Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBNHO:2026:9602

Deze uitspraak gaat over de beslissing van het college om het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk te verklaren. Voor de flat van eiser zijn twee parkeerplaatsen gemarkeerd met een E9-bord voor ‘vergunninghouders’. Aan het naastgelegen gezondheidscentrum zijn twee ontheffingen verleend om aldaar te mogen parkeren. Eiser is het er met name niet mee eens dat de twee parkeerplaatsen met het E9-bord...

Rechtbank Noord-Holland 3 August 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBNHO:2026:9602 text/xml public 2026-08-03T14:43:42 2026-07-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-07-30 HAA 25/2546 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Haarlem Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:9602 text/html public 2026-07-31T13:22:44 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:9602 Rechtbank Noord-Holland , 30-07-2026 / HAA 25/2546
Deze uitspraak gaat over de beslissing van het college om het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk te verklaren. Voor de flat van eiser zijn twee parkeerplaatsen gemarkeerd met een E9-bord voor ‘vergunninghouders’. Aan het naastgelegen gezondheidscentrum zijn twee ontheffingen verleend om aldaar te mogen parkeren. Eiser is het er met name niet mee eens dat de twee parkeerplaatsen met het E9-bord aan de openbaarheid zijn onttrokken. Volgens het college kan eiser echter geen bezwaar maken omdat het plaatsen van het bord een feitelijke handeling is en geen besluit. Daarnaast is eiser volgens het college geen belanghebbende bij de parkeerontheffingen. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college eiser ten onrechte niet heeft aangemerkt als belanghebbende bij de verleende parkeerontheffingen. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. De discussie tussen partijen over de vraag of voor het plaatsen van het E9-bord enig verkeersbesluit vereist is, zal inhoudelijk dan aan bod komen in de bezwaarprocedure. Het verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke uitspraaktermijn wijst de rechtbank af
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 25/2546
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [plaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad
(gemachtigde: mr. C.J. Loggen-ten Hoopen).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de beslissing van het college om het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk te verklaren. Voor de flat van eiser zijn twee parkeerplaatsen gemarkeerd met een E9-bord voor ‘vergunninghouders’. Aan het naastgelegen gezondheidscentrum zijn twee ontheffingen verleend om aldaar te mogen parkeren. Eiser is het er met name niet mee eens dat de twee parkeerplaatsen met het E9-bord aan de openbaarheid zijn onttrokken. Volgens het college kan eiser echter geen bezwaar maken omdat het plaatsen van het bord een feitelijke handeling is en geen besluit. Daarnaast is eiser volgens het college geen belanghebbende bij de parkeerontheffingen. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college eiser ten onrechte niet heeft aangemerkt als belanghebbende bij de verleende parkeerontheffingen. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. De discussie tussen partijen over de vraag of voor het plaatsen van het E9-bord enig verkeersbesluit vereist is, zal inhoudelijk dan aan bod komen in de bezwaarprocedure. Het verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke uitspraaktermijn wijst de rechtbank af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
2.1.
De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Procesverloop 3.1.
Op 4 juli 2024 heeft het college twee parkeerontheffingen (op kenteken) verleend aan artsen van het gezondheidscentrum Saendelft. Hiermee mogen hun auto’s parkeren op de twee voor vergunninghouders aangemerkte parkeerplaatsen ter hoogte van [adres] in [plaats] . Tegen deze besluiten heeft eiser bezwaar gemaakt.
3.2.
In de beslissing op bezwaar van 17 april 2025 heeft het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser volgens het college geen belanghebbende is bij de verkeersontheffingen, omdat hij kort gezegd te ver weg zou wonen van de parkeerplaatsen. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank.
3.3.
Bij wijzigingsbesluit van 18 september 2025 heeft het college het bezwaar opnieuw niet-ontvankelijk verklaard, met een gewijzigde motivering. Aan deze beslissing legt het college het advies van de bezwarencommissie van 8 september 2025 ten grondslag.
3.4.
Eiser heeft op 5 oktober 2025 aanvullende beroepsgronden ingediend. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Daarna heeft eiser nog twee nadere reacties ingediend.
3.5.
De rechtbank heeft het beroep op 10 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam] (juridisch medewerker gemeente Zaanstad).
Beoordeling door de rechtbank
Procesbelang

4. De rechtbank overweegt dat de beide parkeerontheffing zijn verleend voor de duur van 2 jaren, vanaf 4 juli 2024. Ten tijde van de zitting waren de parkeerontheffingen dus verlopen. De gemachtigde van het college gaf daarop aan dat de parkeerontheffingen naar verwachting verlengd zullen worden, of al zijn verlengd. Gelet hierop neemt de rechtbank procesbelang aan.

