet op gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst. Als [lessee] op deze risico’s gewezen was, had hij het Capital Effect product nooit afgesloten.
[lessee] had geen ervaring met beleggen of kennis van complex financiële producten en vertrouwede daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Om deze reden heeft [lessee] het advies van de adviseur opgevolgd en een Capital Effect product van Bank Labouchere afgesloten met een maandelijkse inleg van NLG 1.002,54. De aanvraag voor het Capital Effect product is door de adviseur in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomst is op een later moment ondertekend.” 4.31.
[lessee] heeft, ter onderbouwing van zijn stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:- een kopie van de overeenkomst van 1 september 1999 met contractnummer [contractnummer 2] , voorzien van de tekst: “Adviseur [adviseursnummer] -[financieel adviseur]”, - een kopie van een uittreksel van de KvK van de tussenpersoon met als beschrijving van de werkzaamheden ‘bemiddeling en advisering m.b.t. financiële dienstverlening’. aanhoudingsverzoek 4.32. Dexia heeft grote bezwaren tegen de – door haar zo genoemde – ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven ’s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen. 4.33. Het verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt. Er is bovendien geen concrete indicatie dat de Hoge Raad de betreffende arresten mogelijk gaat vernietigen.
(nieuwe) argumenten Dexia 4.34. Dexia heeft tegen de bewuste redenering (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer: dat ten onrechte de gemachtigde van de afnemer op zijn woord wordt geloofd; dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon; dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vastleggingsplicht rust, en dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs. 4.35. Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals [lessee] onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de adviseur van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in zijn geval heeft [lessee] , tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [lessee] geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomst dan wel tot stand was gekomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van [lessee] dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Dat de gemachtigde van [lessee] in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent niet zonder meer dat zij in alle zaken een onbetrouwbare weergave van de feiten geeft. Van Dexia mag worden verwacht dat zij toelicht waarom daarvan in dit specifieke geval sprake is. Als de door de afnemer beschreven wijze van advisering niet klopt, kan Dexia dit immers weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar is gegaan. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [lessee] en de adviseur van de tussenpersoon, komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals [lessee] en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vastleggingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt. wetenschap Dexia
4.36. In dit geval is niet gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersoon aan [lessee] . Zij had die wetenschap echter wel behoren te hebben. Ten eerste had zij, nu zij gebruik maakte van tussenpersonen, moeten weten wat hun gebruikelijke werkwijze was. Daarnaast lag het op de weg van Dexia om voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst met een klant actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomst zou aangaan op advies van de tussenpersoon. Aan de hand van de in dat verband ontvangen informatie had Dexia kunnen en moeten beoordelen of zij de overeenkomst met [lessee] kon en mocht sluiten. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht, is gesteld noch gebleken. Dat moet, gelet op het voorgaande, voor haar rekening en risico blijven. De betwisting door Dexia van de stelling dat zij kon weten dat sprake was van vergunningplichtige advisering is dan ook onvoldoende onderbouwd. Daardoor komt de geobjectiveerde wetenschap ook in dit concrete geval vast te staan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Voor zover Dexia, zoals zij stelt, destijds niet wist dat de advisering vergunningplichtig was, leidt dat niet tot een andere uitkomst. Zo’n rechtsdwaling blijft in verhouding tot [lessee] voor rekening van Dexia. aansprakelijkheid Dexia
4.37. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [lessee] de overeenkomst met nummer [contractnummer 2] is aangegaan, heeft zij jegens [lessee] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [lessee] omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.
vorderingen van [lessee]
4.38. De door [lessee] gevorderde verklaringen voor recht zullen daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [lessee] heeft gehandeld door [lessee] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [lessee] niet alleen als klant aanbracht maar [lessee] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat. 4.39. De als gevolg hiervan door [lessee] geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door [lessee] , behoudens het daarin berekende fiscaal voordeel, niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3).
Zoals hiervoor reeds onder rov. 4.11. is overwogen heeft Dexia in haar overzicht bij de berekening van het fiscaal voordeel onterecht de aftrekbeperking voor gehuwden gehanteerd. Het fiscaal voordeel als door [lessee] bij conclusie van repliek in conventie/antwoord in reconventie gehanteerd (en verder door Dexia niet betwist) heeft als uitgangspunt te gelden.
