Toewijzing verzoek toelating tot de WSNP. Hardheidsclausule toegepast.
Rechtbank Noord-Nederland 30 June 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2026:2506
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
30-06-2026
Datum publicatie
30-06-2026
Zaaknummer
C/18/26/1097 R
Rechtsgebied
Civiel recht; Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBNNE:2026:2506text/xmlpublic2026-06-30T12:02:112026-06-30Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Noord-Nederland2026-04-16C/18/26/1097 RUitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLLeeuwardenCiviel recht; InsolventierechtFaillissementswet 288Rechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2506text/htmlpublic2026-06-30T12:01:022026-06-30Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBNNE:2026:2506 Rechtbank Noord-Nederland , 16-04-2026 / C/18/26/1097 R Toewijzing verzoek toelating tot de WSNP. Hardheidsclausule toegepast.
RECHTBANK Noord-Nederland Team Insolventie Zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer C/18/26/1097 R Vonnis van 16 april 2026 op het verzoek van
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
verzoeker, hierna te noemen [verzoeker] , tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. PROCESGANG
[verzoeker] heeft op 10 februari 2026 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 1 april 2026. Daarbij is [verzoeker] verschenen tezamen met de heer [schuldhulpverlener] , schuldhulpverlener bij Kredietbank Nederland en mevrouw [beschermingsbewindvoerder bij bewindvoerdersbedrijf] . RECHTSOVERWEGINGEN De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van [verzoeker] in Nederland ligt. Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen. Gebleken is dat [verzoeker] in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met betaling van zijn schulden.
Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. In verband hiermee wordt het volgende overwogen. [verzoeker] zijn totale schuldenlast is €50.687,00 en ontstaan door verschillende omstandigheden uit het verleden.. [verzoeker] is eerder toegelaten tot de wettelijke schuldsanering maar deze is beëindigd in 2015 wegens onvoldoende medewerking. In het verleden heeft [verzoeker] een eigen onderneming gehad maar wegens psychische klachten is de onderneming gestopt. Daarnaast is [verzoeker] ook nog een periode dakloos geweest. Daarnaast zijn er recente schulden ontstaan waaronder WAHV-boetes. De rechtbank stelt daarom vast dat [verzoeker] ten aanzien van een deel van de schulden niet als te goeder trouw kan worden aangemerkt. Ter zitting is gebleken dat [verzoeker] een keer ten goede heeft gemaakt. Hij is op eigen initiatief weer begonnen met werken met behoud van een uitkering. Het beschermingsbewind waar [verzoeker] gebruikt van maakt verloopt goed. Hij heeft een eigen woning toegewezen gekregen en heeft zijn verleden achter zicht gelaten. Na het uitspreken van het beschermingsbewind zijn er geen nieuwe schulden ontstaan. [verzoeker] heeft een traject gevolgd voor zijn psychische problemen. Hij heeft een sociaal vangnet om zich heen en maakt gebruik van de geboden hulpverlening. Er daarom sprake van een stabiele situatie. Het verzoek om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan echter, ondanks het feit dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 288, lid 1, aanhef en onder b Fw zich voordoet, op grond van artikel 288 lid 3 Fw toch worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen (de zogenaamde hardheidsclausule). De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in ieder geval aannemelijk dient te zijn dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid onder controle is. Er dient met andere woorden sprake te zijn van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen. Naar het oordeel van de rechtbank is uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting genoegzaam gebleken dat de situatie waarin [verzoeker] nu verkeert zodanig anders is dan ten tijde van het ontstaan van de schulden dat gesproken kan worden van “een keer ten goede”. De rechtbank zal het verzoek daarom toewijzen. De Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.
De rechtbank stelt vast dat [verzoeker] niet heeft verzocht om een eerdere ingangsdatum. Aan de hand van de ingediende stukken en hetgeen ter zitting is besproken ziet de rechtbank ook geen aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen nu niet aantoonbaar is gemaakt dat aan alle verplichtingen zijn voldaan.
BESLISSING De rechtbank: - spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] , - stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf de datum van dit vonnis; - benoemt tot rechter-commissaris mr. C.H. Beuker, en tot bewindvoerder [naam] ,
gevestigd te [adres] ; - geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaar gerichte brievenen telegrammen. Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Idzenga en in het openbaar uitgesproken op
16 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.1 Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.