Veroordeling wegens het in vereniging plegen van voorbereidingshandelingen voor de productie van drugs. Oplegging van een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf.
Rechtbank Limburg 6 July 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:RBLIM:2026:6516
Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
06-07-2026
Datum publicatie
06-07-2026
Zaaknummer
03.142029.24
Rechtsgebied
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI:NL:RBLIM:2026:6516text/xmlpublic2026-07-06T15:00:192026-07-06Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Limburg2026-07-0603.142029.24UitspraakEerste aanleg - meervoudigNLMaastrichtStrafrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6516text/htmlpublic2026-07-06T11:12:252026-07-06Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBLIM:2026:6516 Rechtbank Limburg , 06-07-2026 / 03.142029.24 Veroordeling wegens het in vereniging plegen van voorbereidingshandelingen voor de productie van drugs. Oplegging van een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf.
RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Strafrecht Parketnummer : 03.142029.24 Tegenspraak (gemachtigde raadsman) Vonnis van de meervoudige kamer van 6 juli 2026 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens] 1991,
wonende te [adres 1] . De verdachte wordt bijgestaan door mr. P.E. van Zon, advocaat kantoorhoudende te Eindhoven. 1Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 juni 2026. De verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de strafzaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 1] met het parketnummer 03.277358.23 en de strafzaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 2] met het parketnummer 03.268186.23. 2De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:
op 12 oktober 2023 de productie van heroïne, cocaïne, metamfetamine of in ieder geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I heeft voorbereid en bevorderd. 3De beoordeling van het bewijs3.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het feit bewezen. De politie heeft op 12 oktober 2023 in de woning van de medeverdachte [medeverdachte 1] allerlei goederen voor de productie van drugs aangetroffen. Van de verdachte is DNA aangetroffen op een van deze goederen, te weten een aldaar aangetroffen gasmaker. De verdachte heeft daarvoor geen verklaring gegeven, anders dan dat hij wel eens in die woning kwam. 3.2 Het standpunt van de verdediging
De verdediging concludeert tot vrijspraak. De verdediging voert daartoe aan dat het enige mogelijke bewijsmiddel een DNA spoor betreft op een verplaatsbaar voorwerp, waarvan niet vaststaat dat het delict gerelateerd is. Subsidiair voert de verdediging aan dat alleen het voorhanden hebben van een gasmasker niet voldoende is om voorbereidingshandelingen te bewijzen. 3.3 Het oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
Ter bevordering van de leesbaarheid van dit vonnis, heeft de rechtbank de bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in bijlage II. De overwegingen van de rechtbank
Op grond van die bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de productie van drugs. De rechtbank overweegt daartoe in het bijzonder als volgt. De medeverdachte [medeverdachte 2] is op 12 oktober 2023 door de politie aangetroffen onder het balkon van de woning aan de [adres 2] te Heerlen. [medeverdachte 2] hing – voordat de politie ter plekke kwam – aan dat balkon en hij is van dit balkon naar beneden gevallen, nadat een andere man heeft geprobeerd hem omhoog te trekken. Bij controle van de telefoon van [medeverdachte 2] kreeg de politie het vermoeden dat hij zich bezighield met (de productie van) verdovende middelen. De politie is daarop voornoemde woning binnengetreden en trof daar een hoeveelheid drugs aan en de tenlastegelegde voorwerpen en stoffen. Die voorwerpen en stoffen konden gebruikt worden voor de productie van synthetische drugs. De huurder van voornoemde woning is de medeverdachte [medeverdachte 1] . In de woning is op een dressoir in de woonkamer een gasmasker aangetroffen met daarop het DNA van de verdachte en op het tv-meubel een gasmasker met daarop het DNA van de medeverdachte [medeverdachte 2] . Er is DNA van de verdachte aangetroffen rondom de filterventielen aan de binnenzijde van het gasmasker. Op het gehele contactvlak met het gezicht van datzelfde gasmasker is daarnaast een DNA mengprofiel aangetroffen, met het DNA-hoofdprofiel van de verdachte. Het gasmasker betreft weliswaar een verplaatsbaar object, maar het