ECLI:NL:RBMNE:2025:7974
530 Sv
Rechtbank Midden-Nederland 30 June 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI:NL:RBMNE:2025:7974
text/xml
public
2026-06-30T08:59:29
2026-06-26
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Midden-Nederland
2025-06-17
24-027316, 16-269788-24
Uitspraak
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Utrecht
Strafrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7974
text/html
public
2026-06-30T08:58:43
2026-06-30
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBMNE:2025:7974 Rechtbank Midden-Nederland , 17-06-2025 / 24-027316, 16-269788-24
530 Sv
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Afdeling Strafrecht
Zittingslocatie Utrecht
Parketnummer: 16-269788-24
Raadkamernummer: 24-027316
Beslissing van de enkelvoudige raadkamer in strafzaken, op het ter griffie van deze rechtbank ingekomen verzoekschrift op grond van het bepaalde in artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), van
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] ,
domicilie kiezende ten kantore van diens raadsman mr. R.I. Takens, advocaat te Amsterdam (hierna te noemen: verzoeker).
Procedure
Het verzoekschrift is in openbare raadkamer behandeld op 27 mei 2025. Gehoord zijn de officier van justitie, mr. L. de Jong en de raadsman. Verzoeker is, alhoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
Verzoek
Het verzoek strekt er toe dat de raadkamer een vergoeding toekent voor:
de kosten van een raadsman in de strafzaak ten bedrage van € 2.970,75;
de kosten van de raadsman voor het indienen en mondeling behandelen van het verzoekschrift.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het verzoek kan worden toegewezen en heeft verzocht de eventueel toe te kennen vergoeding te verrekenen met de bedragen zoals vermeld in het overzicht van het CJIB.
Beoordeling
De raadkamer heeft kennis genomen van de inhoud van een proces-verbaal met nummer PL0900-2024136065 en van voornoemd verzoekschrift. Hiernaast heeft de raadkamer acht geslagen op het door de raadsman overgelegde arrest van het gerechtshof Amsterdam van 25 maart 2025, vindplaats ECLI:NL:GHAMS:2025:981. In dit arrest heeft het gerechtshof Amsterdam overwogen dat gelet op de kosten van een auto de verzochte vergoeding van in rekening gebrachte reiskosten á 77 cent ex btw per kilometer niet in het oog springend bovenmatig is. De raadkamer sluit zich aan bij deze overweging en neemt deze over.
Op 31 oktober 2024 is aan verzoeker een kennisgeving verstuurd, inhoudende dat hij niet verder vervolgd zal worden.
Het verzoekschrift is op 4 november 2024 ter griffie van deze rechtbank ontvangen, derhalve binnen de in artikel 530 lid 4 jo. 529 lid 2 Sv genoemde termijn van drie maanden. Dat betekent dat verzoeker ontvankelijk is.
Nu de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, maakt verzoeker aanspraak op een vergoeding van de ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de strafzaak gemaakte reis- en verblijfkosten, de schade die daadwerkelijk geleden is ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling van de zaak ter terechtzitting, alsmede een vergoeding in de kosten van een raadsman.
De raadkamer beoordeelt het verzoek en de onderdelen daarvan als volgt.
Kosten raadsman rechtsbijstand strafzaak
De raadkamer is van oordeel dat er, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn voor de toekenning van een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand van een raadsman in een strafzaak. Bij de beoordeling van de omvang van de toe te kennen vergoeding slaat de raadkamer acht op de aard, de omvang en de feitelijke en juridische complexiteit van de zaak.
De raadkamer overweegt dat de raadsman namens verzoeker voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat alle verrichte en gedeclareerde werkzaamheden met het oog op een behoorlijke verdediging noodzakelijk zijn geweest. De opgegeven kosten worden gestaafd door de overgelegde urenspecificaties en declaraties en het beloop daarvan valt niet als bovenmatig aan te merken.
Ten aanzien van de door de raadsman in rekening gebrachte reiskosten is de raadkamer van oordeel dat er ook hiervoor de gevraagde vergoeding kan worden toegekend. De raadkamer wijst in dit verband naar het eerder genoemde arrest van het gerechtshof Amsterdam van 25 maart 2025, vindplaats ECLI:NL:GHAMS:2025:981.
De gevraagde vergoeding zal dan ook in zijn geheel worden toegekend tot een bedrag van € 2.970,75.
Kosten indienen en mondeling toelichten verzoek
De raadkamer is van oordeel dat aan kosten van de raadsman voor het indienen en mondeling toelichten van het verzoekschrift een vergoeding op zijn plaats is zoals die gewoonlijk wordt toegewezen, te weten € 680,- (inclusief btw).
Totaal
In totaal is derhalve op grond van artikel 530 Sv naar het oordeel van de raadkamer, alle omstandigheden in aanmerking genomen, een vergoeding toewijsbaar tot een bedrag van € 3.650,75.
De toe te kennen vergoeding, wordt op grond van artikel 534 Sv (deels) verrekend met aan de Staat onherroepelijk verschuldigde en nog niet betaalde geldsommen te zake van strafrechtelijke veroordeling. Uit gegevens van het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB) blijkt dat verzoeker, onherroepelijk, nog € 1.894,00 aan de Staat moet betalen.
Verzoeker heeft gelijktijdig met het onderhavige verzoekschrift een verzoekschrift ex artikel 533 Sv ingediend. Dit verzoekschrift is ook op 27 mei 2025 behandeld, waarna aan verzoeker een vergoeding van € 130,- is toegekend. Omdat dit bedrag al is verrekend met het door verzoeker aan het CJIB te betalen bedrag van € 1.894,-, blijft een openstaand bedrag over van € 1.764,-, dat zal worden verrekend.
Beslissing
De raadkamer:
kent toe aan verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding ten bedrage van € 3.650,75. (zegge: drieduizend zeshonderdvijftig euro en vijfenzeventig cent);
beveelt de griffier van deze rechtbank een deel van dit bedrag, groot € 1.764,00 ten gunste van het CJIB over te maken op rekeningnummer [nummer] , ten name van [naam] onder vermelding van [nummer] en het overige deel van dit bedrag, groot € 1.886,75 aan verzoeker uit te betalen op rekeningnummer [nummer] , t.n.v. [naam] te [plaats] onder vermelding van dossiernummer [nummer] .
Deze beslissing is gewezen door mr. E.H.M. Druijf, rechter, als lid van de enkelvoudige raadkamer, in tegenwoordigheid van S. Frankhuisen, griffier, en uitgesproken in openbare raadkamer van deze rechtbank van 17 juni 2025.
Tegen deze beslissing staat voor verzoeker hoger beroep open, in te stellen ter griffie van deze rechtbank, binnen een maand na betekening van deze beslissing.
Tegen deze beslissing staat voor het openbaar ministerie hoger beroep open, in te stellen ter griffie van deze rechtbank, binnen veertien dagen na deze beslissing.