Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBNNE:2026:2429

In deze zaken gaat het om de intrekking van de bijstand van eiser en om de afwijzing van zijn daaropvolgende aanvraag. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat op het uitkeringsadres sprake was van een (zeer) laag verbruik van gas en elektriciteit. In combinatie met overige onderzoeksbevindingen maakt dit volgens het college aannemelijk dat eiser niet op het uitkeringsadres woonde. De beroe...

Rechtbank Noord-Nederland 9 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBNNE:2026:2429 text/xml public 2026-07-09T12:00:04 2026-06-22 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-06-22 25/2459 + 25/3101 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Groningen Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2429 text/html public 2026-06-22T12:38:23 2026-07-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:2429 Rechtbank Noord-Nederland , 22-06-2026 / 25/2459 + 25/3101
In deze zaken gaat het om de intrekking van de bijstand van eiser en om de afwijzing van zijn daaropvolgende aanvraag. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat op het uitkeringsadres sprake was van een (zeer) laag verbruik van gas en elektriciteit. In combinatie met overige onderzoeksbevindingen maakt dit volgens het college aannemelijk dat eiser niet op het uitkeringsadres woonde. De beroepen zijn gegrond. Artikel 17 en 54 PW.
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 25/2459 en 25/3101
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juni 2026 in de zaken tussen [eiser], uit [plaats], eiser
(gemachtigde: mr. G. Bakker),

en
het college van burgemeester en wethouders van Het Hogeland, het college
(gemachtigde: E.M. Braam).
Samenvatting
In deze zaken gaat het om de intrekking van de bijstand van eiser en om de afwijzing van zijn daaropvolgende aanvraag. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat op het uitkeringsadres sprake was van een (zeer) laag verbruik van gas en elektriciteit. In combinatie met overige onderzoeksbevindingen maakt dit volgens het college aannemelijk dat eiser niet op het uitkeringsadres woonde. Eiser is het daarmee niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand daarvan beoordeelt de rechtbank de beroepen.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiser niet op het uitkeringsadres woonde. Eiser krijgt dus gelijk en zijn beroepen zijn gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
1. Met het besluit van 25 november 2024 (primair besluit 1) heeft het college eisers recht op bijstand met ingang van 26 april 2019 ingetrokken. Met het bestreden besluit van 5 juni 2025 (bestreden besluit 1) op het bezwaar van eiser is het college bij die intrekking gebleven.
1.1.
Eiser heeft op 4 november 2024 een nieuwe aanvraag ingediend voor bijstand. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 28 januari 2025 (primair besluit 2) afgewezen. Met het bestreden besluit van 16 juli 2025 (bestreden besluit 2) op het bezwaar van eiser is het college bij die afwijzing gebleven.

2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Het college heeft op de beroepen gereageerd met verweerschriften.
2.1.
De rechtbank heeft de beroepen op 9 april 2026 samen op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
3. Bij de beoordeling van de beroepen zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
3.1.
Vanaf 15 april 2019 huurde eiser een appartement aan de [adres] in [plaats] (het uitkeringsadres). Vanaf 26 april 2019 ontving hij bijstand.
3.2.
Op 1 mei 2024 had eiser een gesprek met een participatiecoach in verband met een heronderzoek. Desgevraagd heeft hij bankafschriften over de periode van 24 januari 2024 tot en met 21 april 2024 ingeleverd. Uit die bankafschriften bleek dat eiser voornamelijk in Amsterdam en Groningen had gepind. Ze vormden aanleiding voor het college om onderzoek te doen.
3.3.
Een medewerker handhaving heeft een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan eiser verleende bijstand. De medewerker heeft onder meer de uitkeringsadministratie geraadpleegd, informatie opgevraagd van eisers afvalstortingen, gebruik van zijn Meedoenpas (OV-chipkaart), eisers water- en energieverbruik en bankafschriften, en waarnemingen verricht bij het uitkeringsadres. Op 17 september 2024 hadden handhavingsmedewerkers van het college een gesprek met eiser. Zij hebben aansluitend een huisbezoek afgelegd. De bevindingen zijn neergelegd in het Rapport rechtmatigheidsonderzoek van 7 november 2024 (het Rapport).
3.4.
Met het primair besluit 1 heeft het college de bijstand van eiser met ingang van 26 april 2019 ingetrokken. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser zijn hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres had. Het niet (behoorlijk) nakomen van de inlichtingenplicht heeft geleid tot het ten onrechte verlenen van bijstand. Met het bestreden besluit 1 heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

