Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBNHO:2026:3250

Gedaagde heeft eiser mishandeld. Eiser heeft daar letsel aan overgehouden. Gedaagde is door de strafrechter veroordeeld voor poging tot doodslag en mishandeling. De rechtbank wijst de gevorderde immateriële schadevergoeding af. De strafrechter heeft al een immateriële schadevergoeding van € 15.000,- vastgesteld. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat er een hogere immateriële schadevergoeding m...

Rechtbank Noord-Holland 4 June 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBNHO:2026:3250 text/xml public 2026-06-04T14:57:06 2026-03-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-03-25 C/15/366893/ HA ZA 25-379 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Alkmaar Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:3250 text/html public 2026-06-04T14:44:45 2026-06-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:3250 Rechtbank Noord-Holland , 25-03-2026 / C/15/366893/ HA ZA 25-379
Gedaagde heeft eiser mishandeld. Eiser heeft daar letsel aan overgehouden. Gedaagde is door de strafrechter veroordeeld voor poging tot doodslag en mishandeling. De rechtbank wijst de gevorderde immateriële schadevergoeding af. De strafrechter heeft al een immateriële schadevergoeding van € 15.000,- vastgesteld. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat er een hogere immateriële schadevergoeding moet worden betaald. De gevorderde materiële schadevergoeding wijst de rechtbank deels toe.
RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht

Zittingsplaats Alkmaar

Zaaknummer: C/15/366893 / HA ZA 25-379

Vonnis van 25 maart 2026

in de zaak van

[eiser] ,

te [woonplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

advocaat: mr. I.P. van Rossen,

tegen

[gedaagde] ,

te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. A.T. Leigh.

De zaak in het kort

[gedaagde] heeft [eiser] op 27 februari 2020 eerst in zijn gezicht geslagen en vervolgens met een mes in zijn borst gestoken. [eiser] heeft daar letsel aan overgehouden. [gedaagde] is door de strafrechter veroordeeld voor poging tot doodslag en mishandeling van [eiser] . In deze procedure vordert [eiser] immateriële (smartengeld) en materiële schadevergoeding. De rechtbank wijst de gevorderde immateriële schadevergoeding af. De strafrechter heeft al een immateriële schadevergoeding van € 15.000,- vastgesteld. [eiser] heeft onvoldoende onderbouwd dat er een hogere immateriële schadevergoeding moet worden betaald. De gevorderde materiële schadevergoeding wijst de rechtbank deels toe.
<nr>1</nr>De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding (met producties 1 tot en met 3),

de conclusie van antwoord (met producties 1 en 2),

het tussenvonnis van 10 september 2025,

de mondelinge behandeling van 17 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Mr. Van Rossen heeft gebruik gemaakt van spreekaantekeningen, die hij tijdens de mondelinge behandeling heeft overgelegd. Deze spreekaantekeningen zijn onderdeel geworden van de processtukken.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
<nr>2</nr>Feiten 2.1.
Op 27 februari 2020 heeft [gedaagde] [eiser] eerst meerdere malen met kracht in zijn gezicht geslagen. Tijdens een tweede confrontatie tussen partijen heeft [gedaagde] een mes in de hartstreek van [eiser] gestoken. [eiser] heeft hier letsel aan overgehouden.
2.2.
De strafrechter heeft [gedaagde] bij vonnis van 6 augustus 2020 veroordeeld voor poging tot doodslag en mishandeling van [eiser] . In de strafzaak had [eiser] als benadeelde partij een vordering tot schadevergoeding ingediend voor de schade die hij heeft geleden, waaronder € 25.000,- aan immateriële schade. De strafrechter heeft de vordering van [eiser] toegewezen tot een bedrag van € 16.188,88, bestaande uit € 1.188,88 aan materiële schade en aan immateriële schadevergoeding een bedrag van € 15.000,-. [eiser] is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.
2.3.
Sinds 14 december 2022 verblijft [gedaagde] in voorlopige hechtenis vanwege verdenking van andere strafbare feiten. In de zaak waarvoor [gedaagde] in voorlopige hechtenis zit, loopt een hoger beroep procedure. De strafrechter bij de rechtbank heeft aan [gedaagde] in deze zaak TBS met dwangverpleging opgelegd.
2.4.
[eiser] heeft [gedaagde] bij brief van 30 oktober 2023 aansprakelijk gesteld voor zijn geleden en nog te lijden schade. In deze brief maakt [eiser] aanspraak op een materiële schadevergoeding van € 12.688,34. In de brief stelt [eiser] daarnaast dat zijn immateriële schade veel hoger is dan het bedrag dat door de strafrechter is toegewezen. Hij verzoekt [gedaagde] nog een aanvullend bedrag van € 20.000,- aan hem te vergoeden. [gedaagde] is niet tot betaling overgegaan.
<nr>3</nr>Het geschil 3.1.
[eiser] vordert – samengevat – dat de rechtbank

