Tekortschieten. Verzuim. Ontbinding van overeenkomst was gerechtvaardigd. Ongedaanmakingsverplichting: aanbetaling terugbetalen.
Rechtbank Limburg 6 July 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2026:6145
Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
25-06-2026
Datum publicatie
06-07-2026
Zaaknummer
12061346 AZ VERZ 26-5
Rechtsgebied
Civiel recht; Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBLIM:2026:6145text/xmlpublic2026-07-06T14:56:132026-06-25Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Limburg2026-04-1612061346 AZ VERZ 26-5UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLMaastrichtCiviel recht; ArbeidsrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6145text/htmlpublic2026-07-06T14:55:292026-07-06Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBLIM:2026:6145 Rechtbank Limburg , 16-04-2026 / 12061346 AZ VERZ 26-5 Tekortschieten. Verzuim. Ontbinding van overeenkomst was gerechtvaardigd. Ongedaanmakingsverplichting: aanbetaling terugbetalen.
RECHTBANK LIMBURG Civiel recht
Kantonrechter Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer / rekestnummer: 12061346 AZ VERZ 26-5 Beschikking van 16 april 2026 in de zaak van
[verzoekster]
,
te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
gemachtigde: mr. A.A.M. Hoogveld, tegen 1 [verweerder 1] V.O.F., te [plaats 2] ,
2. [verweerder 2], vennoot van [verweerder 1] ,
3. [verweerder 3], vennoot van [verweerder 1] , verwerende partijen,
hierna samen te noemen: [verweerders] ,
gemachtigde: mr. M.A. Krak. 1De procedure1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met bijlagen 1 tot en met 51
- het verweerschrift met bijlagen 1 tot en met 4
- het gewijzigd verzoek ex artikel 283 Rv juncto artikel 130 Rv
- de aanvullende bijlagen 52a tot en met 57d van [verzoekster] van 12 maart 2026
- de aanvullende bijlagen 58 tot en met 60 van [verzoekster] van 17 maart 2026
- de spreekaantekeningen van mr. Hoogveld
- de spreekaantekeningen van mr. Krak
- de mondelinge behandeling van 19 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter de aanvullende stukken toegelaten, behoudens het als bijlage 59 overgelegde e-mailbericht van de Arbeidsinspectie. 1.3. De beschikking is bepaald op vandaag. 2De feiten2.1.
[verzoekster] , geboren [datum] 1998, is in 2023 uit Oekraïne gevlucht en verblijft in een opvanglocatie voor Oekraïense vluchtelingen in [plaats 2] . 2.2.
[verweerder 1] richt zich op het wassen, stomen en strijken van bedrijfskleding en bed- en tafellinnen voor hotels, horeca en verzorgingstehuizen. [verweerder 1] is een familiebedrijf dat door de heer [verweerder 2] , mevrouw [verweerder 3] en hun [zoon] en [dochter] wordt gerund. 2.3.
[verzoekster] is met ingang 20 november 2024 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (voor de duur van één jaar tot 20 november 2025) in dienst getreden bij [verweerder 1] , in de functie van vouwmedewerker met een loon van € 2.184,00 bruto per maand. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Textielverzorging van toepassing. 2.4. Tussen [verzoekster] en [zoon] heeft onder meer de navolgende WhatsAppcommunicatie plaatsgevonden op 16 april 2025, 2 mei 2025, en 12 juni 2025 (de berichten met de 2 vinkjes achter het tijdstip zijn afkomstig van [verzoekster] , de andere berichten van [zoon] ): 2.4.1. 16 april 2025: 2.4.2. 2 mei 2025: 2.4.3. 12 juni 2025: 2.5. Op 13 juni 2025 heeft [verzoekster] zich ziekgemeld. 2.6. Later die dag heeft [verweerders] per e-mail aan [verzoekster] bericht dat zij om haar moverende redenen de goedkeuring van de verlofaanvraag van 1 september 2025 tot 21 september 2025 intrekt. 2.7. Op 14 juni 2025 heeft [verweerders] per e-mail aan al haar medewerkers bericht: “(….) heeft mevrouw [verzoekster] zich ziek gemeld. (…) Deze ziekmelding heeft o.a. tot gevolg dat wij haar vakantieverlof hebben ingetrokken en haar contract niet gaan verlengen. (…)” 2.8. Bij e-mailbericht van 24 juni 2025 heeft [verweerders] aan [verzoekster] het volgende meegedeeld: “(…) Als u zich ziek voelt dient u naar de huisarts te gaan. De bedrijfsarts wordt ingeschakeld om te kijken welke werkzaamheden wel mogelijk voor u zijn, die bepaald niet of u ziek bent. (…)” 2.9. Even later heeft [verweerders] nogmaals aan [verzoekster] gemaild dat haar aanvankelijk goedgekeurde verlofaanvraag ingetrokken wordt en dat haar contract niet verlengd zal worden. 2.10. Bij e-mailbericht van 1 juli 2025 heeft [verweerders] in de persoon van de heer [verweerder 2] om 08:14 uur aan [verzoekster] meegedeeld: “(…) Hierbij verzoek ik u mij vandaag mede te delen of wij u voor komende week kunnen inplannen. Uw 3 weken rust zitten er immers op. (…)” 2.11. Later die dag heeft de heer [verweerder 2] aan [verzoekster] bericht: “(…) Op uw verzoek hebben wij heden onze arbodienst ingeschakeld met het verzoek een afspraak met u in te plannen met de bedrijfsarts. Omdat e.e.a. nog enkele weken kan duren zal ik u vrijdag 4 Juli opnieuw vragen of wij u vanaf volgende week weer kunnen verwachten op het werk of dat u instemt met een vaststellingsovereenkomst. (…) Vrijdag 4 juli heeft u namelijk de 3 weken rust gehad die uw huisarts u heeft opgedragen (…)” 2.12. In het terugkoppelingsadvies van het spreekuur van de bedrijfsarts van 3 juli 2025
