Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBLIM:2026:7511

kort geding (huurrecht) ontruiming toegewezen

Rechtbank Limburg 21 August 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBLIM:2026:7511 text/xml public 2026-08-21T08:57:39 2026-07-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-07-31 12289615 CV EXPL 26-3381 Uitspraak Kort geding NL Roermond Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:7511 text/html public 2026-08-19T15:44:31 2026-08-21 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:7511 Rechtbank Limburg , 31-07-2026 / 12289615 CV EXPL 26-3381
kort geding (huurrecht) ontruiming toegewezen

RECHTBANK LIMBURG

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 12289615 CV EXPL 26-3381

Vonnis in kort geding van 31 juli 2026

in de zaak van

[verhuurster] ,

te [woonplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [verhuurster] ,

gemachtigde: mr. G.M.O. Puddu,

tegen
<nr>1</nr> [huurder 1] ,
te [woonplaats] ,2. [huurder 2],

te [woonplaats] ,

gedaagde partijen,

hierna samen te noemen: [huurders] ,

niet verschenen.
<nr>1</nr>De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 8,

- de e-mail van 14 juli 2026 van [huurder 2] waarbij zij verzocht heeft om uitstel van de

mondelinge behandeling,

- de reactie van mr. Puddo op voornoemd uitstelverzoek, zoals gevoegd bij zijn e-mail van

14 juli 2026,

- de e-mail van 17 juli 2026 van [huurder 2] waarbij zij wederom verzoekt om uitstel van de

mondelinge behandeling,- de mondelinge behandeling van 17 juli 2026,

- het tegen [huurders] verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
<nr>2</nr>De feiten 2.1.
[huurders] huren sinds 1 november 2024 van [verhuurster] voor onbepaalde tijd het appartement aan de [adres] te [postcode] [woonplaats] (hierna: het gehuurde). De huurprijs bedraagt laatstelijk € 860,00 per maand en moet telkens vóór of op de eerste dag van iedere maand bij vooruitbetaling worden voldaan.
2.2.
[huurders] hebben vanaf december 2025 een huurachterstand laten ontstaan van acht maanden. De achterstand bedraagt tot en met juli 2026 € 6.880,00.
2.3.
Bij e-mail van 3 juni 2026 heeft de gemachtigde van [verhuurster] een aanmaning gestuurd naar [huurders] .
<nr>3</nr>Het geschil 3.1.
[verhuurster] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

bepaalt dat [huurders] , ieder hoofdelijk, het gehuurde aan de [adres] te ( [postcode] ) [woonplaats] ontruimen en verlaten,

[huurders] , ieder hoofdelijk, veroordeelt tot betaling van de huurachterstand van € 6.880,00 tot en met juli 2025,

[huurders] , ieder hoofdelijk, veroordeelt tot betaling van de (toekomstige) huur/gebruiksvergoeding vanaf 1 augustus 2026 ad € 860,00 per maand tot aan het moment van ontruiming,

[huurders] , ieder hoofdelijk, veroordeelt tot betaling van € 2.500,00 aan schade welke door hen aan het gehuurde is toegebracht,

