BNT, WIA, aanvraag herbeoodeling, beroep gegrond, beroep niet onredelijk laat
Rechtbank Midden-Nederland 4 August 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:4945
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-07-2026
Datum publicatie
04-08-2026
Zaaknummer
UTR 26/3157
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBMNE:2026:4945text/xmlpublic2026-08-04T11:57:342026-07-30Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Midden-Nederland2026-06-09UTR 26/3157UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLUtrechtBestuursrecht; BestuursprocesrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4945text/htmlpublic2026-08-04T11:57:002026-08-04Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBMNE:2026:4945 Rechtbank Midden-Nederland , 09-06-2026 / UTR 26/3157 BNT, WIA, aanvraag herbeoodeling, beroep gegrond, beroep niet onredelijk laat
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 26/3157
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2026 in de zaak tussenASR Nederland N.V., gevestigd te Utrecht, eiseres (gemachtigde: C. Rigters-Snijders), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder. Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar verzoek om herbeoordeling van mevrouw [naam] haar arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Overwegingen 1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaar kan de
betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op haar aanvraag. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 3. Eiseres heeft haar aanvraag om herbeoordeling ingediend op 28 augustus 2023.
Verweerder heeft de aanvraag ontvangen op 29 augustus 2023. Niet in geschil is dat verweerder te laat is met het nemen van een beslissing op het verzoek om herbeoordeling van eiseres. Dat geeft verweerder ook aan in zijn verweerschrift van 13 mei 2026. De rechtbank stelt vast dat verweerder de ingebrekestelling op 6 november 2023 heeft ontvangen en sindsdien twee weken zijn verstreken. Eiseres heeft op 4 mei 2026 beroep ingesteld. Beroep onredelijk laat? 4. Verweerder heeft in zijn verweerschrift aangevoerd dat het beroep onredelijk laat is ingediend, gelet op het feit dat er meer dan twee jaar na het versturen van de ingebrekestelling beroep is ingediend. De rechtbank is het daar niet mee eens en legt hierna uit waarom. 5. Artikel 6:12, vierde lid, van de Awb bepaalt dat de betrokkene binnen een redelijke termijn beroep moet instellen. Hoewel de betrokkene niet binnen een bepaalde termijn beroep hoeft in te stellen, geldt wel dat de betrokkene dit niet onredelijk laat moet doen. Wanneer sprake is van een onredelijk laat beroep kan niet in zijn algemeenheid worden bepaald en dit wordt beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Wel blijkt uit de rechtspraak dat van belang is of de betrokkene er nog vanuit mocht gaan dat het bestuursorgaan nog een besluit zou nemen. In dat verband kan ook van belang zijn of en hoe er nadien van gedachten is gewisseld tussen betrokkene en bestuursorgaan. 6. In dit geval is de rechtbank van oordeel dat eiseres er nog van uit mocht gaan dat er nog een besluit zou komen. Het is immers algemeen bekend dat verweerder al langere tijd kampt met een groot tekort aan verzekeringsartsen en dat claim- en herbeoordelingen en de afhandelingen van bezwaren daardoor erg lang op zich laat wachten.
De rechtbank kan begrijpen dat eiseres niet direct juridische stappen heeft ondernomen omdat zij op de hoogte is van de achterstanden bij verweerder. Verder heeft eiseres op 9 januari 2024 een klacht ingediend bij verweerder. In deze brief vraagt eiseres dat er per direct een herbeoordeling wordt uitgevoerd en dat zij op de hoogte wordt gehouden van de ontwikkelingen in haar dossier. Verder geeft eiseres in deze brief aan dat zij regelmatig telefonisch rappelleert om de stand van zaken op te vragen. Telefonisch vernam eiseres van verweerder dat het nog een hele tijd kan duren voordat de herbeoordeling feitelijk plaats zal vinden. Het is naar het oordeel van de rechtbank niet wenselijk dat een betrokkene onder deze omstandigheden te snel wordt tegengeworpen dat hij niet eerder beroep heeft ingesteld. 7. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat
verweerder dit alsnog moet doen. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid van de Awb een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen. Het is vaste rechtspraak dat die andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn. 8. Verweerder geeft in zijn verweerschrift aan dat hij door een tekort aan
verzekeringsartsen tot op heden nog niet in staat is geweest om de aanvraag binnen de gestelde termijn af te handelen. Verweerder heeft de rechtbank verzocht om een beslistermijn vast te stellen die aansluit bij de termijn zoals gehanteerd in de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 juli 2025. De rechtbank ziet hier aanleiding om, gezien de omstandigheden die door verweerder zijn genoemd, de beslistermijn vast te stellen op vier maanden. De rechtbank sluit hiervoor aan bij haar uitspraak van de meervoudige kamer van 9 januari 2025. De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval af te wijken van deze termijn. Dat de rechtbank Rotterdam in een andere zaak een langere termijn heeft gehanteerd, leidt niet tot een ander oordeel. Dit betekent dat verweerder binnen vier maanden na het verzenden van deze uitspraak een beslissing moet nemen. 9. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke
dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000, -. Conclusie 10. Het beroep is gegrond. Verweerder moet binnen een termijn van vier maanden na
verzending van deze uitspraak een beslissing nemen op de aanvraag van eiseres. 11. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 467,-. 12. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 397,- aan
eiseres betalen. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000, -;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 397,- dat eiseres heeft betaald moet betalen;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiseres. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van E.H.M. Jansen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:338 ECLI:NL:RBROT:2025:9226. ECLI:NL:RBMNE:2025:41.