Naheffingsaanslag parkeerbelasting. Beroep ongegrond. Parkeervergunning gold niet ten tijde van het parkeren van de auto.
Rechtbank Midden-Nederland 1 July 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:3238
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-06-2026
Datum publicatie
01-07-2026
Zaaknummer
UTR_25_1194
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBMNE:2026:3238text/xmlpublic2026-07-01T12:01:242026-06-12Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Midden-Nederland2026-06-12UTR_25_1194UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLUtrechtBestuursrecht; BestuursprocesrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3238text/htmlpublic2026-07-01T12:01:032026-07-01Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBMNE:2026:3238 Rechtbank Midden-Nederland , 12-06-2026 / UTR_25_1194 Naheffingsaanslag parkeerbelasting. Beroep ongegrond. Parkeervergunning gold niet ten tijde van het parkeren van de auto.
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/1194
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 12 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser, en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht, de heffingsambtenaar.
(gemachtigde: mr. D.J. Koopmans) Procesverloop 1. De heffingsambtenaar heeft op 8 januari 2025 een naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer [nummer] (de naheffingsaanslag) aan eiser opgelegd voor een bedrag van € 76,70. De naheffingsaanslag is opgelegd wegens het op maandag 23 september 2024 om 15.00 uur parkeren van een voertuig, merk Mercedes-Benz, kenteken [kenteken] , op een gefiscaliseerde parkeerplaats aan de [straat] ter hoogte van nummer [nummer] in Utrecht, zonder dat er parkeerbelasting was voldaan. Eiser heeft hier bezwaar tegen gemaakt. 2. Bij uitspraak van 3 februari 2025 (de bestreden uitspraak op bezwaar) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar stelt zich in de uitspraak op bezwaar op het standpunt dat eiser op het moment van oplegging van de aanslag niet tijdig voor zijn parkeervergunning zou hebben betaald. 3. Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. In het verweerschrift erkent de heffingsambtenaar dat eiser ruim op tijd heeft betaald voor zijn parkeervergunning. De heffingsambtenaar blijft echter bij het standpunt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, omdat op het moment van het parkeren van de auto de parkeervergunning van eiser niet gold. 4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2026. Eiser is niet verschenen. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 5. Eiser voert in zijn beroepschrift aan dat hij ruim op tijd heeft betaald voor zijn parkeervergunning. Hij had tot 30 september 2024 de tijd om deze te betalen en heeft dit op 23 september 2024 gedaan. 6. De heffingsambtenaar erkent dat in de uitspraak op bezwaar ten onrechte is uitgegaan van het niet tijdig betalen voor de parkeervergunning. Eiser heeft tijdig aan die betalingsverplichting voldaan. Desondanks stelt de heffingsambtenaar dat de aanslag terecht is opgelegd, omdat de parkeervergunning van eiser voor het rayon 12.100 2e Daalsebuurt in Utrecht, niet te allen tijde geldig is in het rayon. Eiser mag tijdens winkeluren (maandag tot en met zaterdag 09.00-18.00 uur en donderdag tot 21.00 uur) geen gebruik van zijn vergunning maken. Voor het parkeren op het betreffende tijdstip was derhalve geen parkeerrecht aanwezig. De heffingsambtenaar is bereid om het griffierecht te vergoeden. 7. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht aan eiser heeft opgelegd. De rechtbank overweegt daartoe dat de hoofdregel is dat degene die zijn auto parkeert op een betaalde parkeerplaats parkeerbelasting is verschuldigd. Op 23 september 2024 om 15.00 uur is het voertuig met kenteken [kenteken] aangetroffen op de [straat] ter hoogte van nummer [nummer] in Utrecht, zonder dat hiervoor parkeerbelasting op aangifte was voldaan. De parkeervergunning van eiser gold op dat moment niet op die locatie. Om die reden is een naheffingsaanslag opgelegd. 8. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. De heffingsambtenaar moet wel het door eiser betaalde griffierecht van € 53,- aan eiser vergoeden, omdat de heffingsambtenaar de uitspraak op bezwaar heeft gebaseerd op een onjuiste motivering. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M.T. Bouwman, griffier. Uitgesproken op 12 juni 2026. griffier rechter De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.