Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBMNE:2026:3118

Rectificatie

Rechtbank Midden-Nederland 29 June 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBMNE:2026:3118 text/xml public 2026-06-29T12:02:21 2026-06-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-03-27 24/2580 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3118 text/html public 2026-06-29T12:02:05 2026-06-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:3118 Rechtbank Midden-Nederland , 27-03-2026 / 24/2580
Rectificatie

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/2580 Rectificatie pagina 5
<?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser] , in [plaats] , eiser
(J. Pablo)

en

de heffingsambtenaar van de belastigsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht (de heffingsambtenaar), verweerder

(gemachtigde: mr. D.J. Koopmans)
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 22 februari 2024.

De heffingsambtenaar heeft op 10 maart 2023 aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd met aanslagnummer [nummer] . De naheffingsaanslag is opgelegd wegens het niet betalen van parkeerbelasting op 25 februari 2023 om 13:11 uur. Eiser heeft hier bezwaar tegen gemaakt.

Op 5 januari 2024 heeft eiser de heffingsambtenaar in gebreke gesteld voor het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift.

De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 22 februari 2024 het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd. Ook heeft de heffingsambtenaar de ingebrekestelling afgewezen. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: De gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Feiten
6. De rechtbank stelt vast dat de naheffingsaanslag niet meer in geschil is. In geschil is enkel nog de vraag of de heffingsambtenaar terecht geen dwangsom heeft toegekend.
Beoordeling door de rechtbank
7. Eiser voert aan dat de heffingsambtenaar de ingebrekestelling ten onrechte heeft afgewezen. Slechts de limitatieve gevallen genoemd onder artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzetten zich tegen toekenning van een dwangsom. Dergelijke gevallen zijn niet gebleken. De opvatting van de heffingsambtenaar dat de beslistermijn – zelfs nadat deze is verstreken – kan worden opgeschort, en zelfs zonder expliciete toestemming van een belanghebbende is onjuist. Daartoe is van belang dat de beslistermijn naar zijn aard niet kan worden opgeschort, indien deze reeds is verstreken. Bovendien kan uitstel van de beslistermijn niet worden verondersteld. Uitstel van de beslistermijn moet gebaseerd zijn op instemming van een belanghebbende (art. 7:10, vierde lid, van de Awb).

8. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat in de bezwaarprocedure tegen de aanslag [nummer] geen ingebrekestelling is ontvangen. Een ingebrekestelling is ontvangen in een viertal andere zaken. Dat in deze zaak een ingebrekestelling zou zijn verzonden wordt verder ook niet bewezen door het overleggen van een verzendadministratie. Op de zitting van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar zijn standpunt gewijzigd. Volgens de heffingsambtenaar heeft eiser tegelijkertijd 61 ingebrekestellingen verstuurd naar een onjuist e-mailadres, namelijk info@heuvelrug.nl. Deze ingebrekestellingen zijn vervolgens doorgestuurd naar de heffingsambtenaar, waarna de administratie de ingebrekestellingen heeft gedigitaliseerd. Door de administratie is de ingebrekestelling bestempeld met 10 januari 2024 als ontvangstdatum. Doordat de ingebrekestellingen geen aanslagnummers bevatten, was het lastig om ze goed te verwerken en in het juiste dossier te plaatsen. De heffingsambtenaar heeft verklaard dat in ieder geval op 22 februari 2024 ( uitspraak op bezwaar) de ingebrekestelling in het juiste dossier aanwezig was. De heffingsambtenaar merkt op dat gemachtigde bekend staat om deze werkwijze – meerdere ingebrekestellingen gelijktijdig verzenden naar een onjuist e-mailadres – om verwarring te veroorzaken en benadrukt dat dit de fout is van de gemachtigde.

9. De rechtbank overweegt dat als een bestuursorgaan niet tijdig uitspraak op bezwaar doet dan verbeurt het, op grond van artikel 4:17, derde lid, van de Awb, een dwangsom met ingang van de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar is verstreken en het bestuursorgaan door de indiener van het bezwaarschrift schriftelijk in gebreke is gesteld. Voor een ingebrekestelling geldt niet de doorzendplicht, zodat moet worden uitgegaan van de datum van ontvangst bij het bevoegde orgaan (artikel 6:15, eerste lid, Awb en Hoge Raad 24 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1355).

