Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBNHO:2026:8056

Wraking. Verzoekster verzoekt om de voorzitter van de wrakingskamer te wraken. Het verzoek wordt afgewezen.

Rechtbank Noord-Holland 6 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBNHO:2026:8056 text/xml public 2026-07-06T12:00:22 2026-07-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-07-01 C/15/379601 KG RK 26-478 Uitspraak Beschikking NL Alkmaar Civiel recht; Burgerlijk procesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:8056 text/html public 2026-07-02T15:20:44 2026-07-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:8056 Rechtbank Noord-Holland , 01-07-2026 / C/15/379601 KG RK 26-478
Wraking. Verzoekster verzoekt om de voorzitter van de wrakingskamer te wraken. Het verzoek wordt afgewezen.

beslissing
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Wrakingskamer

zaaknummer / rekestnummer: C/15/379601 KG RK 26-478

Beslissing van 1 juli 2026

Op het verzoek tot wraking ingediend door:

[verzoekster] , te [woonplaats]

verzoekster.

Het verzoek is gericht tegen:

mr. J.H. Gisolf

hierna te noemen: mr. Gisolf.
<nr>1</nr>Procesverloop 1.1
Verzoekster heeft op 30 juni 2026 om 13:57 uur schriftelijk de wraking verzocht van mr. Gisolf in de bij deze rechtbank, team Handel, Kanton & Bewind, locatie Alkmaar aanhangige wrakingsprocedure met als zaaknummer C/15/378781 / KG RK 26/423, hierna te noemen: de eerste wrakingsprocedure.
1.2
De wrakingskamer heeft vervolgens op grond van de hierna opgenomen overwegingen besloten geen datum te bepalen voor een mondelinge behandeling van het verzoek en bepaald dat vandaag uitspraak zal worden gedaan.
<nr>2</nr>De uitgangspunten 2.1.
Tussen verzoekster en [verweerder] , wonende te [woonplaats] , is een verzoekschriftprocedure aanhangig waarbij verzoekster de kantonrechter – onder meer - heeft verzocht om [verweerder] te ontslaan uit zijn hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van [erflater] , geboren op [geboortedatum] 1931, overleden op 29 juni 2015. Deze procedure wordt hierna aangeduid als de verzoekschriftprocedure.

De verzoekschriftprocedure is onder behandeling van mr. J.S. Reid (hierna: de kantonrechter).
2.2.
Op 2 juni 2026 heeft in de verzoekschriftprocedure een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter bepaald dat op 30 juni 2026 uitspraak zou worden gedaan in de verzoekschriftprocedure.
2.3.
Op 5 juni 2026 heeft verzoekster de wrakingskamer schriftelijk verzocht om de kantonrechter te wraken (de eerste wrakingsprocedure). De wrakingskamer heeft hierop bepaald dat de mondelinge behandeling van dat verzoek zal plaatsvinden op 1 juli 2026 om 14:30 uur. De eerste wrakingsprocedure is onder behandeling van mr. Gisolf als voorzitter en mrs. H. Bakker en C.H. De Jonge van Ellemeet als leden van de wrakingskamer.
2.4.
Op 30 juni 2026 om 13:57 uur heeft verzoekster schriftelijk de wraking van mr. Gisolf verzocht (de tweede wrakingsprocedure).
<nr>3</nr>Het standpunt van verzoekster<?linebreak?> 3.1.
Verzoekster heeft onder verwijzing naar verschillende bijgevoegde bijlages ter onderbouwing van het tweede wrakingsverzoek – kort gezegd – het volgende aangevoerd.

Mr. Gisolf is niet als kantonrechter werkzaam en is de laatste jaren evenmin als kantonrechter werkzaam geweest. Nog afgezien daarvan heeft hij geen kennis van het erfrecht. Dit alles brengt mee dat mr. Gisolf niet beschikt over de volgens het Wrakingsprotocol vereiste expertise om de eerste wrakingsprocedure te behandelen. Dit geldt ook voor de andere rechters die de eerste wrakingsprocedure behandelen.

