Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBMNE:2026:5128

Kort geding over verhuizing met kinderen. Dwingende controle / intieme terreur niet onderbouwd.

Rechtbank Midden-Nederland 4 August 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBMNE:2026:5128 text/xml public 2026-08-04T09:02:34 2026-08-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-07-06 C/16/611947 / KL ZA 26-141 Uitspraak Kort geding NL Lelystad Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:5128 text/html public 2026-08-04T09:00:11 2026-08-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:5128 Rechtbank Midden-Nederland , 06-07-2026 / C/16/611947 / KL ZA 26-141
Kort geding over verhuizing met kinderen. Dwingende controle / intieme terreur niet onderbouwd.
RECHTBANK Midden-Nederland
Familierecht

Zittingsplaats Lelystad

Zaaknummer: C/16/611947 / KL ZA 26-141

Vonnis in kort geding van 6 juli 2026

in de zaak van

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: de man ,

advocaat: mr. G.A. de Boer,

tegen

[de vrouw] ,

ingeschreven in [woonplaats] , maar verblijvende in [plaats 1] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: de vrouw.

advocaat: mr. C.E. Mulder,
<nr>1</nr>De procedure 1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding (met producties 1 tot en met 3);

- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie (met producties 1 tot en met 15), zoals ingediend op 18 juni 2026;- de mondelinge behandeling van 22 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
<nr>2</nr>De feiten 2.1
De man en de vrouw hebben een relatie gehad.
2.2
De kinderen van de man en de vrouw zijn:

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2020;

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021.
2.3
Tussen de man en de vrouw loopt ook een bodemprocedure bij deze rechtbank. In die procedure heeft de rechtbank op 20 april 2026 de man samen met de vrouw belast met het gezag over de kinderen. Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over de kinderen moeten nemen. Daarnaast is een voorlopige zorgregeling vastgesteld, waarbij de kinderen in de oneven weken van donderdagmiddag uit school tot vrijdagmiddag 17.00 uur en in de even weken van donderdagmiddag uit school tot zondagmiddag 17.00 uur bij de man verblijven, waarbij de man de kinderen ophaalt van school en op vrijdagmiddag dan wel zondagmiddag bij de vrouw brengt. Verder is een voorlopige vakantie- en feestdagenregeling vastgelegd. De definitieve beslissing over de zorgregeling en de vakantie- en feestdagenregeling is aangehouden in afwachting van het rapport en advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
<nr>3</nr>Het geschil
in conventie
3.1
De man vordert in dit kort geding (samengevat):

de vrouw te verbieden om met de kinderen in [plaats 1] te verblijven en samen met de kinderen naar [plaats 2] te verhuizen;

te bepalen dat de vrouw niet buiten een straal van 5 kilometer mag verhuizen buiten [woonplaats] ;

te bepalen dat als de vrouw niet binnen één maand na het vonnis met de kinderen gaat terugverhuizen naar [woonplaats] , de kinderen voorlopig aan hem worden toevertrouwd totdat in de bodemprocedure verder is beslist;

op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of dagdeel dat de vrouw in strijd handelt met het vonnis;

