Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBMNE:2026:2761

Te weinig griffierecht betaald; verzet gegrond;

Rechtbank Midden-Nederland 22 May 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBMNE:2026:2761 text/xml public 2026-05-22T11:57:18 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-09 UTR 25/2579 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2761 text/html public 2026-05-22T11:57:02 2026-05-22 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2761 Rechtbank Midden-Nederland , 09-04-2026 / UTR 25/2579
Te weinig griffierecht betaald; verzet gegrond;
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 25/2579-V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2026 op het verzet van ML Groep B.V., te Woerden, opposante,
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposante heeft ingediend tegen het besluit van verweerder van 31 maart 2025.

In de uitspraak van 25 juli 2025 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Opposante is tegen deze uitspraak in verzet gegaan.

Opposante heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 25 juli 2025 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat opposante het griffierecht niet heeft betaald. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.

De rechtbank kijkt (nog) niet of opposante gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 25 juli 2025 niet juist was.

3. Volgens opposante is de uitspraak van de rechtbank van 25 juli 2025 niet juist omdat opposante door een administratieve vergissing een bedrag van €3,85 heeft overgemaakt in plaats van €385,-. Vervolgens geeft opposante aan dat het hier gaat om een zuivere, onbedoelde administratieve fout die in geen enkel opzicht verband houdt met de inhoudelijke merites van de zaak. Opposante geeft een dat de fout later pas is geconstateerd en opposante bereid is het resterende bedrag van €381,15 alsnog te voldoen.

4. De rechtbank volgt opposante in haar standpunt, nu aannemelijk is dat sprake is van een administratieve vergissing waarbij €3,85 in plaats van €385 is overgemaakt. Gelet op het wel betaalde bedrag, was die vergissing ook kenbaar voor de rechtbank. De rechtbank had daarom opposante alsnog in de gelegenheid moeten stellen om het juiste bedrag te voldoen.

5. Dit betekent dat opposante gelijk krijgt. Het verzet is dus gegrond en de uitspraak van

25 juli 2025 vervalt (artikel 8:55, negende lid, van de Awb). Het vervallen van de eerdere uitspraak betekent dat de rechtbank de behandeling van het beroep (mede gericht tegen het alsnog genomen besluit) zal voortzetten. Opposante krijgt over de verdere behandeling nog bericht.

6. De rechtbank neemt nu nog geen beslissing over de vergoeding van de proceskosten van de onderneming. Dit gebeurt pas in de einduitspraak over het beroep.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet gegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van S. Ayyildiz, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026.

De griffier is buiten staatte ondertekenen

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.

Artikel delen