Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBLIM:2026:5261

Gunning perceel. De gemeente heeft niet in strijd gehandeld met het gelijkheids-, motiverings- en/of vertrouwensbeginsel, zodat de vorderingen worden afgewezen.

Rechtbank Limburg 2 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBLIM:2026:5261 text/xml public 2026-07-02T08:58:49 2026-05-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:5262 Rechtbank Limburg 2026-05-12 C/03/351903 / KG ZA 26-158 Uitspraak Kort geding NL Roermond Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:5261 text/html public 2026-06-29T14:12:33 2026-07-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:5261 Rechtbank Limburg , 12-05-2026 / C/03/351903 / KG ZA 26-158
Gunning perceel. De gemeente heeft niet in strijd gehandeld met het gelijkheids-, motiverings- en/of vertrouwensbeginsel, zodat de vorderingen worden afgewezen.
RECHTBANK Limburg
Civiel recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: C/03/351903 / KG ZA 26-158

Vonnis in kort geding van 12 mei 2026

in de zaak van

[eisende partij] ,

te [plaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eisende partij] ,

advocaat: mr. Th.J.H.M. Linssen,

tegen

GEMEENTE BERGEN,

te Bergen,

gedaagde partij,

hierna te noemen: de gemeente,

advocaten: mr. J.W.M. Hagelaars en mr. Drs. F.J.J. Cornelissen.
<nr>1</nr>De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding;

de conclusie van antwoord;

de mondelinge behandeling van 8 mei 2026;

de pleitnota van [eisende partij] ;
1.2.
Verwijzing naar bijlagen vindt plaats door vermelding van het nummer van het processtuk gevolgd door het nummer van de bijlage.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
<nr>2</nr>De feiten 2.1.
[eisende partij] exploiteert een landbouwonderneming in [plaats] .
2.2.
De Minister van Klimaat en Groene Groei heeft vanaf 22 april 2026 een subsidieregeling opengezet voor nieuwe samenwerkingsverbanden waarin agrariërs met elkaar, of met andere organisaties, samenwerken aan extensivering van landbouw. Aanvankelijk had de gemeente een perceel van 110 hectare beschikbaar gesteld voor extensivering. De gemeente heeft op 20 maart 2026 een openbare selectieprocedure georganiseerd voor toekenning van de ‘natuurinclusieve pachtovereenkomst‘ voor dat perceel. Als voorwaarde geldt de deelname aan de subsidieregeling. Daarop heeft alleen de Coöperatie Boer en Land Maasduinen (hierna: de coöperatie) gereageerd.
2.3.
Op 31 maart 2026 heeft de gemeente drie blokken landbouwkavels in [plaats] aangeboden voor geliberaliseerde pacht (bijlage 1,1). [eisende partij] heeft zich voor alle drie de blokken ingeschreven (bijlage 1,2).
2.4.
Op 20 april 2026 heeft de gemeente [eisende partij] per e-mail laten weten dat blokken 1 en 2 aan derden zijn gegund en blok 3 aan niemand wordt gegund (bijlage 1,3).
2.5.
op 21 april 2026 heeft de gemeente op haar website gepubliceerd dat zij blok 3, ter grootte van 65 hectare, heeft toegevoegd aan het blok van 110 hectare en dat is besloten om het nieuwe samengestelde blok van 175 hectare voor 6 jaar geliberaliseerd te verpachten aan de partij die zich eerder had ingeschreven voor de pacht van het blok van 110 hectare (bijlage 1,4). Dit betreft dus de coöperatie. Verder schrijft de gemeente in voornoemd bericht het volgende: ‘Omdat er slechts één gegadigde was, en de gemeente niet verwacht dat er meer gegadigden zouden zijn geweest indien direct 175 hectare was aangeboden, wordt geen nieuwe procedure gevolgd, maar gunt de gemeente rechtstreeks aan de winnende inschrijver in de tender. (…) Een partij die het met deze gunning niet eens is, dient binnen 10 kalenderdagen na publicatie van dit voornemen een kort-geding jegens de gemeente te starten.’
<nr>3</nr>Het geschil 3.1.
[eisende partij] vordert samengevat:

de gemeente te verbieden om de percelen die deel uitmaken van blok 3 aan de coöperatie dan wel een andere partij te verpachten, op straffe van een dwangsom van € 500.000,00;

de gemeente te veroordelen om:

o primair: de percelen die deel uitmaken van blok 3 binnen 7 dagen na betekening van het vonnis aan [eisende partij] te verpachten onder de voorwaarden zoals verwoord in de op 31 maart 2026 gepubliceerde selectieprocedure, op straffe van een dwangsom van € 500.000,00;

o subsidiair: binnen zeven dagen na betekening van het vonnis een nieuwe openbare, objectieve, toetsbare en redelijke inschrijvingsprocedure te starten, die voldoet aan de Didam-rechtspraak, opdat [eisende partij] en andere gegadigden alsnog in aanmerking kunnen komen voor een geliberaliseerde pacht voor de duur van één pachtseizoen van de percelen die deel uitmaken van blok 3, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500.000;