staat voor zover relevant vermeld: “(…) [verzoekster] is momenteel volledig arbeidsongeschikt (…) [verzoekster] is momenteel nog niet in staat te starten met reintegratie. (…) Ik adviseer het contact tussen haar en werkgever voor nu te minimaliseren daar dit momenteel kan resulteren in verdere stagnatie of terugval. 2.13. Bij e-mailbericht van 29 juli 2025 heeft het Juridisch Loket namens [verzoekster] aan de heer [verweerder 2] meegedeeld: “(…) ervaart mevrouw druk vanuit uw kant om het werk te hervatten. (…) Dergelijke druk is in strijd met de wet. Indien een werknemer ziek is en de bedrijfsarts heeft vastgesteld dat re-integratie (nog) niet kan plaatsvinden, dan mag u als werkgever geen druk uitoefenen om toch te komen werken. Ik verzoek u dringend hiermee te stoppen. Daarnaast is er een ernstige kwestie gemeld: (…) [verzoekster] voelt zich geïntimideerd door uw zoon, de heer [zoon] . Zij heeft mij inzage gegeven in WhatsApp-berichten waarin hij onder meer aandringt om samen iets te gaan eten of drinken, ondanks dat zij duidelijk heeft aangegeven dit niet te willen en het professioneel te willen houden. (…) Dergelijke berichten, in de context van een machtsverhouding, zijn ontoelaatbaar en kwalificeren als intimidatie. Mevrouw ervaart hierdoor angst en stress, wat inmiddels tot medische klachten heeft geleid. Ook hierop verzoek ik u - en specifiek de heer [zoon] - dringend dit gedrag per direct te staken. Verder is er op 8 juli een aangetekende brief verstuurd met betrekking tot de loonvordering van 143 ORT-uren die nog niet zijn uitbetaald. Tot op heden is hier geen enkele reactie op gekomen. Graag verneem ik van u of en wanneer u van plan bent dit alsnog uit te betalen. (…) Ik wil ook melden dat meerdere Oekraïense dames die bij u werkzaam zijn juridische hulp hebben gezocht wegens vergelijkbare ervaringen (….)” 2.14. In het terugkoppelingsadvies van het spreekuur van de bedrijfsarts van
5 augustus 2025 staat voor zover relevant vermeld: “(…) [verzoekster] is momenteel volledig arbeidsongeschikt als gevolg van een medische aandoening. Oorzaak is met name gelegen in werkgerelateerde aspecten. (…) Op dit moment is betrokkene nog niet in staat over de werkgerelateerde zaken die er spelen het gesprek aan te gaan. Naar ik heb vernomen wil betrokkene in overleg met de werkgever verlof opnemen, hiervoor is medisch geen bezwaar. (…) Ik adviseer het contact tussen haar en werkgever voor nu te minimaliseren daar dit momenteel kan resulteren in verdere stagnatie of terugval. (…)” 2.15. Bij e-mailbericht van 6 augustus 2025 heeft mevrouw [verweerder 3] aan [verzoekster] meegedeeld dat het aangevraagde verlof niet wordt verleend, de goedkeuring van het eerder door [verzoekster] aangevraagde verlof is ingetrokken en zij dus geen toestemming heeft voor vakantie of verblijf in het buitenland. [verzoekster] wordt verzocht bereikbaar en beschikbaar te blijven en haar wordt meegedeeld dat indien zij toch met vakantie gaat dit gevolgen zal hebben voor haar loon en kan leiden tot arbeidsrechtelijke stappen. 2.16. Bij e-mailbericht van 17 augustus 2025 heeft de heer [verweerder 2] meegedeeld dat er bewijs is dat [verzoekster] in het buitenland verblijft, dat er maatregelen zullen worden genomen en dat het zonder toestemming opnemen van verlof haar zwaar aangerekend zal worden. 2.17. Bij e-mailbericht van 18 augustus 2025 heeft de heer [verweerder 2] meegedeeld dat [verzoekster] zich schuldig heeft gemaakt aan ongeoorloofd verzuim en daarmee haar verplichtingen als werknemer zoals opgenomen in artikel 7:660a BW heeft geschonden en de gevolgen voor haar zijn. 2.18. Tijdens het spreekuur van 1 september 2025 oordeelt de bedrijfsarts dat de situatie onveranderd is. 2.19. Bij e-mailbericht van 10 september 2025 en aangetekende brief van 29 september 2025 heeft [verweerders] meegedeeld dat de arbeidsovereenkomst niet wordt verlengd. 2.20.
[verzoekster] ontvangt vanaf 21 november 2025 een ziektewetuitkering van het UWV. 2.21. Op 2 december 2025 heeft een medewerker van het Juridisch Loket naar aanleiding van signalen, ontvangen van verschillende Oekraïense vrouwen die bij [verweerders] werkzaam zijn, bij de Arbeidsinspectie melding gedaan van onderbetaling, arbeidsuitbuiting, intimidatie, bedreiging en grensoverschrijdend gedrag bij [verweerders] . De melding wordt ondersteund door [opvanglocatie] [plaats 3] , de opvanglocaties waar de Oekraïense werknemers verblijven. Naar aanleiding hiervan is de Arbeidsinspectie een onderzoek gestart. Het onderzoek loopt momenteel nog. 2.22.
[verzoekster] heeft op 20 januari 2026 onderhavig verzoekschrift ingediend. 2.23.
[verweerders] heeft op 7 maart 2026 de transitievergoeding en de onregelmatigheidstoeslag (de ORT: de toeslag voor werk op zaterdagen en feestdagen) aan [verzoekster] betaald, te weten een bedrag van in totaal € 5.876,55. 3Het geschil3.1.
[verzoekster] verzoekt - na wijziging van haar verzoek - de kantonrechter bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: te verklaren voor recht dat [verweerders] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en/of nagelaten en dat [verweerders] hoofdelijk aansprakelijk is voor hetgeen [verweerders] verschuldigd is op grond van artikel 7:658 BW en/of 7:611 BW, voor alle geleden en nog te lijden schade als gevolg van de door [verweerders] veroorzaakte en/of verergerde thans bekende ziekten c.q. arbeidsongeschiktheid van [verzoekster] ;
[verweerders] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van (primair) een billijke vergoeding van € 50.000,00 althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, onder overlegging van een bruto/netto specificatie, althans voor zover de vergoeding (mede) wordt toegekend op de grondslag van artikel 7:658 BW en/of 7:611 BW te bepalen, dat voor zover de door [verzoekster] geleden schade (nog) niet volledig is vast te stellen, de zo mogelijk reeds vast te stellen schade ten laste van [verweerders] toe te wijzen en voor het overige te verwijzen naar de schadestaatprocedure;
[verweerders] hoofdelijk te veroordelen om aan [verzoekster] een immateriële schadevergoeding te voldoen van € 30.000,00 netto, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag;
[verweerders] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van € 1.310,40 over de toeslag voor werk op zaterdag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het indienen van het gewijzigd verzoekschrift tot de dag van volledige betaling, zulks onder overlegging van een bruto/netto specificatie;
[verweerders] hoofdelijk te veroordelen tot het betalen en verstrekken van een deugdelijke eindafrekening (bruto/netto specificatie) ter zake het loon, de vakantiebijslag, de eindejaarsuitkering en de niet genoten verlofuren, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom;
[verweerders] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente vanaf de veertiende dag na het opeisbaar worden van de toegewezen geldelijke vorderingen;
[verweerders] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de proceskosten en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente. 3.2.
