Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBLIM:2026:6417

De verdachte is vrijgesproken van artikel 6 en 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Niet kan worden vastgesteld dat sprake was van een verkeersfout van de verdachte.

Rechtbank Limburg 3 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBLIM:2026:6417 text/xml public 2026-07-03T15:00:26 2026-07-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-07-03 03.288300.25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Roermond Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6417 text/html public 2026-07-02T10:44:34 2026-07-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:6417 Rechtbank Limburg , 03-07-2026 / 03.288300.25
De verdachte is vrijgesproken van artikel 6 en 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Niet kan worden vastgesteld dat sprake was van een verkeersfout van de verdachte.
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer : 03.288300.25

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 3 juli 2026

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 2006,

wonende te [adres] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. T.J.N. Hameleers, advocaat kantoorhoudende te Roermond.
<nr>1</nr>Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 19 juni 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
<nr>2</nr>De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 7 september 2024 in Koningsbosch als bestuurder van een motorrijtuig (primair) een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij [slachtoffer 1] werd gedood en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, dan wel (subsidiair) zich zodanig heeft gedragen dat hij gevaar op de weg heeft veroorzaakt.
<nr>3</nr>De beoordeling van het bewijs 3.1
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair tenlastegelegde bewezen. De verdachte heeft in een onoverzichtelijke bocht aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld en zodoende een ongeval veroorzaakt, door niet voldoende rechts te houden, zijn voertuig niet onder controle te houden en zijn snelheid niet dusdanig te verlagen dat hij tijdig tot stilstand kon komen. De verdachte reed midden op een smalle weg richting een onoverzichtelijke bocht en wist dit ook. Hij heeft zijn snelheid en positie hier niet op aangepast en heeft onvoldoende geanticipeerd op de omstandigheden op de weg ter plaatse. Hoewel zijn zicht op eventuele tegenliggers was belemmerd, heeft hij de bocht min of meer afgesneden. Als gevolg van de aanrijding heeft slachtoffer [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel opgelopen en is slachtoffer [slachtoffer 1] overleden.
3.2
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het primair tenlastegelegde, omdat de verdachte geen schuld had in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). Er was geen sprake van grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid. De verdachte werd plotseling geconfronteerd met fietsers die in het midden van de weg fietsten en hem op snelheid naderden. Hij zag zich genoodzaakt om op de rem te gaan om een ongeval te vermijden, waardoor het voertuig van de verdachte onbedoeld in een slip terechtkwam. De raadsman heeft onder meer aangevoerd dat de stuurbeweging/-correctie kan worden toegeschreven aan het proberen een ongeval te vermijden. Op basis van het dossier is onduidelijk wat de positie en snelheid van de fietsers was op het moment voor de botsing. Bovendien heeft de zonsituatie een rol gespeeld, althans het effect van de zon kan niet worden uitgesloten.

De raadsman heeft eveneens vrijspraak bepleit van het subsidiair tenlastegelegde, omdat geen sprake was van evident gevaarzettend gedrag. De verdachte heeft immers gas losgelaten in de bocht, zag de fietsers later door de zon, heeft geremd en is in een slip geraakt. Dit is juist het handelen wat van een bestuurder mag worden verwacht. Er is geen sprake van een (duidelijke) verkeersfout, maar juist van een reddingspoging.
3.3
Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak van het primair en subsidiair tenlastegelegde

Op 7 september 2024, omstreeks 13:44 uur, vond op de [straatnaam 1] in Koningsbosch een verkeersongeval plaats. De verdachte reed in een motorrijtuig (de Jiayuan Eidola, een elektrische ‘microcar’ met een topsnelheid van 78 km/h) en de slachtoffers reden in tegengestelde richting op (elektrische) fietsen. Toen zij elkaar passeerden, kwamen de fietsen van de slachtoffers met de voorzijde van het motorrijtuig van de verdachte in botsing. Als gevolg van het ongeval is slachtoffer [slachtoffer 1] ter plaatse overleden en heeft slachtoffer [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Het motorrijtuig van de verdachte kwam vervolgens in botsing met een boom, alwaar hij ook tot stilstand kwam.

De [straatnaam 1] heeft voorbij het kruispunt met de [straatnaam 2] een recht en vlak wegverloop. Ongeveer 50 meter voorbij dit kruispunt is een bocht naar links gelegen in het wegverloop. Op de foto’s, weergegeven in het proces-verbaal FO verkeer, is te zien dat dit een flauwe bocht betreft. De plaats van het ongeval was gelegen in het einde van deze bocht. Ter hoogte van de plaats van het ongeval is de rijbaan van de [straatnaam 1] niet verdeeld in rijstroken en bestemd voor verkeer uit tegengestelde rijrichtingen. Er is geen wegbelijning op het wegdek aangebracht. De rijbaan heeft een breedte van ongeveer 4,3 meter. De ter plaatse geldende maximumsnelheid bedraagt 60 kilometer per uur.