- de gemeente te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
[eisende partij] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de gemeente in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld door blok 3 aan de coöperatie in plaats van aan [eisende partij] te gunnen. Bij het aanbieden van de blokken is vermeld dat aan de inschrijver met de kortste afstand van zijn bedrijfsperceel tot aan het betreffende blok, de pacht gegund wordt. In strijd met deze regel heeft de gemeente blok 3 toegekend aan de coöperatie die zich voor blok 3 niet heeft ingeschreven en waarvan het bedrijfsperceel verder weg gevestigd is dan het bedrijfsperceel van [eisende partij] . Ook heeft de gemeente het gelijkheids- en motiveringsbeginsel geschonden nu zij [eisende partij] de mogelijkheid heeft ontnomen om – in strijd met het Didam-arrest van de Hoge Raad van 26 november 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1778) – mee te dingen naar blok 3 en deze keuze niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 10 januari 2023 (ECLI:NL:HR:2024:1661) moet de gemeente dan ook worden verboden om blok 3 aan de coöperatie of een derde partij te verpachten.
3.3.
De gemeente voert verweer. Zij voert aan dat in de voorwaarden van de gunning was opgenomen dat de gemeente bevoegd was om zonder opgaaf van redenen haar aanbod tot gunning in te trekken. Bovendien betwist de gemeente dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden en zij haar besluit om het blok aan de coöperatie in plaats van aan [eisende partij] te gunnen, nader moest motiveren. Verder stelt de gemeente dat [eisende partij] niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen, omdat het niet [eisende partij] , maar zijn B.V. was die zich oorspronkelijk had ingeschreven voor de gunningsprocedure van blok 3.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
<nr>4</nr>De beoordeling
Spoedeisend belang
4.1.
De vorderingen van [eisende partij] kunnen alleen worden toegewezen als hij daarbij een spoedeisend belang heeft. Ook de gemeente stelt dat zij belang heeft op een snelle beslissing. Die spoedeisendheid is gelegen in het feit dat de subsidieaanvraag uiterlijk 15 mei moet worden ingediend met een ondertekend pachtcontract. [eisende partij] moet uiterlijk 18 mei opgeven welke gronden hij het komende jaar in gebruik heeft. Daarmee staat de spoedeisendheid aan beide zijden vast.

Niet-ontvankelijkheidsverweer
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat [eisende partij] in persoon ontvankelijk is, omdat uit de correspondentie die in de procedure is ingebracht niet duidelijk blijkt dat [eisende partij] uitsluitend namens zijn B.V. optrad.

Verdere beoordeling
4.3.
De beslissing van de gemeente om blok 3 in die gunningsprocedure niet te vergunnen, impliceert dat zij de gunningsprocedure ten aanzien van blok 3 beëindigt, hetgeen als een intrekking kan worden aangemerkt.
4.4.
De gemeente was op grond van de gunningsvoorwaarden zoals vermeld in haar bericht van 31 maart 2026 bevoegd om zonder opgaaf van redenen het blok niet te gunnen. Met deze gunningsvoorwaarden heeft [eisende partij] ingestemd. Daarmee was de gemeente bevoegd het perceel terug te trekken en er iets anders mee te doen. De gemeente besloot om Blok 3 toe te voegen aan de eerdere 110 hectare die al aan de coöperatie vergund was en die onvoldoende bleek om voor subsidie in aanmerking te komen. Het stond de gemeente vrij om deze wijziging van beleid door te voeren. [eisende partij] mocht er niet op vertrouwen dat het feit dat hij aan de criteria voor gunning voldeed, automatisch tot gunning aan hem zou leiden. Dat zat besloten in de voorwaarde dat de gemeente mocht besluiten om niet te gunnen. De gemeente heeft ook niets gedaan wat bij [eisende partij] desondanks dat vertrouwen kon opwekken.
4.5.
Dat [eisende partij] de motieven van de gemeente niet vertrouwt en daarachter politieke motieven ziet om andere landbouwers te begunstigen, is niet gebleken. Ook de argumenten dat de voorwaarden voor extensieve landbouw alleen maar dienden om subsidie binnen te harken, kunnen niet op waarde worden beoordeeld. Wat de rechtbank wel ziet is dat de gemeente op 9 februari 2026 uitdrukkelijk beleid heeft vastgesteld op extensieve landbouw door dat in een beleidsnota vast te leggen (bijlage 2,1) en daarop actief te acteren. De rechtbank heeft geen redenen om te twijfelen aan de op zich begrijpelijke en verdedigbare motieven van de gemeente om de gunning van blok 3 in te trekken en het vervolgens toe te voegen aan de 110 ha die al aan de coöperatie gegund waren. Omdat het twee duidelijk verschillende procedures waren met verschillende doelstellingen en belanghebbenden, is geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel.
4.6.
Ten slotte het motiveringsbeginsel. Op grond van de gunningsprocedure was de gemeente niet verplicht om haar besluit om niet te gunnen, uitdrukkelijk te motiveren. Gelet op het feit dat de dag erna al die motivatie blijkt uit de aanwending waarvoor de gemeente gekozen heeft en de gevoeligheden die binnen de agrarische gemeenschap in [plaats] over reguliere en extensieve landbouw leven, zou het wellicht raadzaam zijn geweest om die beslissing desondanks beter te motiveren zodat belanghebbenden erna niet via de website moesten vernemen waarom de gemeente niet had vergund.

Proceskosten
4.7.
[eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de gemeente worden begroot op:

- griffierecht



735,00

- salaris advocaat



760,00

- nakosten



189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal



1.684,00
<nr>5</nr>De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eisende partij] af,
5.2.
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 1.684,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Dethmers en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.

Artikel delen