[verzoekster] heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling toegelicht dat het verzoek onder 1) primair is gebaseerd op artikel 7:673 lid 9 BW en subsidiair op artikel 7:658 BW. Het verzoek onder 2) moet zo worden begrepen dat de verzochte vergoeding van € 50.000,00 primair wordt verzocht als billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen en subsidiair wordt verzocht bij wijze van een voorschot op de schadevergoeding op grond van artikel 7:658 BW. In dat laatste geval wordt verzocht de schade reeds zoveel mogelijk vast te stellen en voor het overige te verwijzen naar de schadestaatprocedure. De onder 3) verzochte immateriële schadevergoeding wordt zowel op basis van de primaire als de subsidiaire grondslag verzocht. 3.3.
[verweerders] voert verweer en vindt dat de verzoeken dienen te worden afgewezen. 3.4. Op de stellingen van partijen zal hierna voor zover relevant worden ingegaan. 4De beoordeling Vooraf 4.1. Het verzoekschrift richt zich tegen [verweerder 1] V.O.F. Het verweerschrift is ingediend namens [verweerders] Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling is meegedeeld dat het verweerschrift zo gelezen dient te worden dat dit is ingediend namens de vennootschap onder firma en dat de gemachtigde optreedt namens de vennootschap onder firma en haar vennoten. Het primaire verzoek om voor recht te verklaren dat [verweerders] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld Het toetsingskader 4.2. Uitgangspunt is dat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege eindigt. Het staat daarmee een werkgever in beginsel vrij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet te verlengen. De kantonrechter kan op grond van artikel 7:673 lid 9 BW een werknemer wiens arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege eindigt wel een billijke vergoeding toekennen als het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Voor het aannemen van ernstige verwijtbaarheid geldt een hoge drempel. Alleen in uitzonderlijke gevallen wordt deze drempel overschreden. In de wetsgeschiedenis zijn als voorbeelden van ernstige verwijtbaarheid genoemd:
- een aan de werkgever te verwijten verstoorde arbeidsverhouding;
- de situatie waarin de werkgever zijn re-integratieverplichtingen bij ziekte grovelijk heeft veronachtzaamd;
- arbeidsongeschiktheid van de werknemer als gevolg van verwijtbaar onvoldoende zorg van de werkgever voor de arbeidsomstandigheden. Grondslag van het (primaire) verzoek en het verweer van [verweerders] 4.3.
[verzoekster] stelt dat het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerders] . Daaraan legt zij kort gezegd ten grondslag dat zij tijdens haar dienstverband bij [verweerders] werd geïntimideerd, gepest en vernederd en dat [zoon] , die binnen [verweerders] een leidinggevende functie bekleedt, zich grensoverschrijdend jegens haar heeft gedragen. Verder stelt [verzoekster] dat het loon structureel te weinig en te laat werd betaald. Zij ontving immers geen toeslag voor de gewerkte uren op zaterdagen en feestdagen. Ook voert zij aan dat eerder goedgekeurd verlof zonder reden werd ingetrokken, zij na haar ziekmelding onder druk is gezet een vaststellingsovereenkomst te ondertekenen en [verweerders] heeft gedreigd met ontslag en juridische maatregelen. 4.4.
[verweerders] stelt dat het contact en eventuele (affectieve) relatie tussen [verzoekster] en [zoon] buiten werktijd heeft plaatsgevonden en was gebaseerd op wederzijdse instemming. Volgens [verweerders] zijn er geen aanwijzingen dat er sprake was van dwang, intimidatie of misbruik van gezagspositie, noch heeft het contact negatieve gevolgen gehad voor de werkverhouding of de organisatie. Dat het aangaan van een dergelijke relatie mogelijk als onhandig kan worden gekwalificeerd brengt volgens [verweerders] nog niet mee dat daarmee sprake is van grensoverschrijdend gedrag of ernstig verwijtbaar handelen in arbeidsrechtelijke zin. [verweerders] geeft toe dat zij niet altijd optimaal heeft gehandeld, onhandig heeft gecommuniceerd en dat bepaalde zaken achteraf bezien beter hadden gekund, maar betwist dat er sprake is geweest van intimidatie, pesterijen en vernedering. Zij is van mening dat de drempel van ernstige verwijtbaarheid niet wordt gehaald. Het oordeel van de kantonrechter 4.5. De kantonrechter is van oordeel dat het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door [verweerders] . Zij zal de verzochte verklaring voor recht verlenen en aan [verzoekster] een billijke vergoeding toekennen. Hieronder zal worden uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen. Wat is er gebeurd? 4.6. Partijen verschillen van mening over diverse gebeurtenissen die zijn voorgevallen en die wel van belang zijn voor de beoordeling van hun geschil. Dit geldt met name ten aanzien van de relatie tussen [zoon] en [verzoekster] en hetgeen is voorgevallen op 13 juni 2025, de dag dat [verzoekster] zich ziek heeft gemeld. De kantonrechter zal daarom eerst, aan de hand wat hierover over en weer is aangevoerd, reconstrueren wat er feitelijk is gebeurd en vervolgens ingaan op de vraag of dit leidt tot, of bijdraagt aan, het oordeel dat [verweerders] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. De relatie met [zoon] 4.7.
[verzoekster] heeft aangevoerd dat zij gedurende haar dienstverband voortdurend werd blootgesteld aan grensoverschrijdend gedrag, gestalk en terreur door [zoon] . Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij in januari 2025, na een bedrijfsfeest, met [zoon] achterbleef nadat de rest van het personeel door de heer [verweerder 2] in een taxi was gezet om naar de stad te gaan. [zoon] heeft haar toen meegenomen naar een hotel en bracht haar pas later, nadat diverse collega’s hem hadden gebeld, terug naar de anderen. In het voorjaar van 2025 moest [verzoekster] onderzoeken ondergaan in het ziekenhuis. In die periode vroeg [zoon] opnieuw of zij met hem wilde afspreken. Hij deed eerst vriendelijk en zorgzaam, maar veranderde als een blad aan een boom toen [verzoekster] hem duidelijk maakte dat ze geen relatie met hem wilde. Hij dreigde haar die nacht op straat achter te laten en om met zijn ouders te spreken om haar te ontslaan. Hij schold en schreeuwde tegen haar, negeerde haar op het werk, stalkte en begluurde haar op de werkvloer en sprak in haar bijzijn over haar met andere collega’s in het Nederlands. Hij bleef haar ook berichten sturen op haar privételefoon om af te spreken en zette haar constant onder druk. [verzoekster] heeft ter onderbouwing van haar verwijten verwezen naar de WhatsAppberichten die onder 2.4. zijn opgenomen, en op de verklaringen van twee van haar collega’s, mevrouw [naam 1] en mevrouw [naam 2]. 4.8.