wordt in de woning van de medeverdachte [medeverdachte 1] aangetroffen in combinatie met drugs en een grote hoeveelheid andere voorwerpen die bedoeld zijn om harddrugs te vervaardigen. Daarom acht de rechtbank (de aanwezigheid van) dit gasmasker een daderspoor. Daarbij komt dat het procesdossier aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat het drugsgerelateerde strafbare feit, gepleegd in de woning van de medeverdachte [medeverdachte 1] , door meerdere personen is gepleegd. Er zijn immers dadersporen aangetroffen en wel van de verdachte en van medeverdachte [medeverdachte 2] , terwijl dit zich allemaal heeft afgespeeld in de woning van de andere medeverdachte, [medeverdachte 1] . En in een geval als dit, waarbij er aldus redengevende feiten en omstandigheden zijn die wijzen op een samenwerkingsverband waarvan de verdachte deel heeft uitgemaakt, mag van de verdachte een aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring worden verwacht. Die is door de verdachte niet gegeven. De verdachte heeft bij de politie slechts verklaard dat hij een paar keer in de woning van de medeverdachte [medeverdachte 1] is geweest en dat hij niet weet wat hij toen heeft aangeraakt. De rechtbank concludeert, op grond van het voorgaande, dat de verdachte samen met anderen zich schuldig gemaakt geeft aan het hem tenlastegelegde. Uit de bewijsmiddelen volgt overigens niet specifiek welke drugs geproduceerd zouden gaan worden, nu daarin enkel wordt gesproken over substanties voor de productie van synthetische drugs. De rechtbank acht daarmee niet bewezen dat de voorbereidingshandelingen specifiek gericht waren op de productie van heroïne, cocaïne en/of metamfetamine, maar wel op een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I. 3.4 De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
op 12 oktober 2023 in de gemeente Heerlen tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervaardigen van een (of meer) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen,
- twee gasmaskers (met filter), en
- een paar rubberen handschoenen, en
- een weegschaal, en
- een speciekuip, en
- een maatbeker, en
- een mes, en
- een (of meer) spatel(s), en
- een (of meer) jerrycan(s), en
- een zak met het opschrift ‘Caus 5 kg’, en
- een zak met het opschrift ‘Perka 3 kg’, en
- een zak met het opschrijft ‘Wijnsteen 2,5 kg’,
zijnde voorwerpen en stoffen waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, voorhanden heeft gehad. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. 5De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6De straf6.1 De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden. 6.2 Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de strafmaat. 6.3 Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. De verdachte heeft zich met anderen schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor de productie van synthetische drugs. De verdachte is daardoor medeverantwoordelijk voor de nadelige effecten die het gebruik van harddrugs veroorzaakt voor de volksgezondheid en de criminaliteit die met harddrugs gepaard gaat. Ook brengt de opslag van grondstoffen die worden gebruikt bij het vervaardigen en bewerken van harddrugs grote risico’s met zich mee, zoals brand- en ontploffingsgevaar en het vrijkomen van giftige dampen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de productiemiddelen zijn aangetroffen in een appartement in een woonwijk. Van de mogelijke gevolgen voor de omwonenden heeft de verdachte zich kennelijk niets aangetrokken. Gelet op de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend is. Daarbij heeft de rechtbank gelet op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de verdachte geen openheid van zaken heeft willen geven en geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. De rechtbank dient er rekening mee te houden dat in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. In dit geval is de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn aangevangen op 9 april 2024, de datum waarop de verdachte in verzekering is gesteld. Dit betekent dat de redelijke termijn van twee jaren met bijna 3 maanden is overschreden. Van bijzondere omstandigheden die deze termijnoverschrijding kunnen rechtvaardigen, is niet gebleken. Zonder overschrijding van de redelijke termijn had de rechtbank aan de verdachte opgelegd een gevangenisstraf van 200 dagen waarvan een deel voorwaardelijk. Nu deze redelijke termijn wel is overschreden, zal de rechtbank aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf van 180 dagen waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Het voorwaardelijke deel dient als een waarschuwing aan de verdachte: mocht hij nog eens overwegen om de wet te overtreden, dan weet hij wat hem mogelijk te wachten staat. 