Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBNHO:2026:8345

Beslissing op het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep op grond van artikel 446 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van de meervoudige raadkamer. De rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is van een ‘krachtens dit wetboek genomen vordering’ en dat de officier van justitie daarom kan worden ontvangen in zijn hoger beroep. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de officier v...

Rechtbank Noord-Holland 8 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBNHO:2026:8345 text/xml public 2026-07-08T15:02:17 2026-07-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-04-28 15-040767-26 Uitspraak Raadkamer NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:8345 text/html public 2026-07-08T14:33:07 2026-07-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:8345 Rechtbank Noord-Holland , 28-04-2026 / 15-040767-26
Beslissing op het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep op grond van artikel 446 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van de meervoudige raadkamer.

De rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is van een ‘krachtens dit wetboek genomen vordering’ en dat de officier van justitie daarom kan worden ontvangen in zijn hoger beroep.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de officier van justitie de noodzaak tot het verrichten van onderzoek aan de telefoon onvoldoende onderbouwd. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Strafrecht

Zittingsplaats Haarlem

parketnummer : 15-040767-26

Beslissing op het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep op grond van artikel 446 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van de meervoudige raadkamer van 14 april 2026

in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats] ,

inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:

[adres] .
De procedure
Het hoger beroep is achter gesloten deuren behandeld in de meervoudige raadkamer van 14 april 2026. Gehoord is de officier van justitie, mr. J.J. van Bree. De rechtbank heeft toepassing gegeven aan artikel 23 lid 6 Sv en de verdachte niet opgeroepen.

De vordering van de officier van justitie bij de rechter-commissaris

De officier van justitie heeft op 10 februari 2026 een vordering met onderliggende stukken ingediend bij de rechter-commissaris die ertoe strekt een machtiging te verlenen tot het verrichten van onderzoek van gegevens op de inbeslaggenomen telefoon van de verdachte. De vordering ziet op het verrichten van onderzoek naar alle in de telefoon aanwezige gegevens zonder beperking in periode. Met deze vordering is beoogd te voldoen aan de vereiste voorafgaande toetsing van de rechter-commissaris, wanneer de toegang tot de gegevens het risico van een ernstige of zeer ernstige inmenging in de grondrechten van de betrokkene met zich brengt (Hof van Justitie van de Europese Unie 4 oktober 2024, CG tegen Bezirkshauptmannschaft Landeck, C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830, en Hoge Raad 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409).

De beslissing van de rechter-commissaris

De rechter-commissaris heeft op 12 februari 2026 de vordering afgewezen. De rechter-commissaris heeft daartoe overwogen dat uit de vordering en onderliggende stukken blijkt dat er sprake is van een verdenking van mishandeling, gepleegd door een politieambtenaar tegen zijn partner. Het onderzoek aan de telefoon lijkt echter veeleer te zijn ingegeven door de wens van de politie om als werkgever van de verdachte onderzoek te doen naar het functioneren van en naleven van de wet door haar werknemer. De rechter-commissaris heeft geoordeeld dat de bevoegdheid tot het doen van onderzoek aan de telefoon daar niet voor is bedoeld en voorts dat er minder vergaande middelen denkbaar zijn. Het onderzoek aan de telefoon is dan ook niet in overeenstemming met de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit.

Het hoger beroep van de officier van justitie

Op 24 februari 2026 heeft de officier van justitie hoger beroep ingesteld en op 6 maart 2026 een schriftuur ingediend. De officier van justitie heeft bij de behandeling in de raadkamer van 14 april 2026 gepersisteerd bij de inhoud van het appelschriftuur en deze nader toegelicht.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een vordering die krachtens het Wetboek van Stafvordering is genomen, in de zin van artikel 446 Sv, en dat hij daarom in zijn hoger beroep kan worden ontvangen. Subsidiair is de vordering aan te merken als een vordering ex artikel 181 Sv.