[verweerders] heeft aangevoerd dat een eventuele relatie tussen [verzoekster] en [zoon] zich heeft afgespeeld buiten werktijd en was gebaseerd op wederzijdse instemming. Er zijn volgens [verweerders] geen aanwijzingen van dwang, intimidatie of misbruik van positie of dat het contact negatieve gevolgen heeft gehad voor de werkverhoudingen of de organisatie. Volgens [verweerders] is [zoon] steeds respectvol met [verzoekster] omgegaan, heeft hij haar thuis gebracht en het contact beëindigd zodra [verzoekster] dat wenste. Er was geen sprake van ongewenste avances of ongepaste druk. [verweerders] betwist dat [zoon] [verzoekster] op de werkvloer heeft gepest of bedreigd. Ook heeft [verweerders] betwist dat [zoon] de direct leidinggevende van [verzoekster] was. 4.9. De kantonrechter overweegt als volgt. Hoewel de standpunten van partijen uiteenlopen kan in ieder geval het volgende worden vastgesteld. [zoon] heeft toegegeven [verzoekster] leuk te hebben gevonden en haar benaderd te hebben. Uit de overgelegde verklaringen van collega’s [naam 2] en [naam 1] blijkt ook dat [zoon] interesse toonde in [verzoekster] . Verder staat vast dat [zoon] commercieel manager is bij [verweerders] en [verzoekster] de functie van vouwmedewerker bekleedde en aldus een ondergeschikte medewerkster was. Dat [zoon] niet haar direct leidinggevende was, is gelet op de grootte van het bedrijf niet zo relevant. [zoon] bekleedt in het familiebedrijf een leidinggevende functie en is de zoon van beide eigenaren. Dat hij ten opzichte van [verzoekster] in een gezagspositie verkeerde, staat daarmee vast.
Ook staat vast dat [verzoekster] de Nederlandse en de Engelse taal niet machtig is. Zij maakt gebruik van een vertaalapp om te communiceren.
Uit de WhatsAppgesprekken leidt de kantonrechter af dat [verzoekster] in ieder geval vanaf 16 april 2025 aan [zoon] duidelijk heeft gemaakt dat zij wilde dat hij haar met rust liet. Ze verwoordt dat ze niet wil dat hij naast haar komt staan op het werk om grapjes te maken, omdat zij die niet begrijpt en niet weet hoe ze dan moet reageren. [zoon] reageert daarop met de mededeling dat hij in zijn eigen bedrijf doet wat hij wil en praat met wie hij wil, altijd. In dit antwoord wijst hij [verzoekster] erop dat hij haar manager is en geen collega. Meteen daarop deelt hij mede dat hij en [verzoekster] later wat zullen gaan drinken. Uit het vervolg van de communicatie komt naar voren dat [zoon] en [verzoekster] eerder een keer samen zijn uit gegaan en dat [verzoekster] dat afspraakje niet als prettig heeft ervaren omdat [zoon] haar zou hebben gedreigd achter te laten op een plek die zij niet kende. Hoewel [zoon] antwoordt dat hij [verzoekster] uiteindelijk wel heeft thuis gebracht, ontkent hij niet dat hun afspraak niet goed is verlopen.
Op 2 mei 2025 benadert [zoon] [verzoekster] opnieuw, en vraagt haar of zij toch weer met hem wil afspreken. [verzoekster] antwoordt [zoon] dat ze niet met hem wil afspreken omdat ze niet wil omgaan met iemand die haar zo grof en respectloos behandelt. Ze vraagt wederom of [zoon] haar met rust wil laten. [zoon] antwoordt dat hij het antwoord van [verzoekster] respecteert maar voegt daaraan toe dat hij het laatst en het hardst zal lachen.
Op 12 juni 2025 om 17:15 schrijft [zoon] vervolgens aan [verzoekster] : “And… when is our next date, Mrs. [verzoekster] ?”
Als [verzoekster] daarop afwijzend reageert antwoordt [zoon] dat hij het gedrag van [verzoekster] jegens hem in gedachten zal houden en dat zij het niet leuk zal vinden. Hij voegt daar later aan toe dat hij het niet accepteert als iemand hem disrespectvol behandelt, in zijn privéleven of zijn bedrijf. Als [verzoekster] hem vraagt of zij degene is die [zoon] heeft bedreigd, tegen hem heeft geschreeuwd of iets van hem wil en zegt dat zij degene is die het recht heeft om beledigd te zijn, antwoordt [zoon] onder andere dat [verzoekster] zich moet gedragen (behave).