Beroep tegen het besluit van 17 april 2025

5. Het beroep van eiser voor zover gericht tegen de beslissing op bezwaar van 17 april 2025 is gegrond. Eiser heeft aangevoerd dat hij direct boven de betreffende parkeerplaatsen woont, en daarmee voldoet aan het afstands- en zichtcriterium. Dit aspect maakt dus niet dat eiser geen belanghebbende is. Het college heeft dit standpunt gevolgd en is in zoverre aan het beroep van eiser tegemoetgekomen.

Beroep tegen het besluit van 18 september 2025
6.1.
Op grond van artikel 6:19, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van eiser mede betrekking op het besluit van 18 september 2025, voor zover eiser daar belang bij heeft. Eiser heeft aanvullende beroepsgronden gericht tegen de beslissing op bezwaar van 18 september 2025. Anders dan het college stelt in het verweerschrift, leest de rechtbank wel gronden tegen het deel van het bestreden besluit over de parkeerontheffingen. Zo voert eiser aan dat hij belanghebbende is.
6.2.
Het college heeft in het besluit van 18 september 2025 beoordeeld dat het bezwaar van eiser langs twee wegen niet-ontvankelijk is. Het plaatsen van het E9-bord ‘vergunninghouders’ met het parkeerverbod voor de twee parkeerplaatsen, is een feitelijke handeling en geen besluit. Zonder besluit kan eiser geen bezwaar maken. Daarnaast is eiser geen belanghebbende bij de besluiten tot ontheffing van dat parkeerverbod, omdat hij daar geen direct persoonlijk belang bij heeft. Volgens het college heeft alleen de aanvrager belang bij het al dan niet verlenen van een ontheffing, en niet eiser als omwonende.

Belanghebbende?
7.1.
De rechtbank overweegt dat de parkeerontheffingen een verkeersbesluit zijn. Uit vast rechtspraak volgt dat een verkeersbesluit de feitelijke verkeerssituatie wijzigt. Eigenaren of gebruikers van woningen of bedrijven die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervinden van de gewijzigde verkeerssituatie, zijn in beginsel belanghebbende bij dat besluit. De feitelijke gevolgen moeten wel van enige betekenis zijn. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis zijn, wordt gekeken naar de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen. Degene die zijn of haar belang ontleent aan het gebruik van de weg, is slechts belanghebbende bij een verkeersbesluit als hij of zij een bijzonder, individueel belang heeft bij dat besluit, en dat belang zich in voldoende mate onderscheidt van dat van andere weggebruikers. Van geval tot geval moet worden onderzocht wiens belangen rechtstreeks bij een besluit zijn betrokken.
7.2.
Eiser voert aan dat hij wel belanghebbende is bij de parkeerontheffingen. Hij woont in de directe omgeving van de parkeerplaatsen waar de ontheffingen voor zijn verleend en hij ervaart met name in de weekenden en op feestdagen parkeerdruk bij zijn woning. Op die momenten zijn de auto’s die een ontheffing hebben niet op de twee uitgezonderde plaatsen aanwezig, omdat de artsen van het gezondheidscentrum die plaatsen alleen nodig hebben en gebruiken onder werktijden, niet zijnde ’s avonds en in het weekend. Als bewoner kan eiser dan geen gebruik maken van de parkeerplaatsen.
7.3.
De rechtbank is van oordeel dat het college eiser ten onrechte niet heeft aangemerkt als belanghebbende bij de verleende parkeerontheffingen. Eiser ondervindt als bewoner rechtstreeks het feitelijke gevolg dat er bij zijn woning minder parkeerplaatsen beschikbaar zijn doordat in feite voor het gezondheidscentrum twee parkeerplaatsen gereserveerd zijn. Dit gaat ten koste van twee reguliere, openbare, parkeerplaatsen. De rechtbank vindt het ook aannemelijk dat eiser op bepaalde momenten parkeerdruk ervaart bij zijn woning, terwijl deze twee parkeerplaatsen op die momenten door de ontheffinghouders niet gebruikt worden. Daarom kan hij worden aangemerkt als belanghebbende.

