Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBNHO:2026:9549

Vovo verkeersbesluit. Instelling eenrichtingsverkeer voor een pilot van vier maanden in het kader van onderzoek naar de verkeersveiligheid. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college afdoende gemotiveerd welke belangen het verkeersbesluit dient en hoe deze belangen zich verhouden tot belangen van (onder meer) verzoekers. Daarbij acht de voorzieningenrechter van bel...

Rechtbank Noord-Holland 31 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBNHO:2026:9549 text/xml public 2026-07-31T15:00:30 2026-07-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-07-29 HAA 26/3572 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Haarlem Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:9549 text/html public 2026-07-31T10:59:30 2026-07-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:9549 Rechtbank Noord-Holland , 29-07-2026 / HAA 26/3572
Vovo verkeersbesluit. Instelling eenrichtingsverkeer voor een pilot van vier maanden in het kader van onderzoek naar de verkeersveiligheid. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college afdoende gemotiveerd welke belangen het verkeersbesluit dient en hoe deze belangen zich verhouden tot belangen van (onder meer) verzoekers. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat verzoekers de stelling dat zij schade zullen ondervinden van het verkeersbesluit op geen enkele wijze met financiële of verkeerstechnische gegevens hebben onderbouwd.
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 26/3572
uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 juli 2026 in de zaak tussen
[B.V. 1] ., uit [plaats 1] , [B.V. 2] ., uit [plaats 2] , en [B.V. 3] ., uit [plaats 2] , verzoekers

(gemachtigde: mr. T.B. van Dreumel),

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem
(gemachtigde: mr. T.F. Baars, [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] ).
Procesverloop
1. Met het besluit van 23 maart 2026 heeft het college een verkeersbesluit gepubliceerd in het Gemeenteblad. Dit verkeersbesluit houdt, voor zover hier van belang, in dat er een tijdelijke eenrichtingsweg wordt ingesteld op de Pijlslaan in Haarlem vanaf 3 augustus 2026, voor de duur van vier maanden.
1.1.
Verzoekers hebben tegen het verkeersbesluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen en het bestreden besluit te schorsen tot zes weken na het besluit op bezwaar.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens [B.V. 2] . en [B.V. 3] . [naam 4] , de gemachtigde van verzoekers en namens het college mr. T.F. Baars, [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] .
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat de voorlopige voorziening over?

2. Het college heeft naar aanleiding van de wens van de gemeenteraad en de ‘Motie 22.02 Veilig en bereikbaar Zuidwest’ onderzoek gedaan naar de mogelijkheden om maatregelen te treffen om de verkeersveiligheid op de Pijlslaan te verbeteren. In dat kader zijn onder meer onderzoeken verricht door Mobycon en Witteveen+Bos. Uiteindelijk heeft dit geleid tot het verkeersbesluit van 23 maart 2026. Eén van de te nemen maatregelen uit dat besluit is het, door middel van een pilot, invoeren van eenrichtingverkeer in westelijke richting tussen de Geweerstraat en de rotonde met de Stephensonstraat. De pilot duurt van 3 augustus 2026 tot en met 3 december 2026. In die periode gaat het projectteam informatie verzamelen om na afloop van de pilot te evalueren. Vervolgens zal een advies aan het college worden gegeven over de vraag of de ingreep bevorderlijk is voor een toekomstige verkeerssituatie op de Pijlslaan.

3. Verzoekers zijn eigenaar, huurder en exploitant van een bouwmarkt in de bedrijfsruimte aan [adres] . De Eysinkweg is een – met een rotonde verbonden – zijstraat van de Pijlslaan. Verzoekers vrezen schade te lijden als gevolg van het instellen van eenrichtingsverkeer op de Pijlslaan. Zo vrezen zij geconfronteerd te worden met omzetverlies, verminderde bereikbaarheid en (andere) logistieke ontregeling in de omgeving van de bouwmarkt.

Wat vinden verzoekers?

4. Verzoekers stellen zich op het standpunt dat het verkeersbesluit onzorgvuldig tot stand gekomen is. Zo zijn zij niet betrokken in de door het college georganiseerde ‘participatierondes’ en is er op geen enkel moment informatie of input gevraagd aan verzoekers (of andere bedrijven in de omgeving van de Pijlslaan). Het college heeft ook ten onrechte ook geen rekening gehouden met de verkeersstroom van- en naar de bouwmarkt, dat meestal niet bestaat uit normaal personenvervoer.
4.1.
Verzoekers stellen zicht voorts op het standpunt dat het besluit onvoldoende gemotiveerd is. In de door Mobycon en Witteveen+Bos uitgevoerde onderzoeken worden uitgebreidere maatregelenpakketten onderzocht. Het college gaat slechts een deel van de maatregelen uitvoeren, waarbij het college niet heeft onderbouwd dat toch dezelfde positieve resultaten verwacht mogen worden. Ook heeft het college volgens verzoekers onvoldoende rekening gehouden met het adviesrapport van de politie, waaruit blijkt dat negatieve gevolgen niet uit te sluiten zijn.
4.2.
Ten slotte stellen verzoekers zich op het standpunt dat het college heeft nagelaten de economische belangen van de bedrijven rondom de Pijlslaan mee te wegen. Zonder Retail Impact Analyse is de belangafweging ondeugdelijk. De belangen die het college nastreeft worden volgens verzoekers bovendien niet gediend met het verkeersbesluit en wegen ook niet op tegen het belang van verzoekers.