Als [verzoekster] daarop antwoordt dat [zoon] geen respect heeft voor vrouwen en zij nog nooit zo’n verschrikkelijke houding heeft meegemaakt, antwoordt [zoon] dat hij die avond met zijn ouders zal gaan praten. 4.10. De kantonrechter is van oordeel dat uit deze Whatsappberichten voldoende blijkt dat [zoon] meerdere keren (tegen de duidelijk uitgesproken wens van [verzoekster] in) aandringt op privécontact met [verzoekster] . Anders dan [verweerders] betoogt, gebruikt [zoon] zijn positie als hiërarchisch meerdere wel degelijk om [verzoekster] ervan te overtuigen om met hem af te spreken en ook om haar verzoek om met rust gelaten te worden niet serieus te nemen. Zijn opmerkingen dat hij in zijn eigen bedrijf doet wat hij wil, dat hij het laatst en hardst zal lachen, dat hij zich niet disrespectvol laat behandelen in zijn bedrijf en dat hij met zijn ouders (de eigenaren van [verweerders] ) zal gaan praten als [verzoekster] hem afwijst, laten geen andere interpretatie toe. 4.11. Dat de relatie tussen [verzoekster] en [zoon] zich alleen in de privésfeer afspeelde, wordt evenmin gevolgd. [naam 1] heeft verklaard dat de sfeer op het werk veranderde nadat [zoon] interesse in [verzoekster] begon te vertonen en dat [verzoekster] haar vroeg om niet weg te gaan zodat zij niet met [zoon] alleen op de werkplek zou achterblijven. Ook in de verklaring van [naam 2] staat dat [verzoekster] op momenten aan het einde van de werkdag vroeg of iemand op haar kon wachten, omdat ze bang was alleen naar buiten te gaan vanwege [zoon] . De gebeurtenissen op 13 juni 2025 4.12. Op basis van hetgeen partijen bij gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben verklaard alsmede de verklaringen van [naam 2] en [naam 1] staat naar het oordeel van de kantonrechter vast dat [verzoekster] op 13 juni 2025 heeft geweigerd om desgevraagd naar de heer [verweerder 2] te lachen. Op de vraag van de heer [verweerder 2] waarom ze niet glimlachte wilde [verzoekster] aanvankelijk niet antwoorden maar uiteindelijk heeft ze gezegd dat dit met [zoon] te maken had. Vervolgens is [verzoekster] op zijn verzoek met de heer [verweerder 2] naar het kantoor gegaan, samen met een collega die kon vertalen. [verzoekster] heeft daar duidelijk gemaakt dat zij last had van [zoon] . De heer [verweerder 2] heeft [verzoekster] gevraagd dit niet met de andere personeelsleden te bespreken. Wat er verder is besproken, is gelet op de uiteenlopende verklaringen niet vast te stellen, maar wel staat vast dat [verzoekster] trillend en huilend het kantoor heeft verlaten. Zij heeft vervolgens nog wel gewerkt. [zoon] is later op de dag op het werk verschenen. Hij heeft - met zijn handen zwaaiend – naar [verzoekster] geroepen “ga weg, ga weg” en is achter [verzoekster] aan gerend, waarna mevrouw [verweerder 3] ook nog achter [verzoekster] is aangerend. Heeft [verweerders] ernstig verwijtbaar jegens [verzoekster] gehandeld? 4.13. De kantonrechter komt nu toe aan de behandeling van de gronden / de verwijten aan het adres van [verweerders] die [verzoekster] aanvoert ter onderbouwing van het ernstig verwijtbaar handelen door [verweerders] . Deze verwijten zien 1) op de omstandigheden die zich hebben voorgedaan vóór de ziekmelding door [verzoekster] en die volgens haar de aanleiding waren voor de ziekmelding, 2) de wijze waarop [verweerders] na haar ziekmelding heeft geacteerd en 3) de wijze waarop [verweerders] haar andere arbeidsrechtelijke verplichtingen, zoals het tijdig betalen van het loon en de juiste toeslagen, heeft verzaakt. In het onderstaande wordt daarop verder ingegaan. De aanloop naar de ziekmelding 4.14.
[verzoekster] stelt dat zij tijdens haar dienstverband “voortdurend werd blootgesteld aan ongewenste avances van [zoon] ”, die zich aan haar opdrong, eiste dat zij met hem uitging en haar bestookte met telefoontjes en appjes. [zoon] zou na de afwijzing door [verzoekster] agressief zijn geworden, hetgeen zich vertaalde in pestgedrag en geschreeuw op de werkvloer, waarbij [zoon] [verzoekster] achtervolgde, heel dicht naast haar ging staan en haar begluurde als zij zich omkleedde, haar strafte met extra zwaar werk en haar uitschold ten overstaan van collega’s. 4.15. Niet al deze aantijgingen zijn komen vast te staan. Zoals hiervoor onder ro. 4.9 en 4.10 is overwogen kan worden vastgesteld dat [zoon] enkele keren (tegen de uitdrukkelijk geuite wens van [verzoekster] in) er bij [verzoekster] op heeft aangedrongen privé met hem af te spreken en dat hij daarbij het feit dat hij haar manager was als argument heeft gebruikt om [verzoekster] te overtuigen. Dat deze avances ook invloed hadden op de situatie op het werk, omdat [verzoekster] aan collega’s heeft gevraagd haar niet alleen te laten met [zoon] , staat ook vast. De overgelegde WhatsAppberichten zijn op drie verschillende dagen gewisseld. Dat rechtvaardigt niet het oordeel dat [zoon] zich “voortdurend aan [verzoekster] opdrong” en haar “bestookte” met appjes. Dat [zoon] op 13 juni 2025 tegen [verzoekster] heeft geschreeuwd, staat naar het oordeel van de kantonrechter wel vast, maar de andere verwijten (dat hij agressief is geweest, vaker tegen [verzoekster] schreeuwde op de werkvloer en haar pestte, begluurde en strafte met extra zwaar werk) missen iedere onderbouwing. Weliswaar schrijven [naam 1] en [naam 2] dat [verzoekster] herhaaldelijk “grote manden” kreeg, maar [naam 2] schrijft in haar andere verklaring ook dat zij ook regelmatig grote manden kreeg. Bovendien is verder niet onderbouwd waarom het krijgen van “grote manden” te kwalificeren zou zijn als pestgedrag. Verder schrijft [naam 1] dat [zoon] een keer uit het raam keek en hen observeerde toen ze buiten stonden, maar dit kan moeilijk als een onderbouwing van het verweten “begluren” worden beschouwd. Ook verklaart [naam 1] dat er persoonlijke spullen van [verzoekster] verdwenen, maar dat dit door toedoen van [zoon] kwam blijkt verder nergens uit. Tot slot acht de kantonrechter nog van belang dat [verzoekster] zelf aan [verweerders] schrijft dat zij niet zegt dat zij op het werk slecht wordt behandeld. 4.16. Ondanks het feit dat niet alle aantijgingen van [verzoekster] kunnen worden vastgesteld, kwalificeert de kantonrechter de gedragingen van [zoon] wel als grensoverschrijdend. Daarbij speelt ook nog mee dat [verzoekster] vluchteling is, de Nederlandse en Engelse taal niet machtig is en ondergeschikte was. Gelet op deze kwetsbare positie waarin [verzoekster] zich bevond, had [zoon] , die een leidinggevende positie had binnen [verweerders] en zich bewust was van zijn machtspositie, zich moeten onthouden van zijn gedrag en [verzoekster] met rust moeten laten, zeker nadat zij daarom (meermaals) expliciet had verzocht. 4.17.
[verweerders] heeft er nimmer adequaat op gereageerd dat een van haar leidinggevenden zich op deze wijze richting een ondergeschikte gedroeg. Dit valt [verweerders] te verwijten. Zij is immers als werkgever verantwoordelijkheid voor de (sociale) veiligheid van haar werknemers. Ten tijde van voornoemd handelen (en thans nog steeds) beschikte [verweerders] niet over een gedragsprotocol inzake relaties op de werkvloer en was daarover geen beleid vastgelegd in het personeelshandboek.
