ECLI:NL:RBMNE:2026:3298
beroep ingetrokken met pkv
Rechtbank Midden-Nederland 9 July 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI:NL:RBMNE:2026:3298
text/xml
public
2026-07-09T09:02:02
2026-06-15
Raad voor de Rechtspraak
nl
Rechtbank Midden-Nederland
2026-04-24
UTR 25/2947
Uitspraak
Eerste aanleg - enkelvoudig
NL
Utrecht
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3298
text/html
public
2026-07-09T09:01:38
2026-07-09
Raad voor de Rechtspraak
nl
ECLI:NL:RBMNE:2026:3298 Rechtbank Midden-Nederland , 24-04-2026 / UTR 25/2947
beroep ingetrokken met pkv
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2947
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] B.V., te [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. J.R. Bügel),
en
het College van Gedeputeerde Staten van Flevoland, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van 12 mei 2025 dat verzoekster heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 21 november 2024.
Op 21 mei 2025 heeft verweerder alsnog een beslissing op bezwaar genomen.
Verzoekster heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd van haar proceskosten.
Verweerder heeft niet gereageerd op dit verzoek.
Overwegingen
1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van verzoekster. De rechtbank leidt hieruit af dat verweerder er geen bezwaar tegen heeft om de proceskosten van verzoekster te vergoeden.
4. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).
5. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 385,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.
Beslissing
De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
J.B. Overtoom, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.