Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBMNE:2026:3044

Afwijzing verzoek GI tot vaststelling zorgregeling, die een contactverbod met beide ouders en hun netwerk voor onbepaalde tijd inhoudt. Onjuiste wettelijke grondslag, onvoldoende onderbouwd en niet in belang kinderen.

Rechtbank Midden-Nederland 1 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBMNE:2026:3044 text/xml public 2026-07-01T09:00:16 2026-06-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-06-03 C/16/609451 / JE RK 26-484, C/16/609412 / JE RK 26/480 Uitspraak Beschikking NL Utrecht Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3044 text/html public 2026-06-30T08:57:14 2026-07-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:3044 Rechtbank Midden-Nederland , 03-06-2026 / C/16/609451 / JE RK 26-484, C/16/609412 / JE RK 26/480
Afwijzing verzoek GI tot vaststelling zorgregeling, die een contactverbod met beide ouders en hun netwerk voor onbepaalde tijd inhoudt. Onjuiste wettelijke grondslag, onvoldoende onderbouwd en niet in belang kinderen.
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familie- en Jeugdrecht

Locatie Utrecht

Zaaknummers: C/16/609451 / JE RK 26-484 ( [minderjarige 1] )

C/16/609412 / JE RK 26/480 ( [minderjarige 2] )

Datum uitspraak: 3 juni 2026

Beschikking van de kinderrechter over de vaststelling van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken

in de zaak van

de gecertificeerde instelling SAMEN VEILIG MIDDEN NEDERLAND, gevestigd te Utrecht,

hierna te noemen de GI,

over

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2010 in [geboorteplaats 1] ,

hierna te noemen [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2013 in [geboorteplaats 2] ,

hierna te noemen [minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat mr. J.K. Kemper,

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
<nr>1</nr>Het verloop van de procedure 1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 1 april 2026;

de brief van de vader van 13 april 2026;

het bericht van de GI met bijlage van 28 april 2026;

de brief van de vader van 8 mei 2026;

de berichten met bijlagen van de vader van 14, 15 en 19 mei 2026;

het verweerschrift met bijlagen van de moeder van 18 mei 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de vader;

- de moeder met haar advocaat;

- [A.] en [B.] , namens de GI.
1.3.
De Raad voor de Kinderbescherming is ook opgeroepen voor de zitting, maar heeft bij bericht van 19 mei 2026 laten weten dat er geen zittingsvertegenwoordiger beschikbaar is.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft via Teams en [minderjarige 2] heeft op de rechtbank een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat zij hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
<nr>2</nr>De feiten 2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] verblijft in een perspectief biedend gezinshuis. [minderjarige 2] verblijft eveneens in een (ander) gezinshuis.
2.3.
Bij beschikking van 8 mei 2025 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en de machtiging om [minderjarige 1] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 18 juli 2026.
2.4.
Bij beschikking van 8 mei 2025 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] ook verlengd tot 18 juli 2026.
2.5.
Bij diezelfde beschikking van 8 mei 2025 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend tot 8 mei 2026. Deze machtiging tot uithuisplaatsing is echter komen te vervallen omdat deze niet binnen drie maanden ten uitvoer is gelegd.
2.6.
Bij beschikking van 5 september 2025 heeft de kinderrechter opnieuw een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een gezinsgerichte accommodatie verleend tot 18 juli 2026.
<nr>3</nr>Het verzoek 3.1.
De GI verzoekt de kinderrechter om een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen, die inhoudt dat het contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met beide ouders en hun netwerk voor onbepaalde tijd volledig wordt stopgezet. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.


<nr>4</nr>De standpunten 4.1.
De moeder is het niet eens met de verzoeken van de GI en heeft uitgebreid verweer gevoerd. Zij is van mening dat een contactverbod zeer schadelijk zal zijn voor de kinderen. De moeder staat onvoorwaardelijk open voor contact met de beide jongens, waarbij het tempo van de kinderen voor haar leidend is. Zij is bang dat de kinderen, wanneer het contact met beide ouders verboden wordt, extra kwetsbaar zullen zijn en dat dit ten koste gaat van hun welzijn. Daarnaast verwacht de moeder dat het contactverbod geen oplossing zal bieden voor de problemen die er nu bestaan. Zij vindt dat de kinderen met inzet van hulpverlening moeten leren omgaan met de dynamiek die binnen het gezin is ontstaan. Verder vindt de moeder dat eerst minder ingrijpende middelen moeten worden ingezet, zoals systeemtherapie of contactherstel onder begeleiding. Tot slot vraagt de moeder zich af hoe het contactverbod in de praktijk kan worden nageleefd, op het moment dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onderling contact zoeken of wanneer hun broer [naam] contact wil opnemen met hen.
4.2.
De vader is het wel eens met de verzoeken van de GI. Hij is van mening dat een tijdelijke periode zonder contact met beide ouders noodzakelijk is voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De vader heeft enige tijd geleden zelf het contact al stopgezet met de beide jongens.
<nr>5</nr>De beoordeling
De beslissing
5.1.
De kinderrechter zal de verzoeken van de GI afwijzen. De kinderrechter legt hieronder uit waarom zij deze beslissing neemt.

