Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBNNE:2026:3157

Natuurbeschermingsrecht. Gebiedsbescherming. Wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden van de minister van 22 november 2022 blijft in stand. De minister is verplicht om alle beschermde habitattypen en soorten aan te wijzen en kan dat ook nog doen met een correctie na de oorspronkelijke aanwijzing van de Natura 2000-gebieden. De minister heeft op basis van de habitattypenkaarten en een deskundi...

Rechtbank Noord-Nederland 6 August 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBNNE:2026:3157 text/xml public 2026-08-06T15:00:15 2026-07-31 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-07-31 LEE 23-627 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Groningen Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:3157 text/html public 2026-07-31T11:12:24 2026-08-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:3157 Rechtbank Noord-Nederland , 31-07-2026 / LEE 23-627
Natuurbeschermingsrecht. Gebiedsbescherming. Wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden van de minister van 22 november 2022 blijft in stand. De minister is verplicht om alle beschermde habitattypen en soorten aan te wijzen en kan dat ook nog doen met een correctie na de oorspronkelijke aanwijzing van de Natura 2000-gebieden. De minister heeft op basis van de habitattypenkaarten en een deskundigenonderzoek voldoende aannemelijk gemaakt dat de typen en soorten op het moment van het aanwijzen aanwezig waren. Wel hadden de habitattypenkaarten eerder al, bij het ontwerpbesluit, ter inzage moeten worden gelegd. Dit gebrek wordt gepasseerd met artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht, omdat belanghebbenden hierdoor niet zijn benadeeld.
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht

locatie Groningen

zaaknummers: LEE 23/627

uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank van 31 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats], eiseres,

en

de minister voor Natuur en Stikstof (nu: de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur), de staatssecretaris,

(gemachtigde: mr. R.H.M. Sipman).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de Vereniging Leefmilieu, gevestigd te Nijmegen, derde-belanghebbende,

(gemachtigde: mr. V. Wösten).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het Wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden vanwege aanwezige waarden van de minister van 22 november 2022 (het wijzigingsbesluit).
1.1.
Bij het wijzigingsbesluit van 22 november 2022 heeft de minister ter uitvoering van de Habitatrichtlijn (Hrl) de aanwijzingsbesluiten van een groot aantal aangewezen Natura 2000-gebieden in Nederland gewijzigd.
1.2.
Tegen het wijzigingsbesluit heeft eiseres beroep ingesteld.
1.3.
De formeel bevoegde rechtbank Gelderland heeft deze rechtbank, na overleg met de andere rechtbanken, om proceseconomische gronden gevraagd de zaken die betrekking hebben op de Natura 2000-gebieden die in dit arrondissement liggen, te behandelen, omdat hier de beroepen zijn ingesteld. Deze rechtbank heeft hiermee ingestemd en heeft dat bij brief van 7 april 2023 aan partijen medegedeeld.
1.4.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep behandeld op de regiezitting van 5 december 2025.

Eiseres is niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-belanghebbende is niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst.
1.6.
De rechtbank heeft het onderzoek hervat op de zitting van 17 maart 2026. Voor eiseres is [naam] verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-belanghebbende is vertegenwoordigd door haar gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het wijzigingsbesluit aan de hand van de gronden die eiseres heeft aangevoerd.

3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiseres ongegrond moet worden verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3.1.
De voor de beoordeling van het verzoek belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Feiten

4. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
4.1.
De minister is voornemens ter uitvoering van de Habitatrichtlijn (Hrl) de aanwijzingsbesluiten van een groot aantal aangewezen Natura 2000-gebieden in Nederland te wijzigen. De bedoeling van het voornemen is het corrigeren van wat ten aanzien van de te beschermen habitattypen van Bijlage 1 en soorten van Bijlage 2 van de Hrl niet goed is gegaan bij het nemen en publiceren van de oorspronkelijke aanwijzingsbesluiten. Het betreft vooral het alsnog beschermen van habitattypen en soorten die op het moment van aanwijzen (in voldoende mate en duurzaam) aanwezig bleken te zijn. Deze waarden en de daarvoor gestelde instandhoudingsdoelstellingen worden met dit wijzigingsbesluit aan de betreffende aanwijzingsbesluiten toegevoegd.
4.2.
Eiseres exploiteert een melkveebedrijf op het perceel aan [adres] in [plaats]. Het melkveebedrijf is in ieder geval gelegen binnen een zone van 25 kilometer van de Natura 2000-gebieden “Wijnjeterper Schar” en “Bakkeveense Duinen”
4.3.
De minister heeft een ontwerpbesluit tot wijziging van de instandhoudingsdoelstellingen van een groot aantal aangewezen Natura 2000-gebieden in Nederland genomen. De minister heeft dit ontwerpbesluit gepubliceerd in de Staatscourant. Verder heeft de minister dit ontwerpbesluit gedurende de periode van 9 maart tot en met 19 april 2018 ter inzage gelegd. Daarbij is een ieder in de gelegenheid gesteld om gedurende deze periode een zienswijze bij de minister in te dienen.
4.4.
Bij het bestreden besluit heeft de minister ter uitvoering van de Hrl de aanwijzingsbesluiten van een groot aantal aangewezen Natura 2000-gebieden in Nederland gewijzigd.