Er is sprake van een verdenking van (zware) mishandeling. Dit is een ernstig strafbaar feit en het is gebruikelijk dat de politie hier onderzoek naar doet. De verdachte heeft zijn partner in hulpeloze toestand achtergelaten en gelet op de mogelijke achterliggende problematiek bij de verdachte (PTSS en alcoholmisbruik), valt niet uit te sluiten dat al eerder incidenten hebben plaatsgevonden. De partner van de verdachte heeft geen aangifte willen doen, wat vaker voorkomt bij huiselijk geweld. Hierdoor zijn de middelen om onderzoek te doen naar dit feit beperkt. Daarom is het volgens de officier van justitie van belang om onderzoek te verrichten aan de telefoon van de verdachte naar dit incident en mogelijke eerdere geweldsincidenten. Afgeleid daarvan kunnen mogelijk maatregelen genomen worden ten aanzien van de beroepsuitoefening van de verdachte. Met dit laatste wordt niet meer bedoeld dan dat er naast het strafrechtelijke onderzoek ook een intern traject bij de politie aan de orde zal zijn.
De beoordeling
De ontvankelijkheid van het hoger beroep

De rechtbank stelt allereerst vast dat, overeenkomstig de wettelijke voorschriften, het hoger beroep binnen veertien dagen na de beslissing van de rechter-commissaris is ingediend en dus tijdig.

Daarnaast dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of artikel 446 Sv een grondslag biedt voor onderhavig hoger beroep. In het licht van het eerdergenoemde Landeck arrest is, bij gebrek aan een wettelijke regeling in het Wetboek van Strafvordering, in de praktijk een nieuwe werkwijze ontstaan, waarbij het openbaar ministerie voor de op basis van het Landeck arrest vereiste voorafgaande rechterlijke toetsing voor het verrichten van onderzoek aan een telefoon, een vordering tot het verkrijgen van een machtiging bij de rechter-commissaris doet. Hoewel het huidige Wetboek van Strafvordering het vorderen van zo’n machtiging niet als eis stelt, verzet het stelsel van dat wetboek zich er niet tegen dat de officier van justitie zo’n vordering doet, aldus de Hoge Raad.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat tegen een afgewezen Landeck-vordering hoger beroep mogelijk is en dat kan worden aangenomen dat sprake is van een ‘krachtens dit wetboek genomen vordering’. Een andere uitleg laat zich slecht verenigen met de hiervoor weergegeven jurisprudentie en verhoudt zich ook niet met het feit dat afgewezen vorderingen ex artikel 181 Sv appellabel zijn.

De officier van justitie kan dus in zijn hoger beroep worden ontvangen.

De inhoudelijke beoordeling

Met betrekking tot de inhoud van het hoger beroep overweegt de rechtbank als volgt.

Gevorderd is dat onderzoek zal worden verricht naar alle gegevens aanwezig in de telefoon, zonder een beperking in periode. Een zo verstrekkende vordering, die leidt tot een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, vergt een beoordeling of die inbreuk gerechtvaardigd is. Daarbij moet onder meer worden gelet op de aard en de gevoeligheid van de gegevens, de ernst van het strafbare feit waarop de verdenking betrekking heeft, de relatie tussen de gebruiker en het strafbare feit en het belang van het onderzoek aan de gegevensdrager voor de vaststelling van dit feit (waarheidsvinding).

De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie in onderhavige zaak de noodzaak tot het verrichten van onderzoek aan de telefoon vanwege de verdenking van een (zware) mishandeling door de verdachte onvoldoende heeft onderbouwd. Zo is niet duidelijk geworden waarom onderzoek aan de telefoon van de verdachte, zonder beperking in omvang of tijd, noodzakelijk is voor de waarheidsvinding naar de vermeende mishandeling op 24 januari 2026. De onderliggende stukken bieden ook geen aanknopingspunten voor de door de officier van justitie geopperde mogelijkheid van eerdere geweldsincidenten waarbij de verdachte betrokken zou zijn. Dat de verdachte bij de politie werkt, mogelijk te kampen heeft met PTSS of alcoholmisbruik zijn naar het oordeel van de rechtbank geen factoren die in het licht van het voorgaande een zo vergaand onderzoek aan de telefoon rechtvaardigen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de rechter-commissaris de juiste toetsingsmaatstaf heeft toegepast en de rechtbank ziet geen aanleiding om, met toepassing van deze maatstaf, anders te oordelen dan de rechter-commissaris heeft gedaan. Het hoger beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart het hoger beroep van de officier van justitie ongegrond;

- bepaalt dat de onderhavige beslissing van de rechtbank niet aan de verdachte (en diens advocaat) wordt verstrekt zolang het belang van het onderzoek zich tegen openbaarmaking verzet.
Samenstelling rechtbank en beslissingsdatum
Deze beslissing is gegeven door

mr. C.H. de Jonge van Ellemeet, voorzitter,

mr. M. Hoendervoogt en mr. E. van Kampen, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. W.S. Speelman,

en is in besloten raadkamer uitgesproken op 28 april 2026.

Tegen deze beslissing staat voor de officier van justitie geen rechtsmiddel open

Artikel delen