de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure.
3.2
De man heeft als onderbouwing voor deze vorderingen het volgende naar voren gebracht. Tijdens de zitting in de bodemprocedure op 23 maart 2026 is de vrees van de man besproken dat de vrouw met de kinderen naar [plaats 2] zou verhuizen, omdat haar nieuwe partner daar woont. De vrouw heeft toen verklaard dat zij niet wist of zij in de toekomst zou verhuizen naar [plaats 2] . Kort na de beschikking van 20 april 2026 heeft de vrouw aan de man verteld dat zij haar tijdelijke woonruimte in [woonplaats] moest verlaten en voorlopig met de kinderen op een camping in [plaats 1] zou verblijven. De man heeft daar bezwaar tegen gemaakt en hier geen toestemming voor gegeven. Op 18 mei 2026 heeft de advocaat van de vrouw per email bericht dat de vrouw met haar partner een woning heeft gekocht in [plaats 2] en dat zij van plan is om per 1 juli 2026 te verhuizen. De vrouw heeft geen overleg gevoerd met de man over de voorgenomen verhuizing naar [plaats 2] , maar hem voor een voldongen feit gesteld, aldus de man. Ook heeft zij de rechtbank tijdens de zitting van 23 maart 2026 onjuist geïnformeerd. De man vindt dat de vrouw de noodzaak om naar [plaats 2] te verhuizen onvoldoende heeft onderbouwd. De kinderen zijn geworteld in [woonplaats] . Zij gaan in [woonplaats] naar school en hebben daar hun sociale contacten. De grootouders van de kinderen (aan beide kanten) wonen ook in [woonplaats] . Daarnaast heeft de verhuizing naar [plaats 2] gevolgen voor de zorgregeling. De man heeft in de bodemprocedure namelijk gevraagd om een co-ouderschapsregeling vast te stellen en hoopt dat dat uiteindelijk ook is hoe de zorg voor de kinderen verdeeld gaat worden. Mocht de vrouw toestemming krijgen om naar [plaats 2] te verhuizen, dan wordt de uitvoering van een dergelijke regeling heel moeilijk. De man vindt een dwangsom nodig, omdat hij twijfels heeft of de vrouw het vonnis gaat naleven.
3.3
De vrouw voert verweer. Zij is het niet eens met de vorderingen van de man. De vrouw vindt dat de man geen spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen. Zij heeft de man telkens geïnformeerd over haar woonsituatie, en de vastgestelde voorlopige zorgregeling wordt nagekomen, ondanks de extra reistijd. Ook vindt de vrouw dat het niet in het belang van de kinderen is als zij worden toevertrouwd aan hun vader. De man is nauwelijks betrokken geweest bij belangrijke gebeurtenissen in het leven van de kinderen en hij kijkt alleen maar naar zijn eigen belang, aldus de vrouw. De vrouw heeft tijdens de zitting daarnaast verteld dat sprake is van jarenlange dwingende controle, dat zij heel bang is voor de man en zich daarom niet in staat voelde om de mogelijke verhuizing al in een nog eerder stadium met hem te bespreken.
3.4
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie
3.5
De vrouw heeft een vordering in reconventie – een tegenvordering – ingesteld. Zij vordert:

aan haar vervangende toestemming te verlenen om met ingang van 1 juli 2026 met de kinderen naar [plaats 2] te verhuizen;

de man de veroordelen in de kosten van de procedure.
3.6
De vrouw heeft ter onderbouwing aangegeven dat zij na het feitelijk uiteengaan van partijen in september 2025 tijdelijk tot 1 mei 2026 een woning kon huren. Daarna heeft zij met moeite een tijdelijke verblijf in een caravan kunnen regelen op een camping in [plaats 1] tot 1 juli 2026. Andere opties waren er niet, zij heeft daar wel haar best voor gedaan. Deze plek moet zij per 1 juli 2026 verlaten en zij heeft geen alternatieve woonruimte in [woonplaats] . De vrouw wil daarnaast ook niet in [woonplaats] blijven wonen. Tussen partijen is volgens de vrouw sprake van een ongezonde dynamiek en zij voelt zich niet veilig in [woonplaats] . Zij heeft intussen samen met haar nieuwe partner een woning gekocht in [plaats 2] . De verhuizing naar [plaats 2] heeft geen invloed op de zorgregeling tussen de man en de kinderen zoals die nu is, omdat deze voortgezet kan worden. De afstand tussen [plaats 2] en [woonplaats] bedraagt 25 kilometer en de daarmee samenhangende reistijd is beperkt en niet belastend voor de kinderen. De vrouw is bereid om de kinderen vanuit [plaats 2] naar school in [woonplaats] te brengen totdat in de bodemprocedure een beslissing is genomen over de definitieve zorgregeling.
3.7
De man heeft tijdens de zitting verweer gevoerd tegen de tegenvorderingen van de vrouw en vindt dat de tegenvorderingen van de vrouw afgewezen moeten worden. Hij is van mening dat de vrouw zich onvoldoende heeft ingespannen om woonruimte in [woonplaats] te vinden. Ook heeft de vrouw geen toestemming aan hem gevraagd om samen met de kinderen naar [plaats 2] te verhuizen. In plaats daarvan heeft de vrouw hem voor een voldongen feit gesteld. De vrouw is er al een hele lange tijd van op de hoogte dat de man de zorg voor de kinderen gelijkelijk wil verdelen. Een verhuizing naar [plaats 2] heeft invloed op de praktische uitvoering van een co-ouderschapsregeling.
3.8
Ook op deze stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
<nr>4</nr>De beoordeling in conventie en reconventie
Spoedeisend belang
4.1
Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. Voor toewijzing is nodig dat partijen daarbij een spoedeisend belang hebben. Dat betekent, kort samengevat, dat van partijen niet gevraagd kan worden dat zij een beslissing in de bodemprocedure afwachten. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vorderingen aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. De voorzieningenrechter dient de verschillende belangen tegen elkaar af te wegen. Daarbij staan de belangen van de kinderen voorop, maar ook andere belangen kunnen een rol spelen.