Is er sprake van een spoedeisend belang?

5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist.
5.1.
Verzoekers voeren aan dat sprake is van spoedeisend belang omdat er geen besluit op bezwaar zal komen vóór de pilot ingaat. Vanaf 3 augustus 2026 zullen verzoekers geconfronteerd worden met schade in de vorm van omzetverlies, verminderde bereikbaarheid en (andere) logistieke ontregeling, in een juist voor bouwmarkten vitale periode.
5.2.
Gelet op het feit dat de pilot op 3 augustus 2026 ingaat en is gebleken dat de beslissing op bezwaar pas eind augustus verwacht wordt, ziet de voorzieningenrechter op voorhand voldoende aanleiding om een spoedeisend belang aan te nemen.

Bestaat er aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen?

6. De voorzieningenrechter weegt de belangen van betrokken partijen en treft al dan niet op basis van deze belangenafweging een voorlopige voorziening. Onderdeel van die belangenafweging kan een inschatting over de rechtmatigheid van het besluit zijn, maar dit is niet noodzakelijk. De beoordeling door de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventuele beroepsprocedure niet.
6.1.
De voorzieningenrechter overweegt dat het college beoordelingsruimte heeft bij de beantwoording van de vraag wat nodig is ter bescherming van de verkeersbelangen genoemd in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994. De bestuursrechter moet nagaan of het college redelijkerwijs de beoordelingsruimte heeft kunnen invullen zoals het heeft gedaan in het bestreden besluit. Volgens vaste rechtspraak beoordeelt de bestuursrechter aan de hand van de tegen het besluit gerichte gronden of de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van het verkeersbesluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen (artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht). Daarbij geldt dat het bestuursorgaan niet de absolute noodzaak van een verkeersbesluit hoeft aan te tonen.
6.2.
De Wegenverkeerswet 1994 en het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer verplichten het college niet tot het bieden van inspraak of participatie aan ondernemers. De voorzieningenrechter overweegt voorts dat uit enkele overwegingen in het verkeersbesluit en hetgeen het college ter zitting heeft aangevoerd blijkt dat rekening is gehouden met de belangen van de ondernemers in de omgeving. Zo is besloten de eenrichtingsweg in te stellen tot de rotonde, zodat voorkomen wordt dat het vracht- en bestelverkeer via de route Leidsevaart-Pijlslaan moet rijden. Voorts heeft het college overwogen dat voor verkeer van buiten de stad Haarlem de bereikbaarheid van de bouwmarkt nagenoeg gelijk zal blijven. Voor verkeer van binnen Haarlem zal mogelijk sprake zijn van een wijziging van de route en extra reistijd, maar dit is volgens het college, gelet op het advies van Mobycon en Witteveen+Bos, acceptabel. Met een op 21 juli 2026 overgelegd ‘memo verkeerseffecten’ heeft het college onder meer inzicht gegeven in de reistijden naar vier willekeurige locaties in Haarlem met en zonder dat eenrichtingsverkeer is ingesteld op de Pijlslaan. Het college concludeert op basis van de memo dat de gevolgen van het instellen van eenrichtingsverkeer voor de bereikbaarheid van de bouwmarkt beperkt zijn. Er bestaat volgens het college dan ook geen aanleiding om op voorhand te voorzien in een schaderegeling.
6.3.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college afdoende gemotiveerd welke belangen het verkeersbesluit dient en hoe deze belangen zich verhouden tot belangen van (onder meer) verzoekers. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat verzoekers de stelling dat zij schade zullen ondervinden van het verkeersbesluit op geen enkele wijze met financiële of verkeerstechnische gegevens hebben onderbouwd.
6.4.
Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter vooralsnog geen reden om aan te nemen dat aan de belangen van verzoekers in bezwaar doorslaggevend gewicht zal worden toegekend en het verkeersbesluit na heroverweging geen stand zal kunnen houden. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening.
Conclusie en gevolgen
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.E. Molin, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1938.

Artikel delen