Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBLIM:2026:9752

Vordering is onvoldoende onderbouwd en wordt afgewezen.

Rechtbank Limburg 1 October 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBLIM:2026:9752 text/xml public 2026-10-01T08:57:38 2026-09-14 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-09-23 12195420 CV EXPL 26-2197 Uitspraak Bodemzaak NL Maastricht Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:9752 text/html public 2026-10-01T08:57:07 2026-10-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:9752 Rechtbank Limburg , 23-09-2026 / 12195420 CV EXPL 26-2197
Vordering is onvoldoende onderbouwd en wordt afgewezen.

RECHTBANK LIMBURG

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 12195420 CV EXPL 26-2197

Vonnis van 23 september 2026

in de zaak van

ACADEMISCH ZIEKENHUIS MAASTRICHT,

te Maastricht,

eisende partij,

hierna te noemen: AZM,

gemachtigde: Janssen & Janssen c.s. Gerechtsdeurwaarders Eindhoven,

tegen

[gedaagde] ,

te [plaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

procederend in persoon.
<nr>1</nr>De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het exploot van dagvaarding van 10 april 2026 met producties 1 en 2;

- de schriftelijke weergave van het mondelinge antwoord;

- de brief waarin aan partijen is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;

- het e-mailbericht van Janssen & Janssen Gerechtsdeurwaarders van 27 augustus 2026 met producties 3 tot en met 7;

- het e-mailbericht van Janssen & Janssen Gerechtsdeurwaarders van 8 september 2026 met productie 8;

- de mondelinge behandeling van 9 september 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
<nr>2</nr>De feiten 2.1.
[gedaagde] is bij AZM in dienst getreden op 1 juli 2024. Zij heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd per 1 november 2024.
<nr>3</nr>Het geschil 3.1.
AZM vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 568,05, bestaande uit een hoofdsom van € 453,21, reeds vervallen wettelijke rente van € 32,58 en buitengerechtelijke incassokosten van € 82,26, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 480,48 vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling, alsmede tot betaling van de proceskosten.
3.2.
AZM legt in de dagvaarding aan de vorderingen ten grondslag dat zorg is verleend aan [gedaagde] en dat [gedaagde] de rekening daarvoor niet heeft betaald. Verderop in de dagvaarding vermeldt AZM echter dat “AZM in de periode van 26 november 2024 een negatief salaris heeft gemeld bij [gedaagde] ”. Een alinea later gaat het dan weer om een vergoeding voor een behandeling van € 453,21. Omdat [gedaagde] niet tot betaling van de openstaande factuur is overgegaan vordert AZM ook de buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente over het openstaande factuurbedrag.
3.3.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van AZM, met veroordeling van AZM in de kosten van deze procedure. [gedaagde] voert aan dat de dagvaarding fouten bevat en dat het voor haar onduidelijk is waaruit de vordering bestaat en hoe deze is opgebouwd. Zij heeft nooit zorg ontvangen in het AZM maar is daar in dienst geweest van 1 juli tot 1 november 2024. [gedaagde] heeft in november 2025 voor het eerst een brief ontvangen over deze kwestie en heeft meteen daarna telefonisch contact opgenomen met zowel het AZM als het deurwaarderskantoor maar heeft tijdens die gesprekken ook geen opheldering over de totstandkoming en opbouw van het factuurbedrag gekregen. Omdat AZM ook in de dagvaarding niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe de vordering is opgebouwd, is het voor haar onmogelijk om fatsoenlijk verweer te voeren in deze procedure, aldus [gedaagde] .
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
<nr>4</nr>De beoordeling 4.1.
De kantonrechter is het met [gedaagde] eens dat de dagvaarding uitblinkt in onduidelijkheid. De dagvaarding vermeldt twee verschillen grondslagen van de vordering, die ook nog eens afwisselend worden gehanteerd. Daarnaast bevat de als productie 1 overgelegde factuur waarop ‘negatief salaris’ staat geen enkele onderbouwing of berekening van het factuurbedrag zodat onduidelijk is waarop dit bedrag betrekking heeft. De bij dagvaarding als productie 2 overgelegde aanmaning is bovendien gericht aan een ander persoon en heeft betrekking op een andere factuur zodat ook deze productie geen opheldering over de vordering biedt.
4.2.
AZM heeft ten behoeve van de mondelinge behandeling nog een aantal producties in het geding gebracht, waaronder een concept loonstrook over oktober 2024 waarop inderdaad een negatief loon wordt vermeld van € 453,21. [gedaagde] heeft echter aangevoerd dat zij nooit een definitieve eindafrekening van haar dienstverband heeft ontvangen maar wel nog een uitbetaling van overuren. Waarom die overuren dan niet meteen zijn verrekend met het – door AZM gestelde – teveel uitbetaalde salaris blijft echter een raadsel aangezien er niemand van AZM is verschenen tijdens de mondelinge behandeling zodat een verdere toelichting en/of onderbouwing is uitgebleven en er ook niet geantwoord kon worden op vragen van de kantonrechter daarover.
4.3.
Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat AZM onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die tot het oordeel zouden kunnen leiden dat [gedaagde] het gevorderde bedrag nog moet betalen. Het gevolg hiervan is dat de vordering van AZM zal worden afgewezen.
4.4.
Omdat de door AZM gevorderde hoofdsom wordt afgewezen, bestaat er geen aanleiding voor toewijzing van de daaraan gekoppelde rente en buitengerechtelijke incassokosten. Ook deze onderdelen van de vordering van AZM zullen daarom worden afgewezen.
4.5.
AZM zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten, plus de kosten van betekening van dit vonnis zoals vermeld in de beslissing. Nu [gedaagde] in persoon heeft geprocedeerd, zullen de noodzakelijke reis-, verblijf- en verletkosten tot op heden aan haar kant worden vastgesteld op een forfaitair bedrag van € 50,00 per zitting die zij heeft bijgewoond. De proceskosten van [gedaagde] worden daarom begroot op:

- verletkosten

€

100,00

(2 x € 50,-)

Totaal

€

100,00
<nr>5</nr>De beslissing
De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van AZM af,
5.2.
veroordeelt AZM in de proceskosten van € 100,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als AZM niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.

Dit vonnis is gewezen door mr. Otto en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026.

Artikel delen