Juridisch kader

5. Uit de Hrl volgt dat op het Europees grondgebied een ecologisch netwerk van speciale beschermingszones wordt gevormd. Dat netwerk bestaat uit door lidstaten aan te wijzen Natura 2000-gebieden. Een gebied moet als zodanig worden aangewezen, wanneer in dat gebied een bepaald type natuurlijke habitat of habitat van een bepaalde soort aanwezig is die staat genoemd in bijlage I of II van de Hrl. Lidstaten zijn verplicht om maatregelen te treffen om die habitats te behouden of herstellen.
5.1.
Deze Europeesrechtelijke verplichting is in de nationale wetgeving geïmplementeerd in artikel 2.1 van de Wet natuurbescherming (Wnb). In dat artikel staat dat de minister ter uitvoering van artikel 3, tweede lid, van de Hrl gebieden in Nederland aanwijst als speciale beschermingszones, die worden aangeduid als ‘Natura 2000-gebied’. Ook staat in dat artikel dat de minister bevoegd is om een dergelijk aanwijzingsbesluit te wijzigen.

Het wijzigingsbesluit

6. De Hrl bepaalt dat een coherent Europees ecologisch netwerk moet worden gevormd van speciale beschermingszones: het Natura 2000-netwerk. Dit netwerk is bedoeld om bepaalde dieren, planten en hun natuurlijke leefomgeving te beschermen en zo de biodiversiteit te behouden. De gebieden worden aangewezen vanwege hun relatieve belang voor de in bijlage I van de Hrl genoemde habitattypen en de in bijlage II van de Hrl genoemde habitatsoorten. Een gebied wordt in beginsel geselecteerd, wanneer het voor een habitattype of soort, afhankelijk van de omstandigheid of het een prioritair habitattype of prioritaire soort betreft, tot de vijf of tien belangrijkste gebieden in Nederland behoort.
6.1.
De procedure voor de aanwijzing van de Habitatrichtlijngebieden bestaat uit drie fases. In de eerste fase meldt de lidstaat een lijst met gebieden aan bij de Europese Commissie (EC). In de tweede fase stelt de EC, in samenspraak met de lidstaat, de lijst van gebieden van communautair belang vast. Vervolgens wijst de lidstaat in de derde fase binnen zes jaar de gebieden op die lijst aan als Habitatrichtlijngebieden. Deze aanwijsverplichting is in Nederland geïmplementeerd in artikel 2.1 van de Wnb.
6.2.
De EC heeft op 7 december 2004 een lijst van gebieden van communautair belang vastgesteld die geldt voor Nederland. Deze lijst is daarna meermaals geactualiseerd. Vanaf 2008 zijn in Nederland aanwijzingsbesluiten gepubliceerd voor deze Habitatrichtlijngebieden. In deze besluiten zijn de grenzen van de gebieden, de habitattypen en soorten waarvoor de gebieden zijn aangewezen en de instandhoudingsdoelstellingen voor die habitattypen en soorten opgenomen.
6.3.
Het wijzigingsbesluit omvat 102 artikelen. In de artikelen 1 tot en met 101 is per Habitatrichtlijngebied aangegeven welke habitattypen of soorten aan het oorspronkelijke aanwijzingsbesluit worden toegevoegd of daaruit worden verwijderd. Artikel 102 regelt de bekendmaking en inwerkingtreding van het besluit. In de nota van toelichting op het besluit is per Habitatrichtlijngebied aangegeven welke wijzigingen worden aangebracht in de nota’s van toelichting bij de oorspronkelijke aanwijzingsbesluiten. Dat betreft ook de toevoeging van nieuwe of de wijziging van bestaande instandhoudingsdoelstellingen.
6.4.
Met het wijzigingsbesluit is beoogd te corrigeren wat niet goed is gegaan bij de oorspronkelijke aanwijzing van de Habitatrichtlijngebieden. Op het moment van aanwijzen waren in veel gevallen de habitattypenkaarten, waarop de aanwijzingen zijn gebaseerd, nog niet compleet. Met het wijzigingsbesluit zijn de habitattypen en soorten, die op het moment van aanwijzen van het desbetreffende Habitatrichtlijngebied al in meer dan verwaarloosbare mate aanwezig waren, alsnog toegevoegd aan de aanwijzingsbesluiten. In een (beperkt) aantal gevallen bleken habitattypen en soorten op het moment van aanwijzen niet in meer dan verwaarloosbare mate aanwezig te zijn. Deze zijn met het wijzigingsbesluit verwijderd. Verder voorziet het wijzigingsbesluit in de aanpassing van sommige instandhoudingsdoelstellingen van habitattypen of soorten waarvoor de gebieden al zijn aangewezen. Het wijzigingsbesluit brengt geen wijzigingen aan in de begrenzingen van de Habitatrichtlijngebieden en gaat niet over de Vogelrichtlijngebieden.