Verbod verhuizing naar [plaats 1]
4.2
De voorzieningenrechter zal de vordering van de man over de verhuizing naar [plaats 1] afwijzen, omdat hij geen belang (meer) bij een beslissing daarover heeft. De vrouw heeft toegelicht dat zij uiterlijk op 1 juli 2026 de camping in [plaats 1] moet verlaten. Dit betekent dat de vrouw en de kinderen op de datum van dit vonnis niet meer op de camping in [plaats 1] verblijven. Een inhoudelijke beoordeling van deze vordering van de man is daarom niet meer nodig.

Verbod verhuizing naar [plaats 2]
4.3
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de man een voldoende spoedeisend belang heeft bij zijn vordering die gaat over de verhuizing naar [plaats 2] , omdat de vrouw van plan is om per 1 juli 2026 samen met de kinderen naar [plaats 2] te verhuizen.
4.4
De voorzieningenrechter zal de vrouw verbieden om met de kinderen naar [plaats 2] te verhuizen en bij wijze van voorlopige voorziening bepalen dat zij met de kinderen binnen de gemeente [woonplaats] moet blijven wonen. Wel krijgt de vrouw daarvoor gedurende de zomervakantie de tijd. De voorzieningenrechter legt hierna uit hoe zij tot deze beslissing komt.
4.5
Partijen hebben samen het gezag over de kinderen en dat betekent dat als de vrouw met de kinderen wil verhuizen naar een andere woonplaats, de man daarvoor toestemming moet geven. Weliswaar geldt dit gezamenlijk gezag pas sinds kort, namelijk vanaf 20 april 2026, maar de vrouw had er al eerder rekening mee kunnen en moeten houden dat dit gezamenlijk gezag er waarschijnlijk zou komen. De man heeft hier namelijk al in september 2025 een verzoek toe ingediend, en het uitgangspunt is dat ouders samen het gezag over hun kinderen hebben. Onder deze omstandigheden had de vrouw ook vóór de beslissing van de rechtbank al met de man moeten overleggen of, als zij dat niet wilde, ingrijpende keuzes over de kinderen moeten uitstellen. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat een ouder met gezag óók verplicht is om een ouder zonder gezag te consulteren (dus: te raadplegen) over belangrijke beslissingen over de kinderen. Dat staat in de wet. De vrouw heeft ook niet gesteld, laat staan dat zij heeft onderbouwd, dat de beslissing om een huis in [plaats 2] te kopen niet kon wachten tot nadat er over het gezag was beslist, en dus tot duidelijk was of de man hier ook over mocht meebeslissen. Zij heeft verteld dat zij de woning in [plaats 2] medio maart, in ieder geval vóór de zitting in de bodemprocedure, heeft gekocht. Tijdens de zitting in de bodemprocedure heeft de vrouw dit niet verteld, ook niet toen haar werd gevraagd of zij naar [plaats 2] zou verhuizen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit niet de juiste aanpak is geweest, en geen recht doet aan de positie van de man als vader, en inmiddels gezaghebbende vader, van de kinderen.
4.6
De voorzieningenrechter overweegt hierbij dat de angst voor de man die de vrouw heeft, dit niet anders maakt. Volgens de vrouw blijkt uit het dossier dat die angst terecht is en dat er sprake is van jarenlange dwingende controle door de man, maar de man heeft dit betwist, en de voorzieningenrechter ziet hiervoor onvoldoende onderbouwing. Anders dan de vrouw heeft gesteld, is er (in ieder geval in dit kort geding) geen sprake van ‘een heel dossier’ waaruit dit blijkt. De enige stukken die de vrouw heeft overgelegd en waarnaar zij in dit verband verwijst, zijn (i) een uitdraai van haar patiëntendossier van de huisarts, en (ii) een WhatsApp-bericht tussen haar en de man. De voorzieningenrechter constateert het volgende:

( i) Uit het dossier van de huisarts blijkt enkel dat de vrouw in de periode van 21 oktober 2024 tot 24 maart 2025 enkele malen de huisarts heeft bezocht. Daar heeft zij onder meer besproken dat er relatieproblemen zijn en dat relatietherapie is opgestart. Over het gedrag van de man staat in de aantekeningen van de huisarts alleen dat de man de vrouw tijdens discussies volgens haar ‘verbaal met de grond gelijk maakt’. Voor het overige gaan de aantekeningen wel over het feit dat de vrouw met haar relatie en met zichzelf worstelt, maar niet over gedrag van de man;