De toelichting
5.2.
De GI heeft op grond van artikel 1:265g lid 1 BW een verzoek gedaan tot het vaststellen van een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met beide ouders. Op het moment dat kinderen onder toezicht zijn gesteld kan de GI op grond van dit artikel de kinderrechter verzoeken om een zorgregeling vast te stellen. Nu beide kinderen met een machtiging tot uithuisplaatsing verblijven in een gezinshuis, geldt echter artikel 1:265f BW als wettelijke grondslag voor dit verzoek. Ondanks dat de GI een onjuist wetsartikel aan de verzoeken ten grondslag heeft gelegd, ziet de kinderrechter voldoende aanleiding om inhoudelijk op de verzoeken in te gaan.

Onvoldoende onderbouwd verzoek
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat het verzoek van de GI onvoldoende concreet is onderbouwd. Bij een dergelijk verstrekkend verzoek ligt het op de weg van de GI om volledig uiteen te zetten wat de directe aanleiding is van deze verzoeken, waarom een contactverbod op dit moment voor beide kinderen en met beide ouders noodzakelijk is en hoe de concrete uitvoering daarvan er de komende tijd uit zal zien in haar visie. De GI heeft dit nagelaten. Evenmin heeft de GI helder uiteengezet welke hulpverlening de afgelopen tijd is ingezet en waarom deze hulp tot onvoldoende resultaat heeft geleid. Ook heeft de GI geen duidelijk plan overgelegd, waaruit volgt hoe praktisch invulling zal worden gegeven aan het verzochte contactverbod en welke hulpverlening en begeleiding eventueel voor de kinderen zal worden ingezet om het gemis van de ouders te begeleiden en te verwerken. Ook heeft de GI in het verzoek aangegeven dat het contactverbod voor onbepaalde tijd zou moeten gelden. Pas ter zitting heeft de GI voor het eerst naar voren gebracht dat het niet de bedoeling is om het contactverbod te handhaven totdat de kinderen allebei meerderjarig zijn en dat zij op termijn wel weer naar contactherstel met de ouders willen toewerken. De GI heeft haar verzoeken ter zitting op dit punt echter niet gewijzigd. Ook is onvoldoende concreet geworden op welke termijn en op welke manier het contact tussen de kinderen en de ouders eventueel kan en zal worden hersteld en wat daar de komende periode voor nodig is. Bovendien heeft de GI onvoldoende onderbouwd waarom een contactverbod op dit moment de passende en enige oplossing is om de situatie voor de kinderen te verbeteren.

De beslissing van de kinderrechter
5.4.
Bij [minderjarige 2] en [minderjarige 1] is sprake is van een langdurige ondertoezichtstelling en de kinderen zijn beide uit huis geplaatst. Een van de grootste ontwikkelingsbedreigingen bij beide kinderen is dat het steeds weer onmogelijk blijkt om duurzaam en veilig contact te hebben met zowel de vader als de moeder. Voor beide kinderen geldt dat zij wisselend contact hebben met dan weer de ene ouder en dan weer de andere. Ook uit de tijdlijn die de moeder heeft overgelegd blijkt dat binnen het gezin langdurig sprake is van een patroon van aantrekken en afstoten. Op dit moment is er tussen de vader en de kinderen zelfs helemaal geen contact en tussen [minderjarige 2] en de moeder evenmin, maar dit kan over een tijdje weer anders zijn. Net als de GI vindt de kinderrechter deze situatie schadelijk en heel verdrietig voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
5.5.
De kinderrechter heeft twee beschadigde jongens gezien en gesproken die de hoop hebben opgegeven op gezond contact met allebei de ouders. De GI heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat al veel verschillende hulpverleningstrajecten zijn doorlopen of gestart om de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen en het contact tussen de jongens en de beide ouders duurzaam te herstellen. De GI is van mening dat contact met beide ouders of één van hen op dit moment niet meer mogelijk is en hoopt dat er met een contactverbod ruimte komt voor beide kinderen om zich te ontwikkelen en zich ook daadwerkelijk te kunnen onttrekken aan de kluwen waar zij in vast zitten.
5.5.
De kinderrechter begrijpt dat de GI dit met het verzoek probeert te bewerkstelligen, maar vindt het contactverbod niet in het belang van de kinderen. De kinderrechter heeft er onvoldoende vertrouwen in dat een contactverbod de spanningen en ontwikkelingsbedreiging bij de kinderen zal wegnemen en dat een contactverbod minder schadelijk is dan de situatie waar de kinderen zich op dit moment in bevinden.

