Voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
Rechtbank Noord-Holland 22 May 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:5368
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
13-05-2026
Datum publicatie
22-05-2026
Zaaknummer
C/15/377903 / JU RK 26-752
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBNHO:2026:5368text/xmlpublic2026-05-22T11:57:182026-05-13Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Noord-Holland2026-05-13C/15/377903 / JU RK 26-752UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLAlkmaarCiviel recht; Personen- en familierechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:5368text/htmlpublic2026-05-22T11:57:052026-05-22Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBNHO:2026:5368 Rechtbank Noord-Holland , 13-05-2026 / C/15/377903 / JU RK 26-752 Voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie- en Jeugdrecht
Locatie Alkmaar Zaaknummer: C/15/377903 / JU RK 26-752
Datum uitspraak: 13 mei 2026 Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de Raad,
gevestigd in Haarlem, over
[de minderjarige 1]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,
[de minderjarige 2]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 2] ,
[de minderjarige 3]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 3] ,
[de minderjarige 4]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 4] ,
[de minderjarige 5]
, geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 5] , de ongeboren baby [de ongeboren baby],
hierna te noemen: de ongeboren baby. De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres, en
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
en de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de GI.,
gevestigd in Amsterdam. 1Het verloop van de procedure De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het schriftelijke verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 13 mei 2026. 2De feiten2.1. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] en [de minderjarige 5] . 2.2. De kinderen verblijven in een gezinsgerichte accommodatie. 2.3. De moeder is zwanger van de thans nog ongeboren baby. 2.4. Bij (spoed)beschikking van 19 februari 2026 heeft de kinderrechter van deze rechtbank de kinderen en de ongeboren baby voorlopig onder toezicht gesteld tot 19 mei 2026. De kinderrechter heeft op de zitting van 25 februari 2026 de voorlopige ondertoezichtstelling bekrachtigd. 2.5. Bij (spoed)beschikking van 9 maart 2026 heeft de kinderrechter van deze rechtbank een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verleend voor 4 weken, te weten tot 6 april 2026, welke machtiging vervolgens bij beschikking van 7 april 2026 is bekrachtigd en aansluitend is verlengd tot 19 mei 2026. 3Het verzoek3.1. De Raad verzoekt nu om opnieuw [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] , [de minderjarige 5] en de ongeboren baby voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van vier weken en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] en [de minderjarige 5] in een gezinsgerichte voorziening te verlenen voor de duur van vier weken en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen. 4De beoordeling4.1. De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. Op 30 april 2026 heeft de Raad een reguliere ondertoezichtstelling, voor de duur van 12 maanden voor alle kinderen en de ongeboren baby, en een machtiging tot uithuisplaatsing voor plaatsing van de kinderen in een gezinsgerichte voorziening, voor de duur van zes maanden, verzocht. Nu de behandeling van dit verzoek gepland staat op [datum] en de voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing op 19 mei 2026 aflopen, heeft de Raad zich genoodzaakt gezien tot het indienen van een spoedverzoek. Gezien de ernst van de zorgen, acht de Raad het van groot belang dat beide maatregelen van kracht blijven om de veiligheid van de kinderen in de periode tussen de afloop van de voorlopige maatregelen en de reguliere zitting te waarborgen. 4.2. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] , [de minderjarige 5] en de ongeboren baby acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. 4.3. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] en [de minderjarige 5] uit huis worden geplaatst. 4.4. De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] , [de minderjarige 5] en de ongeboren baby. Daarom stelt de kinderrechter [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] , [de minderjarige 5] en de ongeboren baby opnieuw voorlopig onder toezicht voor de duur van vier weken. Ook machtigt de kinderrechter de GI om [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] , [de minderjarige 4] en [de minderjarige 5] wederom uit huis te plaatsen voor de duur van vier weken. 4.5. De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 4.6. De Raad en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 5De beslissing De kinderrechter: 5.1. stelt [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ;
[de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ;
[de minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ;
[de minderjarige 4], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ;
[de minderjarige 5], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ; en
de ongeboren baby [de ongeboren baby];
voorlopig onder toezicht van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 13 mei 2026 tot 10 juni 2026; 5.2. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ;
[de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ;
[de minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ;
[de minderjarige 4], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ;
[de minderjarige 5], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ;
in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 13 mei 2026 tot 10 juni 2026; 5.3. verklaart de beslissing onder 5.2. uitvoerbaar bij voorraad; 5.4. houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan; 5.5. roept de Raad, de GI, de vader en de moeder op voor de zitting van mr. J. Lintjer op [datum] in het gerechtsgebouw van deze rechtbank De Appelaar aan Simon de Vrieshof 1 in Haarlem; 5.6. bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting. Deze beschikking is gegeven door mr. N. Cuvelier, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026, in aanwezigheid van M.P. van Driel als griffier. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen. Artikel 1:257 BW. Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).