( ii) De screenshots van WhatsApp-berichten waar de vrouw naar verwijst, gaan volgens haar over een huis aan de [adres] in [woonplaats] dat zij heeft bezichtigd. De vrouw stelt dat de man daar vervolgens direct zou zijn langsgereden om te kijken of hij die woning geschikt voor haar vond, en dat dat haar beangstigde. Uit de appjes blijkt dat de vrouw de man een grapje stuurt over het koffieapparaat, en daarna vraagt “ben jij niet mee naar de kinderboerderij?”. De man antwoordt: “Ik ging even langs de [adres] en bandjes oppompen van haar nieuwe fiets. Ze wilt zo een lekker stukje fietsen. Hoe is je stem? ”. Of en hoe de vrouw daarop heeft gereageerd, blijkt niet uit de screenshots.
4.7
De voorzieningenrechter ziet in deze beide stukken onvoldoende aanwijzingen voor dwingende controle. Dwingende controle (ook wel coercive control of intieme terreur) is een ernstige en soms moeilijk te herkennen vorm van huiselijk geweld. Dat gaat verder dan het ‘verbaal met de grond gelijk maken’ van een ander tijdens een discussie, hoe naar en beschadigend dat op zichzelf ook kan zijn. Het gaat bij dwingende controle, kortgezegd, om een gedragspatroon waarbij de ene (ex-)partner de ander sterk domineert. Een patroon betekent dat er sprake is van een herhalend, structureel karakter. De vrouw heeft in dit kort geding niet laten zien dat er van zo’n patroon sprake is geweest. De voorzieningenrechter is zich ervan bewust dat het plaatsvinden van huiselijk geweld – dat zich per definitie ‘achter de voordeur’ afspeelt – moeilijk te onderbouwen kan zijn. Daarnaast realiseert de voorzieningenrechter zich dat de aanwezigheid van appjes waarin grapjes worden gemaakt, of waarin een normale toon wordt gehanteerd, niet betekent dat er ‘dus’ geen dwingende controle kan zijn. Echter, ook als dit wordt meegewogen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat een enkele opmerking in het huisartsendossier en een ogenschijnlijk neutraal appbericht onvoldoende aanknopingspunt vormt om dwingende controle aan te nemen. Daarbij merkt de voorzieningenrechter voor de volledigheid op dat het hier om een kort geding gaat, waar door het karakter van de procedure geen ruimte is voor verdere bewijslevering of onderzoeken. De aantijging van dwingende controle is, kortom, niet voldoende onderbouwd en vormt geen gegronde noodzaak voor de verhuizing naar [plaats 2] met de kinderen.
4.8
Een verhuizing naar [plaats 2] van de vrouw met de kinderen zou voorts wel degelijk gevolgen voor de zorgregeling kunnen hebben, ook al heeft de vrouw tijdens de zitting verteld dat zij de voorlopige zorgregeling die nu geldt, zal nakomen. De man heeft in de bodemprocedure gevraagd om een co-ouderschapsregeling vast te stellen. De rechtbank heeft de Raad op 20 april 2026 opdracht gegeven om te onderzoeken welke zorgregeling in het belang van de kinderen is. De verwachting is dat de Raad het rapport en advies begin 2027 bij de rechtbank zal indienen. Daarna zal nog een mondelinge behandeling worden gepland. In een ongunstig scenario zal pas over een jaar een inhoudelijke behandeling van het verzoek van de man plaatsvinden. Het tijdsverloop kan voor de man ongunstig uitvallen als de vrouw en de kinderen dan al langere tijd in [plaats 2] wonen en de kinderen daar geworteld zijn. Een co-ouderschapsregeling waarbij de ene ander in [woonplaats] woont en de ander in [plaats 2] , zou voor de kinderen mogelijk te belastend kunnen worden gevonden.
4.9
De voorzieningenrechter begrijpt dat de vrouw, gelet op het feit dat zij de camping in [plaats 1] moet verlaten, op zoek moet naar andere vervangende woonruimte. Ook heeft de rechtbank er oog voor dat dit lastig is. Daarom zal de voorzieningenrechter bepalen dat het verbod ingaat na de zomervakantie. Tijdens de zomervakantie mag de moeder dus met de kinderen in [plaats 2] (of een andere plek in Nederland) verblijven. Vanaf het moment dat het nieuwe schooljaar begint, 17 augustus 2026, geldt het verbod om met de kinderen buiten de gemeente [woonplaats] te verhuizen.