I. voor recht verklaart dat [gedaagde] volledig aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het incident op 27 februari 2020,

II. een materiële schadevergoeding vaststelt ter hoogte van € 12.668,34,

III. een (aanvullende) immateriële schadevergoeding vaststelt ter hoogte van € 20.000,-,

IV. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
Ter onderbouwing van zijn vorderingen stelt [eiser] dat hij blijvende gezondheidsproblemen heeft opgelopen naar aanleiding van het incident op 27 februari 2020. Hij heeft onder andere zenuwschade en een posttraumatische stressstoornis (PTSS). Hij heeft daarnaast ook psychische problemen. De door de strafrechter toegekende schadevergoeding dekt slechts een deel van zijn schade.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. Hij wijst erop dat hij opnieuw gedetineerd is geraakt. Hij is in de nieuwe strafzaak in eerste aanleg veroordeeld tot betaling van ruim € 32.000,- aan schadevergoeding en verwacht niet in staat te zijn de komende jaren enig bedrag aan [eiser] te kunnen betalen. [gedaagde] betwist dat er een hoger bedrag aan immateriële schadevergoeding zou moeten worden betaald. Wat betreft de gevorderde materiële schade betwist hij de schadeposten sportschoolabonnement, littekencorrectie en huishoudelijke hulp. De andere kosten kunnen worden toegewezen, op een bedrag van € 46,05 na.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
<nr>4</nr>De beoordeling 4.1.
De strafrechter heeft [gedaagde] veroordeeld voor een poging tot doodslag van [eiser] en de mishandeling van [eiser] op 27 februari 2020. [gedaagde] betwist niet dat hij hiermee onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] en dat hij aansprakelijk is voor de schade die [eiser] als gevolg van het incident heeft geleden en nog zal lijden. De onder I gevorderde verklaring voor recht zal dan ook worden toegewezen zoals is vermeld in de beslissing.
4.2.
In het strafvonnis heeft de rechtbank de door [eiser] gevorderde materiële en immateriële schadevergoeding gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 16.188,88 en [gedaagde] veroordeeld tot betaling daarvan. Van dat bedrag was € 15.000,- een vergoeding voor de immateriële schade van [eiser] . [eiser] vordert in de huidige zaak dat [gedaagde] wordt veroordeeld een aanvullende immateriële schadevergoeding en een materiële schadevergoeding aan hem te betalen. De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot het vaststellen van een aanvullende immateriële schadevergoeding moet worden afgewezen. De gevorderde materiële schadevergoeding wijst de rechtbank deels toe. Waarom de rechtbank tot deze oordelen komt, wordt in de volgende overwegingen uitgelegd.

Immateriële schadevergoeding
4.3.
De rechtbank benadrukt dat een juridische discussie over de hoogte van de te betalen schadevergoeding voor een slachtoffer van een ernstig geweldsdelict zoals [eiser] is overkomen ingewikkeld is. Uit eerdere rechtspraak volgt dat de rechter bij de bepaling van de omvang van de vergoeding rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden van de benadeelde. De rechter moet echter de zwaarte van het verdriet, de ernst van de pijn, het gemis aan levensvreugde en het geschokte rechtsgevoel afleiden uit min of meer objectieve (neutrale) factoren en concrete aanwijzingen. Concrete aanwijzingen zijn bijvoorbeeld de aard van het letsel en de gevolgen daarvan voor de benadeelde. De wijze waarop en de intensiteit waarmee het derven van levensvreugde door de benadeelde wordt beleefd, zal in een rechtszaak vaak niet, of anders heel globaal kunnen worden vastgesteld. Bij de begroting van dat nadeel moet dan ook worden geabstraheerd (losmaken) van de concrete beleving en in meer objectieve zin moet worden vastgesteld in welke mate van nadeel sprake is.
4.4.
In de Nederlandse rechtspraak wordt bij het bepalen van de hoogte van immateriële schadevergoeding aangesloten bij de hoogte van schadevergoedingsbedragen die in vergelijkbare zaken met een vergelijkbaar letsel zijn vastgesteld. Een dergelijk systeem geeft aan welke bedragen door rechters redelijk worden geacht. De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaak van dit systeem af te wijken. Alleen al niet omdat namens [eiser] niet is onderbouwd waarom niet van dit systeem zou kunnen worden uitgegaan.
4.5.
In het strafproces heeft [eiser] een immateriële schadevergoeding gevorderd van € 25.000,-. De strafrechter heeft over deze vordering als volgt geoordeeld:

Tevens komt de rechtbank een gedeeltelijke vergoeding van de gestelde immateriële schade billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen tot een bedrag van € 15.000,- vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij zal voor het overige deel in die vordering niet-ontvankelijk verklaard worden.