7De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c en 47 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10a van de Opiumwet. 8De beslissing De rechtbank: Bewezenverklaring verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven; spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven; verklaart de verdachte strafbaar; Straf veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren; beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van twee jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Dit vonnis is gewezen door mr. D. Osmić, voorzitter, mr. M.E.M.W. Nuijts en mr. T.C.M. Smeets, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.A.H. Bohnen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 6 juli 2026. Buiten staat
De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE I: De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
hij, op of omstreeks 12 oktober 2023 in de gemeente Heerlen tezamen en
in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, om een feit,
bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te
weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland
brengen, en/of
- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen,
afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of
- het opzettelijk vervaardigen, van een (of meer) hoeveelhe(i)d(en) heroïne, cocaïne en/of metamfetamine, in elk geval een (of meer)
middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet,
voor te bereiden en/of te bevorderen,
- twee gasmaskers (met filter), en/of
- een paar rubberen handschoenen, en/of
- een weegschaal, en/of
- een speciekuip, en/of
- een maatbeker, en/of
- een mes, en/of
- een (of meer) spatel(s), en/of
- een (of meer) jerrycan(s), en/of
- een zak met het opschrift ‘Caus 5 kg’, en/of
- een zak met het opschrift ‘Perka 3 kg’, en/of
- een zak met het opschrijft ‘Wijnsteen 2,5 kg, zijnde voorwerpen en/of stoffen waarvan hij, verdachte, en/of zijn
mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat
zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, voorhanden heeft gehad. BIJLAGE II: De bewijsmiddelen Het proces-verbaal van bevindingen van 12 oktober 2023, p.20-21
Op donderdag 12 oktober 2023 bevonden wij ons op de openbare weg, de [adres 2] te Heerlen, aan de achterzijde van de aldaar gelegen flat. Wij zagen dat er aan de achterzijde van de flat een persoon op de grond lag. Wij zagen dat deze persoon lag onder het tweede balkon gezien vanaf de [straatnaam 1] . Ik liep naar de vrouw die eerder bij de gewone man stond. Zij verklaarde dat zij de man aan het balkon had zien hangen en dat een andere man deze man naar boven wilde trekken. Dat de man uiteindelijk toch viel en dat de andere man na een aantal minuten kwam kijken bij de gewonde en meteen ook weer weg liep. Teneinde de identiteit van de gewonde man te achterhalen bekeken wij de telefoon van het slachtoffer. Wij openden de telefoon en zagen in de fotogalerij foto's waarop vermoedelijk verdovende middelen, en de productie hiervan, te zien waren. Het proces-verbaal van bevindingen van 12 oktober 2023, p.23-24
Op 12 oktober 2023 was ik op de [adres 2] / [straatnaam 2] in verband met een incident hulpverlening van een persoon die vanaf een balkon omlaag was gevallen. Ter plaatse kon achterhaald worden dat het om appartement [huisnummer] ging. Terwijl ik de woning betrad, rook ik bij binnenkomst in de woonkamer een weeïge geur, mij bekend als de geur van amfetamine. Ik zag diverse aanwijzingen waaruit ik vermoedde dat er in de woning harddrugs vervaardigd werden. Ik zag onder andere in de woonkamer:
- Naast de tv een geel gasmasker liggen met een filterbus.
- Op het dressoir in de woonkamer lagen resten wit poeder en doorzichtige kristallen, alsmede gele rubberen handschoenen, een zwart gasmasker met filter en een weegschaal
met resten kristalachtige stof. In de keuken stond een witte speciekuip met daarin een oa een maatbeker, een mes, en spatels. Vervolgens zag ik op het balkon meerdere jerrycans staan. Het proces-verbaal van aanhouding verdachte van 12 oktober 2023, p.245