In deze zaak staan de wegposities van zowel de verdachte als de slachtoffers voorafgaand aan de botsing ter discussie. De officier van justitie en de raadsman trekken daarover verschillende conclusies op basis van dezelfde gegevens. In dit onderzoek is geen bewijsmateriaal gevonden van de ruimere periode die voorafging aan de botsing. Er zijn geen camerabeelden, geen getuigenverklaringen en geen voertuigdata. Alleen de verdachte heeft iets verklaard over wat hij zag en deed. Het slachtoffer [slachtoffer 2] heeft geen herinnering aan het ongeval. Het rapport van de VerkeersOngevallenAnalyse (VOA) vertelt slechts het verhaal van de laatste fractie van een seconde voor de botsing.

Op de rijbaan werd in de bocht naar links in het wegverloop, op ongeveer 24 meter voor de boom waartegen de verdachte met zijn motorrijtuig tot stilstand kwam, en op ongeveer 3,3 meter van de linker rijbaankant, op de rechter weghelft een bandenspoor aangetroffen, zijnde een slipspoor. Dit spoor betrof het eerste aangetroffen spoor op het wegdek (hierna: spoor 1, overeenkomend met de spoornummering in het proces-verbaal op p. 82 e.v.). Het motorrijtuig had tijdens het aftekenen van voornoemd slipspoor gereden met een indicatieve snelheid gelegen tussen ongeveer 53 km/h en 61 km/h. Op de rijbaan, op ongeveer 12,8 meter voorbij het punt van de eerste aftekening van spoor 1, werd in/op de linker weghelft een krassporenbeeld met in het verlengde daarvan een vierde bandenspoor aangetroffen, zijnde een wringspoor (hierna: spoor 4). Ongeveer in het midden van de linker weghelft, gezien vanuit de rijrichting van de verdachte en ter hoogte van het aangetroffen wringspoor (spoor 4), kwam het motorrijtuig van de verdachte met de voorzijde rechts in botsing met de voorzijde van de zwarte fiets waarop slachtoffer [slachtoffer 1] zich bevond. Daarna kwam het motorrijtuig met de voorzijde links in botsing met de voorzijde van de blauwe fiets waarop slachtoffer [slachtoffer 2] zich bevond. De afstand tussen spoor 1, zijnde het eerste slipspoor, en spoor 4, waar het motorrijtuig van de verdachte en de fietsers met elkaar in botsing zijn gekomen, betrof ongeveer 12,8 meter. Gelet op de vastgestelde indicatieve snelheid van het motorrijtuig heeft het motorrijtuig die afstand in minder dan een seconde afgelegd.

De officier van de justitie en de raadsman interpreteren de gegevens over spoor 1 allebei op hun eigen manier. De officier van justitie stelt dat dit spoor is gezet door de rechter achterband en concludeert daaruit dat de verdachte de bocht afsneed. De raadsman stelt dat dit spoor is gezet door de linker achterband en concludeert daaruit dat de verdachte voldoende rechts reed. De rechtbank volgt de officier van justitie wel in zijn stelling, maar niet in zijn conclusie. De deskundige rapporteert dat dit spoor is gezet door de rechter achterband en motiveert navolgbaar waarop die conclusie is gebaseerd (p. 106). De rechtbank is het niet eens met de raadsman dat de foto’s en de tekeningen van dit spoor tot een andere conclusie dwingen. De rechtbank stelt daarom vast dat spoor 1 is gezet door de rechter achterband. Het rapport vermeldt dat dit spoor op ongeveer 3,3 meter van de linker berm is gezet, maar beschrijft niet op welk punt in dit spoor deze afstand is gemeten: de linker zijkant, het midden of de rechter zijkant. De rechtbank gaat daarom in het voordeel van de verdachte uit van de linker zijkant als meetpunt. Omdat één weghelft 2,15 meter breed is, ligt dat punt op 1,15 meter rechts van het midden. Uit het dossier blijkt dat de auto 1,29 meter breed is (p. 113) en de banden 14,5 cm breed zijn (p. 100). Bij het begin van de slip was de linkerkant van de auto dus 1,145 meter links van het meetpunt van spoor 1. Hieruit concludeert de rechtbank dat de verdachte op dat moment nog (net) volledig op zijn eigen weghelft reed.