[minderjarige 1]
5.6.
In de brief van het gezinshuis waar [minderjarige 1] woont, Perspektiev, adviseren de behandelaren van [minderjarige 1] uitvoerig gemotiveerd om geen contactverbod op te leggen. Er bestaat een aanzienlijk risico dat de emotionele ontwikkeling van [minderjarige 1] nog meer zal worden bedreigd als door derden een contactverbod wordt opgelegd. Daarbij doorkruist een contactverbod de behandeling die [minderjarige 1] op dit moment krijgt. Een onderdeel van zijn behandeling ziet namelijk toe op het leren uiten en aangeven van grenzen en het leren omgaan met zijn (beide) ouders. Een situatie waarin er helemaal geen contact meer is met de ouders zal de problematiek niet oplossen en mogelijk zelfs versterken. Ook de kinderrechter is het met de behandelaren van [minderjarige 1] eens dat het belangrijk is dat [minderjarige 1] leert omgaan met de gezinsdynamiek in het gezin waartoe hij nou eenmaal behoort en dat hij leert zich te verhouden tot zijn ouders. Zij zullen namelijk de rest van zijn leven zijn ouders blijven en de GI heeft ter zitting de verwachting uitgesproken dat de ouders – nu al zoveel hulp is ingezet- niet zullen veranderen. Een contactverbod zal niet helpend zijn, omdat [minderjarige 1] zonder contact niet kan leren op welke manier hij vorm wil en kan geven aan de band met zijn ouders. Daarbij betekent een contactverbod voor onbepaalde duur dat wanneer [minderjarige 1] vanaf zijn achttiende levensjaar wel weer contact mag en wil opnemen met één of beide ouders, dat hij het op dat moment zonder begeleiding zal moeten uitzoeken. De kinderrechter vindt het in het belang van [minderjarige 1] dat hij hier, terwijl hij nog minderjarig is, onder begeleiding van de hulpverlening de juiste handvatten voor krijgt. De behandelaren van [minderjarige 1] beschrijven dat een contactverbod de emotionele ontwikkeling van [minderjarige 1] nog meer zal bedreigen. Bij een contactverbod zal [minderjarige 1] mogelijk proberen om het lege gevoel te vullen door middel van eten of het opzoeken van bevestiging bij onbekenden. Ook word gezien dat [minderjarige 1] op dit moment stabiel contact met de moeder heeft en dat hij hierin groeit. Volgens Perspectiev moet [minderjarige 1] gesteund worden in zijn autonomie en is een wisselende verbinding van een van de ouders met [minderjarige 1] voor hen beter dan geen verbinding.
5.7.
Alhoewel de GI ter zitting heeft uitgelegd dat zij tot dit verzoek zijn gekomen na een uitgebreid moreel beraad, hecht de kinderrechter veel waarde aan de brief van Perspectiev, zij kennen [minderjarige 1] immers heel goed. Ook heeft de GI niet onderbouwd waarom abrupt beëindigen van het contact op dit moment in het belang is van [minderjarige 1] en minder schadelijk zal zijn dan de huidige situatie, waarin hij in elk geval met één ouder stabiel contact heeft.