[gedaagde] en het Openbaar Ministerie zijn niet in hoger beroep gegaan van het vonnis van de strafrechter. Dat betekent dat het vonnis gezag van gewijsde heeft en dat de rechtbank daaraan in de onderhavige zaak gebonden is. Dit is alleen anders als er nieuwe feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht waarmee de strafrechter bij zijn beoordeling geen rekening heeft gehouden of heeft kunnen houden. Het is de rechtbank niet gebleken dat er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden.
4.6.
[gedaagde] stelt onbetwist dat de advocaat van [eiser] in de strafzaak ter onderbouwing van de gevorderde immateriële schadevergoeding van € 25.000,- heeft aangevoerd dat er sprake was van zenuwschade en PTSS bij [eiser] . [gedaagde] stelt ook onbetwist dat de jarenlange gevolgen die dergelijke problematiek met zich meebrengt bij de strafrechter uitvoerig zijn besproken. Hoewel dat niet met zoveel woorden blijkt uit het strafvonnis moet er, uit de door [gedaagde] gestelde omstandigheden, van uit worden gegaan dat bij het beoordelen van de hoogte van de te betalen immateriële schadevergoeding met deze grondslagen en de jarenlange duur daarvan rekening is gehouden.
4.7.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. Van Rossen namens [eiser] gesteld dat de hogere door hem gevorderde schadevergoeding van in totaal € 35.000,- een absoluut arbitrair bedrag is. Mr. Van Rossen heeft daaraan toegevoegd dat hij met [eiser] heeft besproken te laten berekenen wat de inkomensschade van [eiser] is, maar dat daarvan is afgezien omdat [eiser] deze kostbare berekening niet kan betalen. Mr. Van Rossen gaf aan dat ‘op de achterkant van een bierviltje’ een berekening is gemaakt van de inkomensschade. De rechtbank begrijpt dat dit heeft geresulteerd in de vordering tot betaling van een aanvullende immateriële schadevergoeding van € 20.000,-. Deze benaderingswijze strookt niet met het in Nederland gangbare systeem waarbij voor het vaststellen van de hoogte van schadevergoedingsbedragen wordt gekeken wat in vergelijkbare zaken aan bedragen wordt vastgesteld. Daar komt bij dat immateriële schadevergoeding niet ziet op inkomensschade. Immateriële schadevergoeding wordt immers betaald voor schade die wordt veroorzaakt door verdriet, smart of geestelijk gemis. Als [eiser] meent dat hij als gevolg van het incident inkomensschade heeft geleden, dient hij dat onder die noemer van [gedaagde] te vorderen en niet als immateriële schade. Onder deze omstandigheden heeft [eiser] de hogere door hem gevorderde immateriële schadevergoeding onvoldoende onderbouwd. Om die reden zal de rechtbank deze vordering van [eiser] afwijzen.

Materiële schadevergoeding
4.8.
Aan materiële schadevergoeding vordert [eiser] een bedrag van € 12.668,34. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

kosten gemaakte fysiobehandelingen € 118,00

kosten eigen risico 2021 + 2022 + 2023 € 1.155,00

reiskosten psychologische behandelingen € 185,70

benzinekosten medische behandelingen € 368,32

parkeerkosten medische behandelingen € 68,40

reiskosten behandelingen ziekenhuis € 189,42

sportschool abonnement € 828,00

litteken correctie € 2.500,00

medische kosten € 24,00

huishoudelijke hulp 10-03-2020 t/m 09-06-2020 € 951,50

huishoudelijke hulp 09-06-2020 t/m 25-04-2023 € 6.280,00
4.9.
De schadevergoeding genoemd in de posten a. tot en met f. en i. zal de rechtbank toewijzen omdat [gedaagde] tegen deze kosten geen verweer heeft gevoerd. Van deze bedragen wordt wel een bedrag van € 46,05 afgetrokken omdat [eiser] erkent dat hij deze kosten ook al in de strafzaak heeft opgevoerd.
4.10.
[gedaagde] heeft wel verweer gevoerd tegen de kosten samenhangend met het sportschoolabonnement, de littekencorrectie en de huishoudelijke hulp. De rechtbank overweegt wat betreft deze kosten als volgt.