Op donderdag 12 oktober 2023 gingen wij ter plaatse in het Zuyderland ziekenhuis in Heerlen op verzoek van officier van dienst politie [naam] . Aldaar zou een onbekende man liggen die eerder op de dag van een balkon was gevallen. Volgens [naam] zou er een drugslab zijn aangetroffen in de woning waar de man van zou zijn gevallen. Aldaar troffen wij een Spaanssprekende man aan die aangaf [medeverdachte 2] te heten. Het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagname van 13 oktober 2023, p.34
Op 12 oktober 2023 werd voor een doorzoeking ter inbeslagneming binnengetreden in de woning, [adres 2] Heerlen. Tijdens de doorzoeking werd het volgende in beslag genomen: Gasmasker zwart (Partij 1), Gasmasker geel (Partij 3), Zakje cocaïne (Partij 14), Handschoenen zwart (Partij 2), Zakje brok heroïne (Partij 4), Zakje brok heroïne (Partij 5), Bolletje cocaïne (Partij 11), Zakje MDMA wit (Partij 17), Zakje MDMA bruin (Partij 18), Zak met opschrift “Caus 5kg” (Partij 19), Zak kleur paars met vloeistof (Partij 20), Zak met opschrift “Perka 3kg” (Partij 21), Zak met opschrift “Wijnsteen 2kkg” (Partij 22). Het proces-verbaal van bevindingen van 24 oktober 2023, p.117
Het is mij ambtshalve bekend dat de combinatie van de substantie Caus, Perka, Wijnsteen en Amfetamine gebruikt kan worden voor de productie van synthetische drugs. Het proces-verbaal van bevindingen van 12 oktober 2023, p.163
Naar aanleiding van het ontvangen huurcontract van Wonen Limburg in relatie tot het appartement: [adres 2] te Heerlen, ben ik in gesprek gegaan met een medewerker van Wonen Limburg. Op het overzicht zijn twee bankrekeningnummers weergegeven in relatie tot de hoofdhuurder [medeverdachte 1] . Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte [verdachte] van 9 april 2024, p.295-300
V: Door verbalisanten wordt onderstaande foto op A4( [medeverdachte 1] ) formaat getoond aan de verdachte. Herkent u deze man?A: Ja, dat is [medeverdachte 1] .V: Weet u waar deze persoon woont?A: Ik ben een paar keer bij hem thuis geweest. Ik weet waar hij woont. Het adres weet ik niet, het is in Heerlen. Het proces-verbaal van bevindingen van 22 november 2023, p.180
Op 12 oktober 2023 werd in de woning [adres 2] te Heerlen een productielocatie voor synthetische drugs aangetroffen. In het appartement werden diverse goederen bemonsterd voor DNA-onderzoek. AAPV8333NL: een zwart gasmasker aangetroffen op het grote dressoir in de woonkamer. De kennisgeving van inbeslagneming van 13 oktober 2023, p.91
Plaats: [adres 2] Heerlen
Datum en tijd: 12 oktober 2023 te 19:00 uur
AAPV8333NL: zwartkleurig gasmasker (aangetroffen woonkamer) De kennisgeving van inbeslagneming van 13 oktober 2023, p.95
Plaats: [adres 2] Heerlen
Datum en tijd: 12 oktober 2023 te 19:00 uur
AAPV8335NL: geelkleurig gasmasker (aangetroffen woonkamer) De deskundigenrapportage van dr. PJ. Herbergs, forensisch DNA-deskundige, verbonden aan The Maastricht Forensic Institute, van 16 november 2023, p.182-188
Bemonstering: Gehele contactvlak met het gezicht van het gasmasker (met SIN AAPV8335NL)
DNA-profiel: DNA-mengprofiel afkomstig van celmateriaal van minimaal drie donoren, van wie zeker één man.*
Mogelijke donor van celmateriaal: Verdachte [medeverdachte 2] .
Om een uitspraak te doen over het mogelijk aanwezig zijn van celmateriaal van verdachte [medeverdachte 2] in de bemonstering 'gehele contactvlak met het gezicht van het gasmasker (met SIN AAPV8335NL) AAQJ4430NL' is de likelihood-ratio (LR) methode toegepast. Daarbij worden de resultaten bezien in het licht van twee, elkaar uitsluitende hypothesen:
Hypothese 1: de bemonstering van het spoor bevat DNA van verdachte [medeverdachte 2] en twee onbekende, niet verwante personen.
Hypothese 2: de bemonstering van het spoor bevat DNA van drie onbekende, niet verwante
personen.
De resultaten van het onderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 juist is dan wanneer hypothese 2 juist is. Bemonstering: Gehele contactvlak met het gezicht van gasmasker (met SIN AAPV8333NL)DNA-profiel: DNA-mengprofiel afkomstig van celmateriaal van minimaal drie donoren, van wie zeker één man.* Er is een DNA-hoofdprofiel afgeleid van een man. De frequentie van het DNA-hoofdprofiel is kleiner dan één op één miljard.
Mogelijke donor van celmateriaal: [verdachte] (DNA-hoofdprofiel) Bemonstering: Rondom de filterventielen aan de binnenzijde van het gasmasker (met SIN AAPV8333NL)
DNA-profiel: DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard
Mogelijke donor van celmateriaal: [verdachte] Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van de Districtsrecherche Parkstad-Limburg, proces-verbaalnummer LB2R023104-51, gesloten d.d. 15 februari 2024, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 305.