10. De rechtbank stelt vast dat de ingebrekestelling op 5 januari 2024 is verzonden door de gemachtigde naar het e-mailadres info@heuvelrug.nl. Op de ingebrekestelling is de naam van eiser vermeld met daarbij een referentie “eindigend op [nummer] ”. Op de ingebrekestelling is een stempel geplaatst met 10 januari 2024 als datum en is met een pen het aanslagnummer “ [nummer] ”geschreven. De rechtbank begrijpt uit de toelichting van de heffingsambtenaar dat het stempel en het aanslagnummer door de administratief medewerker van de gemeente is geschreven. Aan de ingebrekestelling is een kopie van de naheffingsaanslag toegevoegd door de gemachtigde.

11. De rechtbank is van oordeel dat de ingebrekestelling in ieder geval op 10 januari 2024 is ontvangen door de gemeente en dat de termijn van twee weken vanaf die datum is gaan lopen. De motivering van de heffingsambtenaar doet daar niet aan af. De rechtbank begrijpt dat het aanslagnummer, door het niet volledig te noteren, moeilijker te vinden was. Echter, merkt de rechtbank op dat een kopie van de naheffingsaanslag is meegestuurd. Weliswaar is het aanslagnummer niet goed te lezen, maar daarentegen is de naam van eiser en de datum van het aanslagnummer wel leesbaar. De rechtbank begrijp dat de administratief medewerker met al deze halve informatie uiteindelijk wel het juiste aanslagnummer heeft weten te vinden en dit op de ingebrekestelling heeft geschreven. De stelling van de heffingsambtenaar dat vermoedelijk de ingebrekestelling niet gelijk in het juiste dossier is terechtgekomen, is niet te wijten aan eiser.

12. Gelet op het niet-tijdig nemen van een beslissing en de door de heffingsambtenaar op 10 januari 2024 ontvangen ingebrekestelling heeft eiser recht op een dwangsom in de zin van artikel 4:17 van de Awb. De heffingsambtenaar heeft de beslistermijn met 29 dagen (25 januari 2024 – 22 februari 2024) overschreden. Op grond van artikel 4:17, tweede lid, van de Awb bedraagt de dwangsom de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daarop volgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. De rechtbank stelt hiermee de dwangsom vast op € 857,-.

13. Eiser vraagt om wettelijke rente. De rechtbank wijst dit toe. De heffingsambtenaar moest de dwangsom uiterlijk op 7 maart 2024 vaststellen en betalen. Omdat de heffingsambtenaar geen dwangsom heeft vastgesteld, is hij in verzuim en moet hij vanaf 7 maart 2024 tot de datum waarop de dwangsom is betaald wettelijke rente aan eiser betalen.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de dwangsom. Proceskosten

14. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat eiser geen recht heeft op een proceskostenvergoeding, omdat de fout te wijten valt aan de gemachtigde van eiser en diens werkwijze. De heffingsambtenaar verwijst in het kader hiervan naar de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag.

16. De rechtbank is van oordeel dat dit verweer niet kan slagen. De uitspraak waar de heffingsambtenaar naar verwijst heeft betrekking op een andere situatie. In die uitspraak heeft het gerechtshof vastgesteld dat de ingebrekestelling niet is ondertekend door een bevoegd persoon, waardoor de heffingsambtenaar terecht de ingebrekestelling heeft geretourneerd. Hierbij was dus sprake van een ongeldige ingebrekestelling, waarvan de fout te wijten valt aan de gemachtigde van eiser. In deze zaak gaat het om een ongeldige ingebrekestelling (verstuurd naar een onjuist e-mailadres) die uiteindelijk rechtsgeldig is geworden, omdat de ingebrekestelling is doorgestuurd naar de juiste gemeente. Vanaf die datum (10 januari 2024) is de ingebrekestelling rechtsgeldig en was de heffingsambtenaar verplicht om binnen veertien dagen een beslissing te nemen.

16. De rechtbank ziet aanleiding om de heffingsambtenaar te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrechten vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).
Beslissing
De rechtbank:

verklaart het beroep voor zover het ziet op de dwangsom gegrond;

vernietigt de uitspraak op bezwaar van 22 februari 2024 voor zover deze betrekking heeft op de dwangsom;

herroept het besluit van 22 februari 2024 voor zover daarbij geen dwangsom is vastgesteld, stelt de reeds verbeurde dwangsom vast op € 857,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 maart 2024 tot aan de dag van algehele voldoening, en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 22 februari 2024;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934;

draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden.

beslist dat voor zover de proceskostenvergoeding en het te vergoeden griffierecht niet tijdig worden betaald, de wettelijke rente daarover is gaan lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van mr.C. Deve, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden (artikel 4:18, eerste lid, van de Awb).

Gerechtshof Den Haag, 10 december 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2830

Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5).

Artikel delen