[huurders] , ieder hoofdelijk, veroordeelt tot vergoeding van rente en proceskosten.
3.2.
[verhuurster] legt aan de vordering ten grondslag dat [huurders] tekortschieten in de nakoming van hun verplichtingen uit de huurovereenkomst. Volgens [verhuurster] hebben [huurders] een huurachterstand laten ontstaan van acht maanden, welke tot en met juli 2026 € 6.880,00 bedraagt. [verhuurster] stelt dat [huurders] structureel niet aan hun betalingsverplichtingen voldoen, terwijl zij zelf gehouden is haar financiële verplichtingen, waaronder de hypotheeklasten, te voldoen. Volgens [verhuurster] bestaat de verwachting dat [huurders] de huurachterstand verder zullen laten oplopen en de toekomstige huurtermijnen onbetaald zullen laten. Daarnaast vordert [verhuurster] een voorschot op schadevergoeding van € 2.500,00 wegens schade aan het gehuurde en de kosten van herstel daarvan.
3.3.
[huurders] zijn niet verschenen en hebben aldus geen verweer gevoerd.
<nr>4</nr>De beoordeling
Ten aanzien van het verzoek van [huurders] om uitstel van de mondelinge behandeling
4.1.
[huurder 2] heeft bij e-mail van 14 juli 2026 verzocht om uitstel van de mondelinge behandeling. Daaraan heeft zij ten grondslag gelegd dat zij een ziekenhuisbehandeling moest ondergaan, [huurder 1] wegens medicatie niet ter zitting kon verschijnen en zij meer tijd nodig hadden om bewijsstukken te verzamelen en een advocaat in te schakelen. Uit het dossier blijkt echter dat [verhuurster] reeds meermalen [huurders] schriftelijk in de gelegenheid heeft gesteld hun standpunt te onderbouwen en bescheiden over te leggen. Daarnaast is tevens aan [huurders] verzocht hun verhinderdata op te geven, waarop geen reactie is ontvangen. De kantonrechter heeft het uitstelverzoek daarom afgewezen en bepaald dat de mondelinge behandeling doorgang zou vinden.
4.2.
Op de ochtend van de mondelinge behandeling heeft [huurder 2] opnieuw per e-mail verzocht om uitstel van de mondelinge behandeling, ditmaal omdat zij was opgenomen in het ziekenhuis. Nu hierin geen andere omstandigheden naar voren zijn gebracht dan de omstandigheden die al bij de eerdere afwijzing van het uitstelverzoek zijn betrokken, en bovendien uit dit verzoek niet bleek dat ook [huurder 1] verhinderd was de mondelinge behandeling bij te wonen, heeft de kantonrechter geen aanleiding gezien de behandeling aan te houden. De mondelinge behandeling heeft vervolgens doorgang gevonden.

Verstekverlening
4.3.
[huurders] zijn niet op de mondelinge behandeling verschenen. Uit het exploot van dagvaarding is gebleken dat zij correct en tijdig zijn opgeroepen voor de zitting van 17 juli 2026. Aangezien ook de overige bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht zijn genomen, is verstek verleend tegen [huurders] .

Huurachterstand en voorschot schadevergoeding
4.4.
Een voorziening in kort geding kan slechts worden getroffen als de partij die de voorziening (ordemaatregel) vordert, daarbij een spoedeisend belang heeft. Dit volgt uit artikel 254 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). [verhuurster] zal gelet hierop feiten en omstandigheden aannemelijk moeten maken, die meebrengen dat de gevorderde voorzieningen uit hoofde van onverwijlde spoed noodzakelijk zijn en dat de uitkomst van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de vraag of een eisende partij in kort geding voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, moet worden beantwoord aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak.
4.5.
Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, geldt bovendien dat terughoudendheid op zijn plaats is. De rechter zal daarbij niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van de belangen van partijen moet de rechter mede betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen.
4.6.
Voor de vordering die strekt tot ontruiming van het gehuurde en tot betaling van de huurachterstand geldt dat [verhuurster] een spoedeisend belang heeft bij de beoordeling van haar vorderingen in kort geding. De huurbetalingsverplichting betreft immers een kernverplichting uit de huurovereenkomst die, zoals [verhuurster] stelt, niet wordt nagekomen. [verhuurster] heeft onweersproken gesteld dat ondanks herhaalde betalingsherinneringen iedere betaling is uitgebleven waardoor de huurachterstand alleen maar oploopt. Bij deze stand van zaken kan van [verhuurster] dan ook niet worden gevergd dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. Het spoedeisend belang bij beoordeling van de vordering tot ontruiming van het gehuurde en betaling van de achterstallige huurpenningen in kort geding is hiermee gegeven. Aangezien de huurachterstand niet is weersproken, zal de gevorderde betaling daarvan worden toegewezen.
4.7.
Ten aanzien van de gevorderde voorschotbetaling van € 2.500,00 wegens schade aan het gehuurde en toekomstige herstelkosten ligt dat anders. [verhuurster] heeft onvoldoende gesteld waaruit volgt dat zij een spoedeisend belang heeft bij toewijzing van deze geldvordering in kort geding. Reeds daarom is deze vordering niet toewijsbaar.