Sportschoolabonnement
4.10.1.
[gedaagde] stelt dat deze post door [eiser] onvoldoende is onderbouwd. Daarnaast is volgens [gedaagde] onvoldoende onderbouwd dat er sprake is van een causaal verband tussen het steekincident en deze schadepost.

[eiser] heeft een brief (offerte) gedateerd op 19 september 2022 van de Praktijk voor Fysiotherapie Health Kliniek in Zaandam overgelegd. In deze brief wordt [eiser] geadviseerd minimaal één jaar intensief begeleid te trainen (zwemmen, medisch fitness, personal training) onder begeleiding van een therapeut (en/of personal trainer). Daarbij wordt geadviseerd dit minimaal twee jaar aan te houden als onderhoud om terugval te voorkomen.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] toegelicht dat hij na het incident kampt met agressie, woede en mentale problemen. [eiser] vertelde dat hij zijn vrienden kwijt is geraakt en dat hij met niemand kan praten over wat er is gebeurd en waar hij last van heeft. De personal trainer is daar een uitzondering op. Deze trainer is stipt op tijd en brengt verlichting. Door de trainer krijgt [eiser] weer vertrouwen in personen. Namens [gedaagde] is op deze toelichting van [eiser] tijdens de mondelinge behandeling niet gereageerd. Gelet op het advies van de Praktijk voor Fysiotherapie Health Kliniek in combinatie met de toelichting die [eiser] tijdens de zitting heeft gegeven, is de rechtbank van oordeel dat [eiser] voldoende heeft onderbouwd dat het sportschoolabonnement noodzakelijk is geweest voor zijn herstel van het steekincident. De rechtbank neemt het vereiste causaal verband tussen deze schadepost en het steekincident dan ook aan. [gedaagde] heeft de hoogte van deze kosten daarnaast niet betwist. De rechtbank zal dit deel van de vordering van [eiser] daarom ook toewijzen.

Littekencorrectie
4.10.2.
[gedaagde] stelt dat onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van een medische noodzaak tot het ondergaan van een littekencorrectie. De rechtbank verwerpt dit verweer.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] toegelicht dat hij zich schaamt voor het litteken op zijn borst en dat hij om die reden bijvoorbeeld niet durft te zwemmen. Namens [eiser] is benadrukt dat er een medische noodzaak is om het litteken weg te werken vanwege het feit dat het litteken [eiser] steeds herinnert aan wat er is gebeurd. Namens [gedaagde] is deze toelichting niet weersproken.

Het litteken van [eiser] bevindt zich op een prominente plek op zijn borst en [eiser] wordt daar dagelijks mee geconfronteerd. Hierdoor wordt hij ook iedere dag opnieuw herinnerd aan wat hem is overkomen. De rechtbank volgt [eiser] daarom in zijn stelling dat het voor hem noodzakelijk is het litteken te laten corrigeren. Omdat de hoogte van de door [eiser] overgelegde offerte niet is betwist, zal de rechtbank de volledige gevorderde kosten voor deze post toewijzen.