Voorlopige toevertrouwing kinderen
4.10
In de bodemprocedure is recent de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw bepaald. De man wil dat, als de vrouw niet tijdig met de kinderen terugverhuist naar [woonplaats] , de kinderen aan hem worden toevertrouwd en hun hoofdverblijfplaats voorlopig bij hem wordt bepaald. De voorzieningenrechter vindt dat de man onvoldoende spoedeisend belang heeft bij dit vergaande dwangmiddel. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat, zoals hierna wordt uitgelegd, er al een ander dwangmiddel wordt opgelegd (namelijk: dwangsommen) en dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen pas recent bij de vrouw is bepaald.

Vervangende toestemming verhuizing naar [plaats 2]
4.11
In een kort geding procedure moet terughoudend worden omgegaan met het verlenen van vervangende toestemming voor een verhuizing van de kinderen. Het geven van vervangende toestemming voor een verhuizing is namelijk een ingrijpende en vergaande beslissing en van een spoedeisend belang is niet snel sprake. In uitzonderlijke gevallen kan een dergelijke beslissing wel gerechtvaardigd zijn. Tijdens de zitting heeft de voorzieningenrechter toegelicht dat een verzoek tot vervangende toestemming verhuizing door deze rechtbank in beginsel meervoudig (door drie rechters) en in een bodemprocedure wordt behandeld. De voorzieningenrechter vindt dat in deze zaak geen sprake is van een uitzonderlijke situatie die maakt dat aan de vrouw in kort geding toestemming moet worden verleend voor een verhuizing en zij de beslissing in een bodemprocedure niet kan afwachten. Als de vrouw dus na dit vonnis nog steeds de wens heeft om met de kinderen naar [plaats 2] te verhuizen, en de man geeft daar niet alsnog toestemming voor, ligt het op haar weg om een verzoek tot vervangende toestemming te doen in een bodemprocedure.

Dwangsom
4.12
De voorzieningenrechter ziet aanleiding om een dwangsom aan de vorderingen te verbinden omdat zij er op voorhand niet van overtuigd is dat de vrouw gaat meewerken. De vrouw stelt weliswaar in haar processtukken dat zij de man altijd openheid heeft gegeven over haar woonsituatie, maar tijdens de zitting is gebleken dat dit niet klopt. De vrouw heeft tijdens de zitting in de bodemprocedure immers gezegd dat zij niet wist of ze naar [plaats 2] zou verhuizen maar zij had op dat moment al een voorlopig koopcontract getekend. Ook heeft de vrouw gezegd dat zij niet in [woonplaats] kan, maar ook niet wil wonen. De vrouw schrijft wel dat zij ‘niet voornemens is rechterlijke beslissingen te negeren’. In dat geval heeft de vrouw ook geen ‘last’ van de dwangsom. De voorzieningenrechter zal de dwangsom maximeren zoals hierna staat vermeld.

Proceskosten
4.13
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij de eigen kosten draagt. Partijen zijn namelijk ex-partners en dat is op grond van de wet een reden om de proceskosten te compenseren.
<nr>5</nr>De beslissing
De voorzieningenrechter

in conventie
5.1
verbiedt de vrouw om met de kinderen te verhuizen naar [plaats 2] ;
5.2
bepaalt dat het de vrouw wel is toegestaan om tijdens de zomervakantie 2026, tot en met 16 augustus 2026, met de kinderen in [plaats 2] (of op een andere plek in Nederland) te verblijven;
5.3
bepaalt dat het de vrouw niet is toegestaan om samen met de kinderen buiten de gemeente [woonplaats] te verhuizen zonder instemming van de man;
5.4
een en ander op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor elke dag of dagdeel dat de vrouw in strijdt handelt met het verbod onder 5.1 en 5.3, tot een maximum van € 10.000,00;
5.5
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.7
wijst het meer of anders in conventie gevorderde af,

in reconventie
5.8
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.9
wijst het meer of anders in reconventie gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Atema, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2026.

Zaak- en rolnummer C/16/600389 FL RK 25-1020.

Voor de volledigheid en om discussies tijdens de zomervakantie te voorkomen, wijst de rechtbank erop dat voor een vakantie naar het buitenland altijd toestemming van de andere ouder noodzakelijk is. Dat valt verder buiten het bestek van dit kort geding.

Artikel delen