Daarnaast heeft [verhuurster] deze vordering niet onderbouwd, bijvoorbeeld door concrete stukken te overleggen, waaruit de gestelde schade en de omvang daarvan blijken. De gevorderde voorschotbetaling van € 2.500,00 zal daarom worden afgewezen.

Ontruiming
4.8.
De kantonrechter stelt voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht. In een procedure in kort geding is namelijk geen plaats voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is. Voor toewijzing van de vordering is dan ook alleen plaats als (1) de verhuurder daarbij een spoedeisend belang heeft dat voorgaat op het belang van de huurder en (2) voldoende aannemelijk is dat in een bodemprocedure de huurovereenkomst wordt ontbonden.
4.9.
De ontruimingsvordering is toewijsbaar. [verhuurster] heeft onweersproken gesteld dat [huurders] al vanaf december 2025 een betalingsachterstand hebben laten ontstaan. Tevens staat vast, want [huurders] betwisten dat niet, dat de huurachterstand ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding over de periode december 2025 tot en met juli 2026 € 6.880,00 bedraagt. Dat is een achterstand van acht maanden.
4.10.
Het niet tijdig betalen van de huurpenningen levert een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst op. In artikel 6:265 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat iedere tekortkoming in de nakoming van een overeenkomst de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Als het gaat om woonruimte, wordt een huurachterstand van drie maanden in beginsel zo ernstig geacht dat ontbinding van de huurovereenkomst is gerechtvaardigd. In dit geval bedraagt de huurachterstand acht maanden zonder dat een kenbare poging wordt gedaan om het tij te keren. Gelet hierop en in aanmerking nemend dat geen feiten of omstandigheden naar voren zijn gekomen op basis waarvan kan worden geoordeeld dat ontbinding van de huurovereenkomst in dit geval niet is gerechtvaardigd, acht de kantonrechter het voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst zal worden toegewezen. Van [verhuurster] kan niet gevergd worden dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht, waarbij de kans aanzienlijk is dat de huurachterstand nog verder oploopt. De ontruimingsvordering zal daarom worden toegewezen. Er zal een redelijke ontruimingstermijn van twee weken gehanteerd moeten worden.
4.11.
De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie zal worden afgewezen. De in de wet aan de deurwaarder verleende bevoegdheden tot reële executie (artikelen 555 en verder, in verbinding met artikel 444 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) worden toereikend geacht, zodat [verhuurster] bij een afzonderlijke machtiging geen belang heeft.

Proceskosten
4.12.
[huurders] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verhuurster] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

154,10

- griffierecht

€

93,00

- salaris gemachtigde

€

577,00

- nakosten

€

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

968,10

Hoofdelijkheid
4.13.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.
<nr>5</nr>De beslissing
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [huurders] om binnen twee weken na betekening van dit vonnis het gehuurde aan het adres [adres] te ( [postcode] ) [woonplaats] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [verhuurster] zijn, en de sleutels af te geven aan [verhuurster] ,
5.2.
veroordeelt [huurders] hoofdelijk om te betalen aan [verhuurster] :

a. a) € 6.880,00 aan achterstallige huur tot en met 31 juli 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde huurtermijnen, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die huurtermijnen tot de dag van voldoening,

b) € 860,00 per maand vanaf 1 augustus 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,
5.3.
veroordeelt [huurders] hoofdelijk in de proceskosten van € 968,10, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [huurders] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Dohmen en in het openbaar uitgesproken door

mr. Van den Berg Jeths-van Meerwijk op 31 juli 2026.

Artikel delen