Overgangsrecht

7. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet voor een ambtshalve te nemen besluit een ontwerp ter inzage is gelegd van een besluit op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is, dan blijft op grond van artikel 2.9, tweede lid, onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt.
7.1.
Het wijzigingsbesluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb. Het ontwerpbesluit is op 9 maart 2018 ter inzage gelegd. Dat betekent dat in dit geval het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Het geschil

8. Tussen partijen is in geschil of de minister het aanwijzingsbesluit van de Natura 2000-gebieden “Wijnjeterper Schar” en “Bakkeveense Duinen” heeft kunnen wijzigen. Daarover overweegt de rechtbank als volgt.

Was de minister bevoegd tot het nemen van het wijzigingsbesluit?

9. Eiseres betoogt dat in het wijzigingsbesluit een hele lijst aan ‘vergeten’ habitattypen en soorten wordt toegevoegd aan 101 aangewezen Natura 2000-gebieden. Daarvoor bestaat naar de mening van eiseres geen reden en daarmee evenmin een bevoegdheid van de minister. Voor zover er een bevoegdheid zou bestaan brengt het onverplichte karakter volgens eiseres met zich dat sprake is van ruime beleidsruimte en een verplichting tot het maken van een belangafweging van alle betrokken belangen.
9.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat hij niet alleen bevoegd is om het wijzigingsbesluit te nemen, maar daartoe op grond van vaste jurisprudentie op basis van artikel 6, eerste lid, van de Hrl, zelfs verplicht is. Gelet daarop is er naar de mening van de minister geen sprake van een onbevoegd genomen besluit.
9.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is er in dit geval geen sprake van een onbevoegd genomen besluit. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) en op grond van artikel 6, eerste lid, van de Hrl op de minister de verplichting rust om alle habitattypen en soorten die in meer dan verwaarloosbare mate voorkomen, aan te wijzen. Gelet hierop volgt de rechtbank eiseres niet in haar algemene, niet nader onderbouwde betoog dat de minister in dit geval niet bevoegd was om het wijzigingsbesluit te nemen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Niet ter inzage leggen van de habitattypenkaarten met het ontwerpbesluit

10. Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte geen onderliggende kaarten beschikbaar heeft gesteld en ter inzage heeft gelegd, waarop de habitats en de leefgebieden van de soorten precies zijn ingetekend. Eiseres voert aan dat het daardoor onmogelijk is om de exacte gevolgen van dit wijzigingsbesluit te bepalen.
10.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat het ontwerpbesluit volgens de regels ter inzage is gelegd. De minister heeft ervoor gekozen om de habitattypenkaarten en de onderliggende stukken niet bij het ontwerpbesluit ter inzage te leggen, maar om in het ontwerpbesluit te wijzen op de mogelijkheid om deze achtergronddocumenten op te vragen bij het klantcontactcentrum van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Daar hebben meerdere personen gebruik van gemaakt en die hebben de kaarten en onderliggende stukken ook gekregen. Dit heeft de minister vooral gedaan omdat zij niet zelf de bronhouder is van deze kaarten, maar provincies, Rijkswaterstaat en Defensie, en de bronhouders niet allemaal de kaarten publiceren.
10.2.
Op grond van artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage. Dit artikel is een uitwerking van de actieve openbaarmakingsplicht: een bestuursorgaan moet uit eigen beweging informatie verstrekken. Doel van de terinzagelegging is onder andere dat betrokkenen kennis kunnen nemen van het ontwerp van het besluit. Zij kunnen dan de gegevens en de aannames waarop het besluit is gebaseerd, controleren, de keuzes in het besluit beoordelen en afwegen of zij daartegen willen opkomen. De aan het besluit ten grondslag liggende gegevens moeten daarom volledig, tijdig en uit eigen beweging op een passende wijze openbaar worden gemaakt.
10.3.
De rechtbank moet de vraag beantwoorden of de habitattypenkaarten op de zaak betrekking hebbende stukken zijn. De rechtbank stelt vast dat op een habitattypenkaart te zien is waar een bepaald habitattype voorkomt in een Natura 2000-gebied en in welke omvang. Habitattypenkaarten komen tot stand op basis van onderliggend documentatiemateriaal, zoals vegetatiekaarten die zijn vastgesteld door ecologisch deskundigen die hebben onderzocht welke habitattypen op de peildatum in een gebied voorkwamen.
10.4.
Uit het wijzigingsbesluit volgt dat de in de aanwijzingsbesluiten aangebrachte wijzigingen ten aanzien van de habitattypen zijn gebaseerd op de (gevalideerde) habitattypenkaarten. De minister stelt zich op het standpunt dat de habitattypenkaarten niet nodig waren om het ontwerpbesluit te kunnen beoordelen, maar de rechtbank volgt hem daarin niet. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de habitattypenkaarten op de zaak betrekking hebbende stukken, omdat de kaarten gebruikt zijn voor de correcties op de aanwijzingsbesluiten en daarmee de basis vormen van het wijzigingsbesluit. Dat maakt ook dat de habitattypenkaarten redelijkerwijs nodig zijn om het ontwerpbesluit te kunnen beoordelen. Deze kaarten maken het voor een belanghebbende mogelijk om te controleren en zo nodig te betwisten of een habitattype op de peildatum in meer dan verwaarloosbare mate in het Natura 2000-gebied aanwezig was. Dat voor de besluitvorming niet van belang is op welke exacte locaties de habitattypen voorkomen, maakt dit niet anders. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de minister in strijd heeft gehandeld met artikel 3:11, eerste lid, van de Awb door de habitattypenkaarten niet uit eigen beweging met het ontwerpbesluit ter inzage te leggen.
10.5.
Voor het documentatiemateriaal waarop de habitattypenkaarten zijn gebaseerd, geldt naar het oordeel van de rechtbank dat dit niet rechtstreeks aan het wijzigingsbesluit ten grondslag is gelegd. Dit brengt met zich dat het documentatiemateriaal niet valt aan te merken als stukken die op de zaak betrekking hebben. Dit betekent dat de minister dit documentatiemateriaal niet uit eigen beweging ter inzage heeft hoeven leggen. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de minister dit documentatiemateriaal op verzoek heeft kunnen verstrekken en dat de grond in zoverre faalt.
10.6.
Dat de habitattypenkaarten niet ter inzage hebben gelegen is een gebrek in de voorbereiding van het wijzigingsbesluit. De rechtbank ziet aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Naar het oordeel van de rechtbank is het aannemelijk dat eiseres en/of andere belanghebbenden niet zijn benadeeld door het gebrek. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de minister in beroep de habitattypenkaarten alsnog beschikbaar heeft gesteld op een openbare website. Eiseres heeft daarna voldoende tijd gehad om de kaarten te bekijken en daarop te reageren. De rechtbank acht het verder aannemelijk dat andere belanghebbenden niet zijn benadeeld doordat de habitattypenkaarten niet ter inzage hebben gelegen. In het ontwerpbesluit staat dat wijzigingen worden onderbouwd met de habitattypenkaarten, waardoor een ieder op de hoogte kon zijn van het bestaan van deze kaarten en daarover een zienswijze had kunnen indienen.