[lessee] heeft mede aan de hand van het door Dexia overgelegde financiële overzicht in de conclusie van repliek in conventie/antwoord in reconventie de schade berekend op € 24.112,87. Omdat Dexia de berekening niet heeft betwist, zal de kantonrechter uitgaan van dit bedrag. 4.40. Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [lessee] aangevoerde gronden geen nadere bespreking. buitengerechtelijke kosten 4.41. Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590. het incidentele verzoek van Dexia 4.42. Dexia verzoekt dat [lessee] wordt veroordeeld het intakeformulier, dan wel een ander schriftelijk document van haar gemachtigde aan Dexia te verstrekken waaraan de door de gemachtigde ingenomen stellingen zijn ontleend. 4.43. Dexia wil kennelijk weten welke gegevens [lessee] destijds aan Leaseproces heeft verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces terecht zijn gekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier of anderszins dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een hoge uitzondering die maakt dat in dít geval van de beroepsbeoefenaar kan worden verlangd zich niet op zijn verschoningsrecht te beroepen. Al met al oordeelt de kantonrechter dat het incidentele verzoek van Dexia moet worden afgewezen. 4.44. De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [lessee] worden begroot op € 87,00. vorderingen Dexia 4.45. Gelet op de beoordeling in conventie worden de vorderingen van Dexia ten aanzien van de overeenkomsten met nummer [contractnummer 1] en [contractnummer 2] afgewezen. Tegen de vordering ten aanzien van de overeenkomst met nummer [contractnummer 3] is verder geen steekhoudend verweer gevoerd. Deze vordering ligt daarom voor toewijzing gereed.
proceskosten 4.46. Omdat [lessee] inhoudelijk grotendeels gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [lessee] gevallen. Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil. De proceskosten van [lessee] worden begroot op:
- dagvaarding € 144,47
- griffierecht € 90,00
- salaris gemachtigde € 576,00 (2 x tarief € 288,00)
- nakosten € 144,00
Totaal € 954,47. 4.47. De gevorderde rente over de proceskosten zal als na te melden worden toegewezen. 5De beslissing De kantonrechter in het incident van Dexia 5.1. wijst het verzoek af, 5.2. veroordeelt Dexia in proceskosten van [lessee] , tot op heden begroot op € 87,00, in conventie
ten aanzien van overeenkomst [contractnummer 1] 5.3. verklaart voor recht dat Dexia met betrekking tot de overeenkomst met nummer [contractnummer 1] onrechtmatig heeft gehandeld; 5.4. verklaart voor recht dat [lessee] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden, 5.5. veroordeelt Dexia om aan [lessee] te betalen ter zake de overeenkomst met nummer [contractnummer 1] het bedrag dat Dexia volgens r.o. 4.26. nog verschuldigd is aan [lessee] , te vermeerderen met de wettelijke rente daarover te berekenen vanaf het moment dat alle voordeel is verrekend en met toepassing van de uitgangspunten als geformuleerd in r.o. 4.27.) tot de dag van algehele voldoening; ten aanzien van overeenkomst [contractnummer 2] 5.6. verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [lessee] heeft gehandeld door [lessee] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [lessee] niet alleen als klant aanbracht maar [lessee] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat, 5.7. verklaart voor recht dat [lessee] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden, 5.8. veroordeelt Dexia om aan [lessee] te betalen de schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover een en ander zoals weergegeven in r.o. 4.39., ten aanzien van beide overeenkomsten 5.9. veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 954,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen, 5.10. veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan, 5.11. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad, 5.12. wijst het meer of anders gevorderde af, in reconventie 5.13. verklaart voor recht dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [lessee] gesloten overeenkomst met nummer [contractnummer 3] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [lessee] verschuldigd is, 5.14. veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [lessee] gevallen, tot op heden begroot op nihil, 5.15. wijst het meer of anders gevorderde af, Aldus gewezen door mr. Piëtte, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier. typ:
coll: In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135). Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI :NL:HR:2022:862. Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof ’s Hertogenbosch 10 december 2024 ECLI:NL:GHSCHE:2024:3936, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:684, ECLI:NL:GHARL:2025:686, ECLI:NL:GHARL:2025:687, ECLI:NL:GHARL:2025:688 en ECLI:NL:GHARL:2025:689, gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:379. Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882. Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.