Het door de heer [verweerder 2] ter zitting ingenomen standpunt dat hij de verhouding tussen zijn [zoon] en [verzoekster] en het werk als twee losse zaken ziet, deelt de kantonrechter niet. In deze zaak betreft het niet enkel een privékwestie van zijn zoon, nu [zoon] manager is bij [verweerders] en [verzoekster] aldaar ook - als ondergeschikte - werkzaam was en zichtbaar last had van het gedrag van [zoon] ten opzichte van haar. Dat het contact tussen hen geen negatieve gevolgen heeft gehad voor de werkverhouding of de organisatie kan evenmin standhouden. Uit de verklaringen van [naam 2] en [naam 1] blijkt voldoende dat de werksfeer negatief beïnvloed werd door de situatie, dat [verzoekster] bang was voor [zoon] en haar collega’s meermaals vroeg haar niet alleen te laten met hem. Ook de heer [verweerder 2] moet het duidelijk zijn geweest dat [verzoekster] leed onder de situatie met [zoon] . Op 13 juni 2025 is de hele situatie uiteindelijk geëscaleerd. [verweerder 2] had [verzoekster] in bescherming moeten nemen, maar heeft de situatie afgedaan als een privékwestie tussen [verzoekster] en zijn zoon en [verzoekster] verzocht daar niet met de andere personeelsleden over te praten. Dat getuigt niet van goed werkgeverschap. 4.18.
[verweerders] heeft op de zitting nog aangevoerd dat [verzoekster] zich tot de vertrouwenspersoon had kunnen wenden. Nergens blijkt echter uit dat [verweerders] ooit naar haar werknemers heeft gecommuniceerd dat er een vertrouwenspersoon was. Bovendien wordt de functie van vertrouwenspersoon blijkbaar bekleed door mevrouw [verweerder 3] , die medevennoot van [verweerder 1] en de moeder van [zoon] is, en aldus niet onafhankelijk en objectief kan worden beschouwd. Dat [verzoekster] zich niet tot haar heeft gewend, kan uiteraard niet aan haar worden tegengeworpen. Het handelen van [verweerders] na de ziekmelding door [verzoekster] 4.19. Voldoende is gebleken dat partijen de intentie hadden om bij gebleken geschiktheid de arbeidsrelatie voort te zetten. Dit blijkt uit de arbeidsovereenkomst. Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoekster] tot aan haar ziekmelding naar behoren heeft gefunctioneerd, zodat een verlenging van de arbeidsovereenkomst in het vooruitzicht lag. 4.20. Dit alles veranderde nadat [verzoekster] zich op 13 juni 2025 ziekmeldde. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, acht de kantonrechter voldoende aannemelijk dat de reden waardoor [verzoekster] arbeidsongeschikt is geworden en zich heeft moeten ziekmelden, in ieder geval voor een belangrijk deel was gelegen in de situatie met [zoon] en de gebeurtenissen op 13 juni 2025. Vervolgens heeft [verweerders] de ziekmelding gesanctioneerd met de mededeling dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd en het goedgekeurde verlof van [verzoekster] , dat pas twee maanden later was gepland, zonder gegronde redenen ingetrokken. Ook heeft [verweerders] de ziekmelding van [verzoekster] aangegrepen om de rest van het personeel te waarschuwen. Vervolgens heeft [verweerders] aan [verzoekster] vrij snel na haar ziekmelding een vaststellingsovereenkomst aangeboden, waarmee [verzoekster] een groot deel van haar rechten zou prijsgeven. In plaats van meteen een consult bij de bedrijfsarts te plannen, heeft [verweerders] [verzoekster] na drie weken gevraagd of zij weer ingepland kon worden voor werk, heeft zij [verzoekster] verkeerd geïnformeerd over de rol van de bedrijfsarts (anders dan [verweerders] aan [verzoekster] meedeelde, is het júist de bedrijfsarts – en niet de huisarts – die oordeelt of een werknemer ziek is).Vervolgens heeft [verweerders] de adviezen van de bedrijfsarts in de wind geslagen. Waar de bedrijfsarts uitdrukkelijk adviseerde om het contact te minimaliseren, bleef [verweerders] [verzoekster] stelselmatig lastigvallen met e-mailberichten en druk op [verzoekster] uitoefenen. Ook al oordeelde de bedrijfsarts dat er medisch geen bezwaar bestond tegen het opnemen van verlof door [verzoekster] , toch bleef [verweerders] bij de intrekking van het aanvankelijk goedgekeurde verlof zonder daarvoor een gegronde reden te hebben. [verweerders] heeft vervolgens ook nog eens [verzoekster] gedreigd met arbeidsrechtelijke maatregelen omdat zij zonder daarvoor toestemming te hebben in het buitenland zou verblijven, hetgeen volgens [verzoekster] niet het geval was. Deze ongefundeerde beschuldiging is door [verweerders] momenteel nog steeds niet voorzien van enige onderbouwing. 4.21. Het voorgaande laat naar het oordeel van de kantonrechter geen andere conclusie toe dan dat [verweerders] haar re-integratieverplichtingen jegens [verzoekster] grovelijk heeft veronachtzaamd.