4. Op 4 november 2024 heeft eiser een nieuwe aanvraag om bijstand ingediend. Een consulent inkomen heeft vervolgens onderzoek verricht. Op 19 december 2024 hebben de medewerker handhaving en de consulent inkomen met eiser gesproken. Eiser heeft onder meer het volgende verklaard. Hij is van mening dat in zijn situatie niks veranderd is. Hij is elke dag in zijn woning. Soms gaat hij naar zijn moeder en dochter in Amsterdam en daar slaapt hij weleens. Bij primair besluit 2 heeft het college de aanvraag om bijstand van eiser afgewezen, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had. Met het bestreden besluit 2 heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Wat vinden partijen?

5. Eiser stelt dat zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres was. Naast het lage gas- en elektriciteitsverbruik heeft het college onvoldoende met aanvullend bewijs aannemelijk gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres had. De bankafschriften, afvalstortingen en andere omstandigheden zijn daartoe onvoldoende. Uit het Rapport volgt dat de woning bewoonbaar is. Eisers kleding, administratie en persoonlijke verzorgingspullen bleken aanwezig, naast onder meer een wasmachine, wasmiddel, wasmand en televisie. In de korte periode van waarnemingen is eisers auto vijftien keer aangetroffen bij de woning. Eiser leeft daarnaast zuinig. Hij pint elders in het land als hij zijn moeder en dochter bezoekt. Hij sport in Groningen en tankt daar gas. De Meedoenpas werd door zijn dochter in Amsterdam gebruikt. Het college had een buurtonderzoek moeten verrichten, omdat zo’n onderzoek veel gewicht in de schaal legt, zo betoogt eiser.
5.1.
Het college blijft bij zijn standpunt. De combinatie van alle onderzoeksbevindingen leidt tot de conclusie dat eiser zijn hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres had en hij zijn inlichtingenplicht heeft geschonden. Eisers energieverbruik was extreem laag, lag structureel ver onder een vergelijkbaar Nibud-gemiddelde en tussen het dag- en nachttarief is nauwelijks verschil gebleken. Bij normaal huishoudelijk gedrag zou het verbruik overdag hoger moeten zijn. Zuinig gedrag kan eisers lage energieverbruik niet verklaren. Zijn verklaring dat hij dagelijks thuis is, tv kijkt, een koelkast, waterkoker en koffiezetapparaat gebruikt en in de wintermaanden een elektrische heater van 1500 watt aanzet, is dan ook ongeloofwaardig. Van dit afwijkende verbruik heeft eiser geen objectieve en controleerbare gegevens overgelegd. Uit de pintransacties in 2024 volgt dat eiser langere periodes buiten [plaats] was. Er waren onvoldoende persoonlijke bezittingen aangetroffen tijdens het huisbezoek om te kunnen concluderen dat sprake is van daadwerkelijk verblijf. Zo waren nauwelijks levensmiddelen aanwezig, de stekker was uit de CV-ketel gehaald en de woning maakte een weinig gebruikte indruk. In samenhang met de overige onderzoeksbevindingen schetsen deze constateringen een consistent beeld dat eiser niet daadwerkelijk in de woning verbleef. Bij vijfenzestig kortdurende waarnemingen is eisers auto slechts vijftien keer aangetroffen bij zijn woning, waarvan tien keer in de periode van 22 juni 2024 tot en met 2 juli 2024. In die periode stonden twee stoelen op het balkon. Ook waren de gordijnen uitsluitend open wanneer de auto aanwezig was. Dat vormt een aanwijzing dat eiser niet in de woning verbleef. Incidentele familiebezoeken ondersteunen eisers betoog niet. De Meedoenpas is bedoeld voor eigen gebruik. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn dochter zijn Meedoenpas gebruikte. Een buurtonderzoek was niet nodig vanwege de onderzoeksbevindingen, aldus het college.