Daarnaast heeft verzoekster in 2024 tijdens de mondelinge behandeling van een kort geding al aanvaringen met mr. Gisolf gehad. De onderlinge relatie tussen hen is slecht. Het in 2024 gevoerde kort geding en de verzoekschriftprocedure gaan allebei over hetzelfde onderwerp: de executele van de nalatenschap van [erflater] . Verzoekster heeft bij de mondelinge behandeling in kort geding geen gelegenheid gekregen om haar standpunt naar voren te brengen. Mr. Gisolf vond dat verzoekster haar mond moest houden. Mr. Gisolf legde de in het kort geding neergelegde eis van verzoekster uit als een weigerachtige houding van haar kant. Verzoekster heeft in de kortgedingprocedure van mr. Gisolf ongelijk gekregen.
<nr>4</nr>De beoordeling 4.1
Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert. Daarnaast kan een partij de indruk krijgen dat de rechter vooringenomen is. Beslissend daarvoor is of de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd is.
4.2.
Verzoekster stelt dat mr. Gisolf niet werkzaam is (geweest) als kantonrechter en verbindt daaraan de conclusie dat hij niet kan worden belast met de behandeling als voorzitter van het eerste - tegen een kantonrechter gericht – wrakingsverzoek. De wrakingskamer stelt vast dat deze grond niet ziet op de eventuele (vrees voor) het ontbreken van de rechterlijke onpartijdigheid van mr. Gisolf. Reeds daarom kan dit niet met succes aan het wrakingsverzoek ten grondslag worden gelegd.
4.3.
Daarbij komt dat, anders dan verzoekster aanvoert, het Wrakingsprotocol rechtbank Noord-Holland niet vereist dat de voorzitter (of een lid) van de wrakingskamer die is belast met de behandeling van een wrakingsverzoek, in dezelfde afdeling werkzaam is (geweest) als de rechter tegen wie een wrakingsverzoek zich richt. Dat mr. Gisolf de laatste jaren niet als kantonrechter werkzaam is of is geweest, brengt dan ook niet mee dat hij niet kan worden belast met de behandeling als voorzitter van het eerste - tegen een kantonrechter gericht - wrakingsverzoek. Datzelfde geldt ook voor het gegeven dat mr. Gisolf geen kennis van of ervaring met zaken op het gebied van erfrecht zou hebben.
4.4.
De door verzoekster aangedragen feiten en omstandigheden over de in 2024 ten overstaan van mr. Gisolf gevoerde kortgedingprocedure, kunnen evenmin met succes aan het wrakingsverzoek ten grondslag worden gelegd. Een onwelgevallig oordeel van een rechter in een eerdere juridische procedure is op zichzelf geen grond voor wraking. Een dergelijk oordeel doet namelijk niet af aan het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn. Dat zowel de kortgedingprocedure als de verzoekschriftprocedure waarin de wraking van de kantonrechter is verzocht betrekking zouden hebben op de executele van dezelfde nalatenschap, maakt hiervoor geen verschil.
4.5.
Over de door verzoekster gestelde gang van zaken tijdens de mondelinge behandeling van de in 2024 gevoerde kortgedingprocedure overweegt de wrakingskamer als volgt. De wrakingskamer stelt voorop dat de rechter die een zaak behandelt, de regie voert en verantwoordelijk is voor de orde in de zittingszaal. De rechter bepaalt het verloop en de voortgang van de procedure en de zitting en de wijze van behandeling. De rechter heeft in deze regierol een aanzienlijke vrijheid. Een voor verzoekster onwelgevallige vraag of opmerking van de rechter in dat verband leidt daarom in beginsel niet tot (een gerechtvaardigde vrees voor) het ontbreken van onpartijdigheid bij de rechter. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat de stijl of de toon van de rechter bij het stellen van vragen voor verzoekster (in haar beleving) onaangenaam is geweest.
4.5.
Gelet op het voorgaande is de wrakingskamer van oordeel dat de over de mondelinge behandeling in 2024 aangedragen feiten en omstandigheden geen zwaarwegende aanwijzing vormen dat mr. Gisolf jegens verzoekster een vooringenomenheid koestert. Evenmin kan uit deze feiten en omstandigheden worden afgeleid dat de bij verzoekster bestaande vrees voor partijdigheid van mr. Gisolf objectief gerechtvaardigd is.
4.6.
De door verzoekster aangedragen gronden kunnen niet leiden tot wraking van mr. Gisolf. De wrakingskamer zal het verzoek afwijzen.
<nr>5</nr>Beslissing
De rechtbank
5.1
wijst het verzoek af,
5.2
beveelt de griffier onverwijld aan verzoekster, mr. Gisolf, de kantonrechter en de wederpartij in de verzoekschriftenprocedure een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden,
5.3
beveelt dat het eerste wrakingsverzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het tweede wrakingsverzoek.



Deze beslissing is gegeven door mr. N. Boots, voorzitter, mr. F.J. Lourens en mr. A.E. Merkus, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.

griffier voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Artikel delen