[verweerders] heeft niet al het loon (tijdig) betaald 4.22. Ook neemt [verweerders] het niet zo nauw met het tijdig en volledig betalen van het loon. Het loon over de maanden augustus, oktober en november 2025 is te laat (en niet volledig) betaald. De onregelmatigheidstoeslag voor de gewerkte uren op zaterdag en feestdagen is uiteindelijk pas op 7 maart 2026 betaald, nadat de gemachtigde van [verzoekster] daar meermaals om verzocht heeft en onderhavig verzoekschrift is ingediend. De wettelijke verhoging hierover is nog steeds niet betaald. Conclusie ernstig verwijtbaar handelen of nalaten [verweerders] 4.23. De kantonrechter acht al met al voldoende aannemelijk geworden dat [verweerders] de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] niet heeft verlengd als gevolg van de ziekmelding van [verzoekster] op 13 juni 2025. Uit het hiervoor onder randnummer 2.7. weergegeven e-mailbericht van 14 juni 2025 van [verweerders] blijkt dit immers overduidelijk. Ook acht de kantonrechter het voldoende aannemelijk dat deze ziekmelding het gevolg is geweest van verwijtbaar onvoldoende zorg van [verweerders] voor de arbeidsomstandigheden van [verzoekster] , met name de door [verweerders] te waarborgen veiligheid op de werkvloer en het gevrijwaard blijven van ongewenste avances door een leidinggevende. Tevens staat vast dat [verweerders] haar re-integratieverplichtingen bij ziekte grovelijk heeft veronachtzaamd. Uit het vorenstaande volgt dat aan het vereiste oorzakelijk verband tussen het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever en het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst is voldaan. 4.24. De conclusie uit het voorgaande is dat de hoge drempel in dit geval wordt gehaald en dat het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van het ernstig verwijtbaar handelen van [verweerders] . Er bestaat aldus een causaal verband tussen de ernstige verwijtbaarheid en het einde van het dienstverband oftewel aannemelijk is dat zonder ernstig verwijtbaar handelen van [verweerders] de arbeidsovereenkomst, die van rechtswege is beëindigd, wel zou zijn voortgezet. 4.25. Het voorgaande betekent dat de verzochte verklaring voor recht dat [verweerders] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld zal worden toegewezen. Nu het primair verzochte wordt toegewezen, wordt aan de beoordeling van het subsidiair verzochte, te weten of [verweerders] jegens [verzoekster] aansprakelijk is op grond van het bepaalde in artikel 7:658 BW en/of 7:611 BW, niet toegekomen. Het verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding 4.26. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de kantonrechter een billijke vergoeding toekennen. 4.27.
[verzoekster] verzoekt een bedrag van € 50.000,00 aan billijke vergoeding. Zij baseert dat op haar verwachting dat de arbeidsovereenkomst nog tenminste drie jaar geduurd zou hebben. [verzoekster] verwacht, gelet op haar arbeidsongeschiktheid en de beperkte toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt, niet binnen een redelijke termijn uitzicht te hebben op een baan elders. Zij berekent haar tekort op het verschil van het loon bij [verweerders] en de door haar ontvangen ziektewetuitkering (21 november 2025 tot 21 november 2027) en daarna te ontvangen leefgeld (een voorziening voor Oekraïense vluchtelingen die zij zal ontvangen over de periode 21 november 2027 tot 21 november 2028) over een periode van drie jaar op € 38.568,00. Daarnaast stelt zij haar pensioenschade vast op € 2.520,00. Naast dit inkomensverlies van in totaal € 41.088,00 wenst zij nog een compensatie te zien voor het feit dat de situatie een grote impact op haar levensgeluk heeft. Volgens [verzoekster] is het verzochte bedrag een passende compensatie voor het ernstig verwijtbaar handelen. 4.28.
[verweerders] betwist dat [verzoekster] de komende drie jaar geen arbeid zal kunnen verrichten. 4.29. Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen. 4.30. Het besluit om de arbeidsovereenkomst niet te verlengen na ommekomst van de overeengekomen bepaalde duur, houdt verband met het ernstig verwijtbaar handelen van [verweerders] . Dat [verzoekster] , indien het ernstig verwijtbaar handelen wordt weggedacht, nog minstens drie jaar voor [verweerders] zou hebben gewerkt, acht de kantonrechter echter onvoldoende aannemelijk. [verzoekster] was immers pas iets langer dan een half jaar – op basis van een eerste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd – in dienst bij [verweerders] voordat zij zich ziekmeldde. Gelet op de korte duur van het dienstverband is het moeilijk te voorspellen hoe dit zou zijn verlopen als de arbeidsverhouding zou zijn gecontinueerd. Wel had er een grote kans bestaan, indien het verwijtbaar handelen wordt weggedacht en de arbeidsovereenkomst niet van rechtswege zou zijn geëindigd, dat de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] met een jaar zou zijn verlengd. Immers uit het e-mailbericht van 14 juni 2025 (randnummer 2.7) volgt dat het besluit om de arbeidsovereenkomst niet te verlengen is ingegeven door de ziekmelding. Verder staat vast dat [verzoekster] tot haar ziekmelding naar behoren heeft gefunctioneerd en dat ingevolge de arbeidsovereenkomst in dat geval het contract in ieder geval met één jaar zou worden verlengd. Als uitgangspunt wordt daarom genomen dat [verzoekster] inkomensschade gedurende een jaar na 20 november 2025 lijdt als gevolg van het ernstig verwijtbaar handelen door [verweerders] . Nu [verweerders] de door [verzoekster] gemaakte berekeningen als hierboven vermeld niet gemotiveerd heeft betwist (over de eerste twee jaar € 16.128,00 aan inkomensverlies) zal die inkomensschade in overeenstemming daarmee worden gesteld op een bedrag van € 8.000,- (voor één jaar). 4.31. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend karakter. Anderzijds is ze mede bedoeld om [verweerders] te prikkelen de volgende keer zorgvuldiger te handelen. Het behoeft naar het oordeel van de kantonrechter geen nader betoog dat de wijze waarop [verweerders] met [verzoekster] is omgegaan absoluut niet door de beugel kan. Om de ernst van de aan [verweerders] te maken verwijten te benadrukken, acht de kantonrechter een prikkel ter hoogte van € 7.000,00 op zijn plaats. 4.32. Uit het vorenstaande volgt dat [verweerders] zal worden veroordeeld tot het betalen van een billijke vergoeding aan [verzoekster] van € 15.000,00 bruto en wel binnen veertien dagen na deze beschikking. De kantonrechter acht dit een redelijkere termijn dan de verzochte termijn van zeven dagen. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt eveneens toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na opeisbaarheid. Het verzoek tot toekenning van een immateriële schadevergoeding 4.33.