Bestreden besluit 1 – intrekking van de bijstand (zaaknummer LEE 24/2459)

6. Het college heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. Daarom loopt de te beoordelen periode tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. Die periode loopt dus van 26 april 2019 tot en met 25 november 2024.
6.1.
De rechtbank beoordeelt of de onderzoeksbevindingen een toereikende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat eiser in te beoordelen periode zijn inlichtingenplicht heeft geschonden door geen juiste informatie over zijn woonsituatie te verstrekken.

Bewijslast, inlichtingenplicht en betekenis gas- en elektriciteitsverbruik
6.2.
Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het college. Dit betekent dat het college de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.
6.3.
Het woonadres van een betrokkene is het adres van de woning waar hij zijn hoofdverblijf heeft. Het hoofdverblijf van een betrokkene is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijke leven is. Dit moet worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien die informatie van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.
6.4. (
(Zeer) laag gas- en elektriciteitsverbruik is een aanwijzing dat een betrokkene niet zijn hoofdverblijf heeft in de woning op dat adres. Maar die omstandigheid maakt dat nog niet aannemelijk. In zo’n geval is aanvullend bewijs nodig om aannemelijk te maken dat een betrokkene zijn hoofdverblijf niet heeft in die woning.

Intrekking
6.5.
Eisers waterverbruik op het uitkeringsadres is niet bekend, omdat het pand centraal bemeterd is. Vaststaat wél dat eisers gas- en elektriciteitsverbruik zeer laag is. Zijn elektriciteitsverbruik is in een periode van een jaar minimaal 8,52% en maximaal 18,41% van een vergelijkbaar huishouden. Zijn gasverbruik is in een periode van een jaar minimaal 4,76% en maximaal 10,65% van een vergelijkbaar huishouden. Deze omstandigheid maakt echter nog niet aannemelijk dat eiser niet zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had. Daarvoor is aanvullend bewijs nodig.
6.6.
Dat aanvullend bewijs bestaat in de eerste plaats uit bankafschriften over de periode van 26 april 2019 tot 1 mei 2019 en van 5 september 2019 tot 1 augustus 2024. Verder gaat het om reisgegevens van de Meedoenpas vanaf januari 2024, gegevens van afvalstortingen van januari tot en met juli 2024, waarnemingen die zien op de periode van 17 mei 2024 tot en met 29 juli 2024 en het gesprek met eiser en het aansluitend huisbezoek op 17 september 2024.
6.7.
Het aanvullend bewijs is niet zodanig dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat eiser in de te beoordelen periode niet zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had. In de eerste plaats maken de bankafschriften over de korte periode van 26 april 2019 tot 1 mei 2019, dus recent na eisers verhuizing naar het uitkeringsadres, niet aannemelijk dat hij niet op dat adres woonde. Hij heeft in die paar dagen weliswaar veel in Amsterdam gepind, maar hij heeft ook in [plaats] gepind. Dan ontbreekt over de periode van 1 mei 2019 tot 5 september 2019 elk aanvullend bewijs. In de derde plaats is het pingedrag van eiser in de periode van 5 september 2019 tot 1 januari 2024 niet toereikend als aanvullend bewijs. Alleen uit het gegeven dat eiser in Amsterdam of Groningen heeft gepind, soms meerdere dagen achter elkaar, kan niet worden afgeleid dat hij niet zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had. Eiser heeft in die periode ook in wisselende mate in [plaats] gepind en er zijn weken waarin hij niet heeft gepind. Dan blijft over de periode vanaf januari 2024 tot en met 25 november 2024. Het aanvullend bewijs bestaat in deze periode in wisselende samenstelling uit bankafschriften, reisgegevens, gegevens van afvalstortingen, waarnemingen, het gesprek met eiser en het huisbezoek. Dat eiser vaak buitenshuis was onder meer om zijn moeder, dochter en vrienden in Amsterdam te bezoeken, in Groningen te sporten en vrienden te bezoeken maakt niet dat hij het zwaartepunt van zijn leven niet op het uitkeringsadres had. De beperkte reisgegevens van de Meedoenpas, het beperkte aantal afvalstortingen en de waarnemingen leiden, ook in samenhang bezien, niet tot een andere conclusie. De bevindingen van het huisbezoek op 17 september 2024 kunnen niet worden gebruikt voor de beoordeling van het recht op bijstand in de periode voorafgaand aan het huisbezoek. Deze bevindingen kunnen ook niet tot de conclusie leiden dat eiser vanaf 17 september 2024 niet op het uitkeringsadres woonde. Uit de foto’s blijkt dat eisers kleding, administratie en persoonlijke verzorgingspullen aanwezig waren. Eiser had voorafgaand aan het huisbezoek zelf al verklaard dat de stekker uit de CV-ketel was.
6.8.
Uit 6.5 tot en met 6.7 volgt dat het beroep slaagt en het bestreden besluit 1 moet worden vernietigd. Het standpunt van het college dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden door niet te melden dat hij niet op het uitkeringsadres woonde, mist een toereikende feitelijke grondslag. Nu het een periode in het verleden betreft moet ervan worden uitgegaan dat nader onderzoek naar eisers hoofdverblijf in die periode niet meer tot de mogelijkheden behoort. De rechtbank zal daarom zelf in de zaak voorzien door primair besluit 1 te herroepen.

