Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBMNE:2026:2767

Geen griffierecht; ziek; verzet gegrond;

Rechtbank Midden-Nederland 22 May 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBMNE:2026:2767 text/xml public 2026-05-22T12:02:18 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-02-11 UTR 25/2205 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2767 text/html public 2026-05-22T12:00:35 2026-05-22 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2767 Rechtbank Midden-Nederland , 11-02-2026 / UTR 25/2205
Geen griffierecht; ziek; verzet gegrond;
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 25/2205-V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 februari 2026 op het verzet van [oppossant] , te [plaats] , opposant,
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposant heeft ingediend op 24 maart 2025.

In de uitspraak van 18 juni 2025 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 18 juni 2025 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat het griffierecht niet is betaald. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.

De rechtbank kijkt (nog) niet of opposant gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 18 juni 2025 niet juist was.

3. Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 18 juni 2025 niet juist omdat, opposant de aangetekende nota op 12 juni 2025 pas heeft gezien en het griffierecht meteen heeft betaald. Verder geeft opposant aan dat hij zijn brievenbus op 28 mei 2025 heeft leeggehaald en op dat moment geen brief heeft gevonden van 20 mei 2025.Vervolgens geeft opposant aan dat hij lijdt aan sikkelcelanemie en dat hij in de week van 2 juni ziek is geweest, waardoor hij gedurende die week zijn post niet heeft kunnen bekijken vanwege problemen met lopen.

4. In artikel 8:41 van de Awb staat dat iemand die beroep instelt tijdig griffierecht moet betalen. Dat betekent dat het hele bedrag dus binnen die termijn moet zijn betaald. Het niet tijdig betalen van het griffierecht kan ertoe leiden dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard. Dit is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht niet aan opposant kan worden verweten.

5. De griffier heeft op 25 april 2025 opposant een aangetekende nota toegezonden waarin staat dat opposant binnen vier weken na dagtekening van de nota, dus uiterlijk 23 mei 2025, het griffierecht moet betalen. Deze nota is onbestelbaar aan de rechtbank geretourneerd. Vervolgens heeft de rechtbank deze nota, ter voldoening aan het bepaalde in artikel 8:38 van de Awb, aan opposant per gewone post toegezonden. In deze brief van 20 mei 2025 is aangegeven dat de eerdergenoemde termijn in de brief van 25 april 2025 eindigt, twee weken na de datum van verzending van deze brief. Opposant heeft tot 3 juni 2025 de tijd gehad om het griffierecht te betalen. Opposant heeft op 12 juni 2025 het griffierecht betaald. Dat is dus te laat.

6. De rechtbank heeft in de uitspraak van 18 juni 2025 dus terecht overwogen dat opposant het griffierecht niet op tijd heeft betaald. De rechtbank heeft in die uitspraak vervolgens overwogen dat opposant daarvoor geen reden heeft gegeven.

7. In het verzetschrift heeft opposant duidelijk gemaakt wat de reden is dat hij het griffierecht niet op tijd heeft betaald. De rechtbank ziet hierin aanleiding om het verzet gegrond te verklaren. Opposant heeft onder meer toegelicht dat hij in de eerste week van juni 2025 zijn post niet heeft kunnen openen vanwege ziekte. Hoewel het in beginsel aan een betrokkene is om in geval van tijdelijke verhindering, bijvoorbeeld vanwege ziekte, hulp in te schakelen van bijvoorbeeld familie of buren om de post bij te houden, ziet de rechtbank in dit geval aanleiding om de te late betaling van het griffierecht verschoonbaar te achten. Daarbij is van belang dat de aangetekende brief onbestelbaar retour is gekomen bij de rechtbank en dat de griffierechtnota vervolgens met de gewone post aan opposant is verzonden. Het is de rechtbank ambtshalve bekend is dat er problemen zijn met de postbezorging door PostNL. Dit gegeven, in combinatie met de toelichting van opposant dat hij op 28 mei 2025 de nota nog niet had ontvangen, zorgen ervoor dat de rechtbank er niet zeker van kan zijn dat de nota tijdig is bezorgd. Daarbij komt dat opposant vervolgens wegens ziekte zijn post niet heeft kunnen openen, en dat hij het griffierecht op 12 juni 2025 alsnog heeft betaald.

8. Dit betekent dat opposant gelijk krijgt. Het verzet is dus gegrond en de uitspraak van 18 juni 2025 vervalt (artikel 8:55, negende lid, van de Awb). Het vervallen van de eerdere uitspraak betekent dat de rechtbank de behandeling van het beroep zal voortzetten in de stand waarin het zich bevond voordat de uitspraak van 18 juni 2025 werd gedaan. Opposant krijgt over de verdere behandeling nog bericht. Voor de duidelijkheid merkt de rechtbank op dat dit nog niet direct betekent dat de rechtbank opposant gelijk zal geven met zijn beroep. Dat moet de rechtbank nog beoordelen.

9. Van een vergoeding van proceskosten is geen sprake.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet gegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van S. Ayyildiz, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.

Art. 8:41, lid 6 van de Awb

Artikel delen