Huishoudelijke hulp
4.10.3.
[gedaagde] stelt dat [eiser] ook de kosten van huishoudelijke hulp onvoldoende heeft onderbouwd. De enkele verwijzing van [eiser] naar de Richtlijn Huishoudelijke Hulp 2020 volstaat volgens [gedaagde] niet. Niet is gebleken op welke wijze kan worden vastgesteld dat [eiser] over de gehele gevorderde periode mantelzorg heeft ontvangen, op welke wijze kan worden vastgesteld dat de verdeling van deze taken voor het steekincident inderdaad 50/50 tussen [eiser] en zijn moeder was en op welke wijze [eiser] aan zijn schadebeperkingsplicht heeft voldaan, aldus [gedaagde] .
4.10.4.
De rechtbank is van oordeel dat dit onderdeel van de vordering deels moet worden toegewezen en deels moet worden afgewezen. De rechtbank stelt voorop dat [eiser] in de dagvaarding niets over deze kosten stelt. Hij verwijst enkel naar de brief van 30 oktober 2023. Volgens vaste rechtspraak kunnen kosten voor huishoudelijke werkzaamheden voor vergoeding in aanmerking komen. Het moet dan gaan om werkzaamheden waarvan het in de situatie waarin een slachtoffer verkeert normaal en gebruikelijk is dat zij worden verricht door professionele voor hun diensten betaalde hulpverleners. Daarbij is niet van belang of de huishoudelijke werkzaamheden daadwerkelijk worden verricht door iemand die daarvoor betaald krijgt. In de brief van 30 oktober 2023 stelt [eiser] dat hij voor het incident een aandeel in het huishouden had van 50%. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] verklaard dat hij samen met zijn broer en zusje bij zijn moeder en stiefvader woonde. Ieder had in het huishouden een eigen taak. De taken van [eiser] bestonden uit wassen, afwassen en stofzuigen.
4.10.5.
Gelet op de ernst van het aan [eiser] toegebrachte letsel, acht de rechtbank aannemelijk dat hij de eerste dertien weken na het incident hulp heeft gehad voor het verrichten van zijn hzuishoudelijke taken. Het gaat dan om werkzaamheden waarvan het in de situatie van [eiser] normaal en gebruikelijk is dat zij tegen betaling worden verricht door hulpverleners. Bij het vaststellen van de hoogte van de kosten voor huishoudelijke hulp volgt de rechtbank, net als [eiser] , de richtlijn huishoudelijke hulp 2020. Voor de eerste acht weken gaat de rechtbank uit van het normbedrag voor een gezin met inwonende kinderen ouder dan vijf jaar en (overeenkomstig de stelling van [eiser] over die periode) de categorie zwaar beperkt van € 295,-. De rechtbank gaat daarbij uit van een bijdrage van [eiser] van 25% aangezien het de rechtbank niet duidelijk is geworden welk deel van de huishoudelijke taken de andere gezinsleden op zich namen. De bijdrage kosten huishoudelijke hulp komt daarmee voor de eerste acht weken uit op een bedrag van (€ 295,- X 8 weken X 25% =) € 590,-. Voor de overige vijf weken gaat de rechtbank uit van dezelfde gezinssamenstelling en dan de categorie licht beperkt tot matig beperkt van € 148,-. De bijdrage voor deze vijf weken komt daarmee op een bedrag van (€ 148,- X 5 weken X 25% =) € 185,-. In totaal betreft het een bedrag van (€ 590,- + € 185,- =) € 775,-.
4.10.6.
De rechtbank wijst de overige door [eiser] gevorderde kosten af omdat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij na de eerste acht weken ook hulp nodig had bij zijn huishoudelijke taken. Het lag op zijn weg aan de hand van de medische toestand te onderbouwen dat hij ook die periode nog zodanig beperkt was dat hij niet (of in mindere mate) in staat was huishoudelijke taken te verrichten. Dit heeft hij niet heeft gedaan. De verwijzing van [eiser] naar de richtlijn huishoudelijke hulp van de Letselschaderaad maakt het oordeel van de rechtbank over de periode na de eerste acht weken niet anders omdat deze richtlijn is bedoeld om de hoogte van de te bepalen vergoeding van huishoudelijke kosten vast te stellen, niet om het bestaan van deze schade te onderbouwen. Omdat de rechtbank van oordeel is dat [eiser] over dit deel van de vordering onvoldoende heeft gesteld, komt de rechtbank niet toe aan het bewijsaanbod van [eiser] .

Conclusie
4.11.
Wat betreft de door [eiser] gevorderde materiële schadevergoeding zal de rechtbank toewijzen een bedrag van (€ 2.108,84 -/- € 46,05 =) € 2.062,79 in verband met posten a. tot en met f. en i., een bedrag van € 828,- in verband met het sportschoolabonnement, € 2.500,- in verband met de littekencorrectie en € 775,- in verband met kosten huishoudelijke hulp. In totaal betreft het een bedrag van € 6.165,79.

(Proces)Kosten
4.12.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Anders dan [gedaagde] aanvoert, is zijn stelling dat hij betalingsonmachtig is geen reden een proceskostenveroordeling achterwege te laten. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- griffierecht



90,00

- salaris advocaat



1.108,00

(2 punten × € 554,00)

- nakosten



189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal



1.387,00
4.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.14.
In de dagvaarding benoemt [eiser] dat [gedaagde] ook buitengerechtelijke kosten dient te betalen. [eiser] heeft echter nagelaten dit onder het petitum van de dagvaarding te vorderen. Om die reden zal de rechtbank over deze kosten geen beslissing geven.
<nr>5</nr>De beslissing
De rechtbank
5.1.
verklaart voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het incident op 27 februari 2020,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] aan materiële schadevergoeding een bedrag te betalen van € 6.165,79,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.387,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. N. Boots en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.

MKG/NB

Hoge Raad 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE2149, r.o. 3.5

Rechtbank Amsterdam 23 maart 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1653

Artikel delen