Samenhang E9-bord en ontheffingen
8.1.
Het beroep tegen het betreden besluit van 18 september 2025 is dus ook gegrond. De rechtbank ziet daarbij aanleiding om het gehele besluit te vernietigen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
8.2.
De rechtbank overweegt dat eiser zich primair verzet tegen de plaatsing van het E9-bord, dus tegen het instellen van een parkeerverbod, waardoor de twee parkeerplaatsen aan de openbaarheid worden onttrokken. Volgens eiser ontbreekt de (wettelijke) grondslag voor het parkeerverbod. Op grond van de Parkeerverordening is de Kaaikhof niet aangewezen als vergunningengebied, zodat eerst formele besluitvorming nodig is, voordat het E9-bord ‘vergunninghouders’ geplaatst mag worden, aldus eiser.
8.3.
De rechtbank volgt de ‘knip’ die het college maakt in het bestreden besluit tussen enerzijds de niet-ontvankelijkheid vanwege het feitelijk plaatsen van het bord (een feitelijke handeling), wat daar verder ook van zij, en anderzijds vanwege de belanghebbendheid bij de parkeerontheffingen, niet. Eiser heeft in bezwaar aangevoerd dat er samenhang is tussen deze onderwerpen. Bij de inhoudelijke beoordeling van zijn bezwaar dient zodoende nog aan de orde te komen of voor het instellen van het parkeerverbod, door het E9-bord te plaatsen, enig verkeersbesluit vereist is. De bestreden ontheffingen zijn immers een uitzondering op dat parkeerverbod en artikel 62 van de RVV 1990. Als het verbod niet juist is ingesteld, kunnen er ook geen ontheffingen verleend worden. Vooralsnog is niet vast komen te staan dat voor het plaatsen van het E9-bord ‘vergunninghouders’ geen (enkel) verkeersbesluit nodig is op grond van de Parkeerverordening Zaanstad.

9. Hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd behoeft gelet op het voorgaande geen bespreking.

Overschrijding redelijke termijn?
10.1.
Eiser heeft verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke uitspraaktermijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens.
10.2.
De rechtbank stelt voorop dat de redelijke termijn uit artikel 6 EVRM is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Een redelijke termijn is als de rechtbank binnen twee jaar uitspraak doet. De termijn vangt aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. In dit geval heeft eiser het bezwaarschrift per webformulier op 31 juli 2024 ingediend. Met deze uitspraak van 30 juli 2026 is de redelijke uitspraaktermijn niet overschreden. Eiser heeft daarom geen recht op een schadevergoeding.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten van 17 april 2025 en 18 september 2025. Eiser heeft daarom recht op een proceskostenvergoeding. Het verzoek om een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke uitspraaktermijn wijst de rechtbank af.

12. Eiser heeft reiskosten gemaakt om aanwezig te zijn bij de zitting. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding vast op een bedrag van € 15,78. Dit zijn de reiskosten op basis van kosten retour met openbaar vervoer 2e klas (bus en trein) vanaf het woonadres van eiser naar de rechtbank. Het college moet deze proceskostenvergoeding betalen.
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten van 17 april 2025 en 18 september 2025;

- draagt het college op om opnieuw op het bezwaar van eiser te beslissen met inachtneming van deze uitspraak;

- wijst het verzoek om een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke uitspraaktermijn af;

- veroordeelt het college tot een proceskostenvergoeding aan eiser van € 15,78.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, rechter, in aanwezigheid van mr. I.A. Bakker, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht

Artikel 1:2, eerste lid

1 Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Artikel 1:3, eerste lid

1 Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

RVV 1990

Artikel 62

Weggebruikers zijn verplicht gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden

Als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

Als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

Artikel delen