De aanvraag om bijstand van 4 november 2024 (zaaknummer LEE 25/3101)

7. Nu hierboven is vastgesteld dat een grondslag ontbreekt voor de intrekking van de bijstand, volgt daaruit dat eiser een doorlopend recht op bijstand had. Voor hem bestond dus, achteraf bezien, geen aanleiding om een nieuwe aanvraag in te dienen. Aan het bestreden besluit 2 is de grondslag ontvallen. Het beroep tegen het bestreden besluit 2 is daarom gegrond en dit besluit moet worden vernietigd. De rechtbank zal ook primair besluit 2 herroepen.
Conclusie en gevolgen
8. De beroepen zijn gegrond en de rechtbank vernietigt de bestreden besluiten wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De bestreden besluiten zijn niet zorgvuldig voorbereid en berusten niet op een deugdelijke motivering. De rechtbank herroept de primaire besluiten.
8.1.
Dit betekent dat eiser recht op bijstand naar de voor hem geldende norm heeft vanaf 26 april 2019. Voor zover het college de bijstand in de te beoordelen periodes niet volledig aan eiser heeft betaald, dient het college deze alsnog te betalen. Voor zover eiser bijstand over de te beoordelen periodes aan het college heeft terugbetaald, dient het college die terug te betalen.
8.2.
Omdat de beroepen gegrond zijn, moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden.
8.3.
Ook krijgt eiser een vergoeding van de kosten die hij in bezwaar en beroep heeft moeten maken. Deze kosten begroot de rechtbank op € 2.664 in bezwaar (één punt per bezwaarschrift en één punt per hoorzitting, met een waarde per punt van € 666). De kosten begroot de rechtbank op € 1.868 in beroep. Omdat de twee zaken in beroep samenhangende zaken zijn, worden ze beschouwd als één zaak. Daarom kent de rechtbank één punt voor het indienen van beide beroepschriften en één punt voor het deelnemen aan de zitting toe met een waarde per punt van € 934. Omdat het om minder dan vier samenhangende zaken gaat, past de rechtbank wegingsfactor één toe. De kosten in bezwaar en beroep zijn in totaal dus € 4.532. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten van 5 juni 2025 en 16 juli 2025;

- herroept de besluiten van 25 november 2024 en 28 januari 2025;

- bepaalt dat het college het griffierecht van € 106 aan eiser moet vergoeden;

- veroordeelt het college tot betaling van € 4.532 aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van mr. O.J.J.C. Koopmans, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 3:2

Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Artikel 7:12

1. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Daarbij wordt, indien ingevolge artikel 7:3 van het horen is afgezien, tevens aangegeven op welke grond dat is geschied.

Participatiewet

Artikel 17

De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.

Artikel 54

3. Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Besluit proceskosten bestuursrecht

Artikel 3

1. Samenhangende zaken worden voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, onder a, beschouwd als één zaak.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 22 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1546.

Artikel 17, eerste lid, van de PW. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 20 januari 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:133.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRVB van 25 november 2025, CRVB:2025:1767.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 5 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2145.

Artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

Op grond van onderdeel C2 van de bijlage bij het Bpb voor de samenhangende zaken.

Artikel delen