Zijn indicatieve snelheid was toen tussen 53 km/h en 61 km/h en dus op of onder de ter plaatse toegestane maximumsnelheid. Naar het oordeel van de rechtbank is de bocht naar links niet zodanig onoverzichtelijk dat de verdachte zijn snelheid hierop had moeten aanpassen. Daarnaast is de rijbaan breed genoeg. De rijbaan heeft immers een breedte van ongeveer 4,3 meter en het motorrijtuig van de verdachte had een breedte van 1,29 meter waardoor de verdachte en de fietsers elkaar, ieder rijdend op hun eigen weghelft, hadden moeten kunnen passeren.

De verdachte is met zijn motorrijtuig desondanks kennelijk vanwege het remmen of een stuurbeweging in een slip geraakt, waardoor hij op de linker weghelft terecht is gekomen en in botsing gekomen met de aldaar fietsende slachtoffers. Over de aanleiding voor deze slip geeft het dossier geen informatie, behalve de verklaring van de verdachte. De verdachte heeft daarover verklaard dat hij schrok van de fietsers, die onverwacht breed fietsten, en daarom remde waardoor hij in een slip terecht kwam.

Het VOA-rapport beschrijft dat slachtoffer [slachtoffer 1] op het moment van de botsing ongeveer midden op zijn eigen weghelft reed en dat slachtoffer [slachtoffer 2] op het moment van de botsing ‘een schuinstand naar rechts’ had en ‘mogelijk nog uitgeweken’ was richting de berm. Deze conclusies passen naar het oordeel van de rechtbank even goed in het scenario van de verdachte als in het scenario van de officier van justitie. De deskundige rapporteert immers niet waar de fietsers reden op het moment van de blik, de schrik en de slip.

Niet kan dus worden vastgesteld wie waar reed en hoe werd gereden in de momenten voorafgaand aan de laatste seconde. De verdachte reed ten tijde van het ontstaan van het eerste slipspoor niet onvoldoende rechts, niet te hard, hij was niet onder invloed van middelen en er zijn rond het tijdstip van het ongeval geen gebruikershandelingen in de data van de telefoon van de verdachte aangetroffen. Ook is niet gebleken dat de verdachte anderszins was afgeleid van het verkeer.

De rechtbank is – al het voorgaande overwegende – van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een verkeersfout. Aldus kan ook niet worden vastgesteld dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld, in die zin dat sprake is van schuld als bedoeld in artikel 6 WVW, of dat sprake is van een zekere mate van concreet gevaarzettend gedrag dat inbreuk maakt op de veiligheid van de weg in de zin van artikel 5 WVW. De rechtbank zal de verdachte dan ook om die reden vrijspreken van het primair en subsidiair tenlastegelegde.

De rechtbank hecht eraan te benadrukken dat het verdriet van de nabestaanden door het overlijden van hun echtgenoot en vader en de ernst van het opgelopen letsel van slachtoffer [slachtoffer 2] onvoorstelbaar groot moet zijn. De rechtbank betreurt dit ten zeerste. Voor zover uit dit onderzoek blijkt, was het echter een noodlottig ongeval en geen strafbaar feit.
<nr>4</nr>De beslissing
De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het primair en subsidiair tenlastegelegde.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.P.J. van de Pasch, voorzitter, mr. I.T.H.L. van de Bergh en mr. J. van Berchum, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C.G. Taranto, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 3 juli 2026.

Buiten staat

Mr. J. van Berchum is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 7 september 2024 te Koningsbosch, gemeente Echt-Susteren als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, [straatnaam 1] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag, te weten, dat verdachte:

- op voornoemde weg heeft gereden waarbij hij zijn voertuig niet voldoende rechts heeft gehouden en/of voornoemd voertuig niet tijdig tot stilstand heeft gebracht binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of zijn voertuig onvoldoende onder controle heeft gehouden, waardoor hij geheel of gedeeltelijk op de voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook, in aanrijding is gekomen met twee zich op die rijstrook bevindende fietsers, waardoor een ander, te weten [slachtoffer 1] werd gedood en/of een ander, te weten [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 7 september 2024 te Koningsbosch, gemeente Echt-Susteren als bestuurder van een voertuig (motorrijtuig), daarmee rijdende op de weg, [straatnaam 1] ,

- op voornoemde weg heeft gereden waarbij hij zijn voertuig niet voldoende rechts heeft gehouden en/of voornoemd voertuig niet tijdig tot stilstand heeft gebracht binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of zijn voertuig onvoldoende onder controle heeft gehouden, waardoor hij geheel of gedeeltelijk op de voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook, in aanrijding is gekomen met twee zich op die rijstrook bevindende fietsers,, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Artikel delen