[minderjarige 2]
5.8.
Hoewel de brief van Perspektiev uitsluitend ziet op [minderjarige 1] , geldt ook voor [minderjarige 2] dat het belangrijk is dat hij leert omgaan met zijn ouders en de uitdagingen die daarbij komen kijken. Op het moment dat [minderjarige 2] geen contact heeft met de ouders, zoals nu, kan hij niet leren hoe hij met de dynamiek binnen het gezin om kan gaan. Daarbij is een contactverbod voor onbepaalde duur voor [minderjarige 2] mogelijk nog ingrijpender dan voor [minderjarige 1] , omdat dit zou kunnen betekenen dat hij vijf jaar lang geen contact zal hebben met de ouders. De kinderrechter acht dit dan ook niet in het belang van [minderjarige 2] . Dat [minderjarige 2] op dit moment op eigen initiatief geen contact heeft met beide ouders doet daar niets aan af. Op het moment dat [minderjarige 2] wel weer open staat voor contact met één of beide ouders, moet hij daarvoor kunnen kiezen en hierin worden begeleid. Ook voor [minderjarige 2] is het belangrijk dat hij in zijn autonomie gesteund wordt en contact met zijn broer en familie kan hebben wanneer hij daar behoefte aan heeft. De kinderrechter is van oordeel dat ook voor [minderjarige 2] geldt dat de huidige situatie, waarin [minderjarige 2] wisselend en op eigen initiatief contact heeft met één of beide ouders, meer in zijn belang is dan een contactverbod.
5.9.
Tot slot is de kinderrechter van oordeel dat het verzoek van de GI ook op andere gronden niet haalbaar is. Van kinderen van dertien en zestien jaar oud kan niet worden verwacht dat zij geen contact opnemen met hun ouders en familieleden, op het moment dat zij daar behoefte aan hebben. Zij zijn op een leeftijd waarop zij zelf willen en kunnen bepalen hoe het contact met de ouders en hun familie er uit ziet. Daarbij hebben [minderjarige 1] en de moeder aangegeven dat zij niet van plan zijn zich aan het contactverbod te houden. Dit werkt dus het hebben van geheimen voor de jongens in de hand. Tijdens de zitting heeft de GI hier geen concrete oplossing voor gegeven. Daarnaast is onduidelijk of en hoe [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tijdens het contactverbod onderling of met hun broer [naam] contact kunnen hebben. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben beiden duidelijk uitgesproken dat zij behoefte hebben aan contact met elkaar. De kinderrechter vindt dit ook heel belangrijk voor ze.

Brief aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
5.10.
Tegelijk met deze beschikking stuurt de rechtbank een brief aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] waarin wordt uitgelegd waarom de kinderrechter deze beslissing heeft genomen. In deze brief staat onder andere:



(…)

Mijn beslissing is dat er geen contactverbod komt tussen jou en je ouders of andere familieleden. Ik vind het belangrijk dat jij zelf kan aangeven of je contact wil en ik wil niet dat je dat stiekem moet doen. Ook hecht ik veel waarde aan de brief van je gezinshuis, zij kennen jou goed en denken dat het veel beter voor je is wanneer je zelf kan bepalen of je wel of geen contact hebt. Ik vind het heel erg rot voor je dat het je ouders maar niet lukt om samen ouders te zijn en dat er steeds weer periodes zijn waarin je of met de ene of met de andere ouder omgaat. Dat zou niet zo moeten zijn, je zou van allebei moeten mogen houden en contact mogen hebben. Maar dat doen je ouders, daar kan jij niets aan veranderen. Wat je wel kan, is ermee leren dealen en leren hoe je met ze om moet gaan. En dat kan alleen als je wel de mogelijkheid hebt om contact te hebben.



Tot slot aan de ouders
5.11
De kinderrechter vindt het heel betreurenswaardig dat de gezinsvoogd op dit moment niet meer weet welke middelen nog in te zetten om het tij te kunnen keren. Om die reden is dit verzoek ingediend, de gezinsvoogd wil in het belang van de kinderen deze laatste mogelijkheid benutten. Hoewel de kinderrechter het verzoek afwijst omdat dit niet in het belang van de kinderen wordt geacht, betekent dit niet dat de situatie nu is opgelost. De beide jongens zijn slachtoffer van de moeizame en onoverkomelijke strijd tussen de ouders. Zij kunnen dit zelf niet oplossen want de sleutel tot succes ligt bij de ouders. De kinderen hebben beiden duidelijk aan de kinderrechter laten weten dat zij contact met zowel papa als mama willen, maar ze geven ook beiden aan dat zij geen enkele oplossing hadden om dit ook echt te kunnen laten slagen. Dat de vader nu besloten heeft geen contact meer met de beide kinderen te hebben is triest voor de kinderen en het is de vraag of dit in hun belang is. De kinderrechter hoopt van harte dat de ouders eens zullen inzien dat zij, als ouders van deze twee jongens, hun strijdbijl moeten begraven voor het geluk van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] .
<nr>6</nr>De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
Wijst de verzoeken van de GI af.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.M.J. van der Weide, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026, in aanwezigheid van mr. P. S. Bamberg als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Artikel delen