[verzoekster] maakt aanspraak op € 30.000,00 aan immateriële schadevergoeding. [verzoekster] stelt dat de door [verweerders] veroorzaakte en nog steeds voortdurende arbeidsongeschiktheid een aanzienlijke aantasting van haar persoon vormt en leidt tot enorm verdriet. Het verlies van haar gezondheid en haar uitzichtloze situatie hebben een enorme wissel op haar levensgeluk getrokken, aldus [verzoekster] . 4.34. Een benadeelde heeft recht op vergoeding van immateriële schade indien zij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast (artikel 6:106 lid 1 BW). Van bedoelde aantasting in haar persoon op andere wijze is in elk geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van bedoelde aantasting in haar persoon sprake is. Het is aan de benadeelde om met voldoende concrete feiten en omstandigheden te onderbouwen dat een dergelijke situatie aan de orde is (Hoge Raad 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376). Dat heeft [verzoekster] echter niet, althans niet voldoende gedaan. Dat de door [verzoekster] thans ervaren klachten het gevolg zijn van het handelen van [verweerders] is niet komen vast te staan. 4.35. De in het geding gebrachte stukken bieden immers onvoldoende steun en onderbouwing voor dit standpunt van [verzoekster] . Aan de door [verzoekster] in het geding gebrachte verklaringen van de behandelend huisarts, psychiater, psycholoog en neuroloog kan in dit verband geen althans onvoldoende gewicht worden toegekend. Uit deze stukken blijkt genoegzaam dat [verzoekster] kampt met diverse klachten, zoals stress, slaapstoornissen, vermijdingsgedrag, somberheid, prikkelbaarheid apathie en herbelevingen en is gediagnosticeerd met een depressieve stoornis zonder psychotische symptomen. In de stukken van de huisarts, de psychiater en de psycholoog wordt ook melding gemaakt van problemen in de werksituatie van [verzoekster] . De psychiater heeft geconcludeerd dat de depressieve stoornis is getriggerd door externe stressoren, met als primaire uitlokkende factor de werksituatie van [verzoekster] . De psycholoog schrijft dat haar hypothese is dat de klachten voortkomen uit langdurende werkgerelateerde traumatisering in combinatie met migratiestress, verlieservaringen en beperkte regie op de leefomstandigheden.
Echter, al deze artsen baseren zich op de anamnese die hen enkel door [verzoekster] is aangereikt. Zij hebben niet zelf onderzoek gedaan naar de werksituatie en het oorzakelijk verband met de klachten van [verzoekster] . Daarom kan aan deze verklaringen maar zeer beperkt gewicht worden toegekend. Dat geldt temeer nu diverse verwijten over de werksituatie die [verzoekster] aan [verweerders] in deze procedure heeft gemaakt, niet zijn komen vast te staan. Bovendien blijkt uit de verklaringen van de psycholoog en psychiater ook dat er diverse andere oorzaken zijn aan te wijzen die de klachten van [verzoekster] kunnen verklaren. Dat die klachten enkel of grotendeels het gevolg zijn van het ernstig verwijtbaar handelen door [verweerders] , is door [verzoekster] dan ook onvoldoende onderbouwd. De gevorderde (immateriële) schadevergoeding zal dan ook worden afgewezen. Wettelijke verhoging en wettelijke rente over de onregelmatigheidstoeslag voor werk op zaterdag 4.36. Nu betaling van de onregelmatigheidstoeslag niet tijdig heeft plaatsgevonden, maakt [verzoekster] op goede gronden aanspraak op vergoeding van de wettelijke verhoging. De verzochte wettelijke verhoging zal dan ook worden toegewezen. De kantonrechter acht de verzochte termijn van zeven dagen niet redelijk en zal [verweerders] veroordelen om dit bedrag binnen veertien dagen na deze beschikking te betalen. De gevorderde wettelijke rente, die door het enkele betalingsverzuim verschuldigd wordt, ligt ook voor toewijzing gereed op de hierna in de beslissing weergegeven wijze. Betalen en verstrekken deugdelijke eindafrekening 4.37.
[verweerders] zal hoofdelijk veroordeeld worden tot het betalen en verstrekken van een deugdelijke eindafrekening (bruto/netto specificatie) ter zake het loon, de vakantiebijslag, de eindejaarsuitkering en de niet genoten verlofuren. De termijn van betalen en afgifte, alsmede de verzochte dwangsom zullen worden toegewezen zoals hierna in de beslissing weergegeven. Proceskosten 4.38. De proceskosten komen voor rekening van [verweerders] , omdat [verweerders] overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerders] . De proceskosten aan de zijde van [verzoekster] worden begroot op € 1.102,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten). 4.39. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5De beslissing De kantonrechter 5.1. verklaart voor recht dat [verweerders] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, 5.2. veroordeelt [verweerders] hoofdelijk om binnen veertien dagen na deze beschikking aan [verzoekster] een billijke vergoeding te betalen van € 15.000,00, onder overlegging van een correcte bruto/netto specificatie, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na opeisbaarheid tot aan de dag van de gehele betaling, 5.3. veroordeelt [verweerders] hoofdelijk om binnen veertien dagen na deze beschikking aan [verzoekster] te betalen de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van
€ 1.310,40 over de onregelmatigheidstoeslag voor werk op zaterdag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 maart 2026 tot de dag van volledige betaling, zulks onder overlegging van een bruto/netto specificatie, 5.4. veroordeelt [verweerders] hoofdelijk om binnen veertien dagen na deze beschikking aan [verzoekster] te betalen en te verstrekken een deugdelijke afrekening (een bruto/netto specificatie) ter zake het loon, de vakantiebijslag, de eindejaarsuitkering en de niet genoten verlofuren, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [verweerders] hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 5.000,00, 5.5. veroordeelt [verweerders] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.102,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, 5.6. veroordeelt [verweerders] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.7. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, 5.8. wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026. Bijlage 1 verzoekschrift Bijlage 12 verzoekschrift Bijlage 13 verzoekschrift Bijlage 15 verzoekschrift Bijlage 14 verzoekschrift Bijlage 20 verzoekschrift Bijlage 21 verzoekschrift Bijlage 22 verzoekschrift Bijlage 27 verzoekschrift Bijlage 29 verzoekschrift Bijlage 30 verzoekschrift Bijlage 31 verzoekschrift Bijlage 32 verzoekschrift Bijlage 33 verzoekschrift Bijlagen 4 en 36 verzoekschrift Beslissing van het UWV van 22 december 2025, bijlage 5 verzoekschrift Bijlage 53 verzoekschrift Kamerstukken II 2013-2014, 33 818, nr. 3. Productie 56A verzoekschrift Producties 55A verzoekschrift Appbericht 17:40 uur 16 april 2025 19:13 uur 1e WhatsApp bericht 2 mei 2025 [datum] 2025 8:04 uur [datum] 2025 8:14 uur [datum] 18:38 uur [datum] 19:48 uur Zie bijlage 48 verzoekschrift, waarin een foto is ingeplakt van een stuk vertaalde tekst die [verzoekster] tijdens het gesprek heeft gemaakt. Verklaring [verzoekster] en [naam 2] Verklaring [verzoekster] , [naam 2] Productie 55B verzoekschrift WhatsAppbericht 16 april 2025 om 19:22 uur Zie hiervoor onder 2.7. Bijlagen 35, 38, 40, 41, 44 en 45 verzoekschrift Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2017, te vinden op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle). Bijlage 34 verzoekschrift Bijlage 57a verzoekschrift Bijlage 57b verzoekschrift Bijlage 57d verzoekschrift Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.