Inspraak na Europese registratie

11. Eiseres betoogt dat de procedure niet op juiste wijze is doorlopen. Eiseres voert aan dat het indienen van een zienswijze eerst mogelijk was nadat de habitattypen en soorten al geregistreerd waren bij de EC. Naar de mening van eiseres is dit in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
11.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat de vermelding van alle in een gebied aanwezige habitattypen en soorten in het Standard Data Form (SDF) een verplichting is die volgt uit het Uitvoeringsbesluit. Dat SDF moet volgens de minister actueel worden gehouden. Uiteraard moet de informatie wel juist zijn en goed onderbouwd. Eind 2017, korte tijd voor het publiceren van het ontwerpbesluit, was voldoende duidelijk welke habitattypen en soorten toegevoegd en verwijderd moesten worden en dat is dus ook verwerkt in de SDF’s van de betrokken gebieden. Volgens de minister is er in dit geval geen sprake van het volgen van een onjuiste procedure.
11.2.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt deze beroepsgrond niet. De rechtbank overweegt dat het juist is dat eiseres voor het eerst een zienswijze kon indienen na registratie van de habitattypen en soorten bij de EC. Dat hoort bij het ‘getrapte stelsel’ van de aanwijzing van Habitatrichtlijngebieden, waarbij de gebieden eerst op Europees niveau worden aangemeld en vastgesteld en pas daarna op nationaal niveau worden aangewezen. Verder is het niet verboden om later nog andere habitattypen en soorten toe te voegen dan de typen en soorten die eerst waren aangemeld bij de EC op basis van actuele ecologische gegevens. Die wijzigingen moet de lidstaat dan doorgeven aan de EC via het SDF.
11.3.
In dit geval heeft de minister de wijzigingen - onverplicht - eerst verwerkt in het SDF en korte tijd daarna het ontwerpbesluit ter inzage gelegd. Op die manier heeft eiseres wel inspraak kunnen geven op de wijzigingen. Door die inspraak zijn het ontwerpbesluit en het SDF op sommige punten ook daadwerkelijk aangepast. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiseres geen of onvoldoende inspraakmogelijkheden heeft gehad.

Dwingen de richtlijnen tot de onderhavige toevoegingen?

12. Eiseres betoogt dat Nederland met de in 2002 en 2003 door de EC geaccordeerde aanwijzing van beschermingszones, heeft voldaan aan haar communautaire verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Daarna rest in de visie van eiseres nog slechts de verplichting om de bij aanwijzingsbesluit aangewezen gebieden en bij aanwijzing opgenomen typen en soorten en doelstellingen ‘up to date’ te houden. In dit verband wijst eiseres op het Uitvoeringsbesluit 2011/484/EU van 11 juli 2011. Daarin is bepaald dat het SDF regelmatig moet worden bijgewerkt op basis van de best beschikbare informatie voor elk Natura 2000-gebied met het doel om de EC in staat te stellen periodiek te evalueren hoe het gaat met het verwezenlijken van de aangemelde/geaccordeerde doelstellingen. Naar de mening van eiseres verplichten beide richtlijnen daarmee niet tot het toevoegen van eventueel vergeten typen of soorten en/of typen of soorten die ten tijde van het aanwijzingsbesluit niet ofwel in geringe (verwaarloosbare of als verwaarloosbaar aangemerkte) mate aanwezig waren en/of typen en soorten die zich nieuw hebben gevestigd (in al dan niet verwaarloosbare mate).
12.1.
De rechtbank volgt eiseres niet in het betoog dat de Hrl niet dwingt tot de in het bestreden besluit vermelde toevoeging van habitattypen en soorten aan verschillende Natura 2000-gebieden. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de minister op grond van artikel 6, eerste lid, van de Hrl en de daarop gebaseerde vaste jurisprudentie verplicht is om alle habitattypen en soorten die in meer dan verwaarloosbare mate voorkomen, aan te wijzen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de minister gehouden is om de feitelijk bestaande natuurwaarden te beschermen, waarbij hij beoordelingsruimte heeft. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank niet van belang dat de Hrl daartoe niet zou dwingen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de Hrl niet in de weg staat aan het toevoegen van habitattypen en soorten aan eerder aangewezen Natura 2000-gebieden. Deze beroepsgrond van eiseres slaagt niet.

Is een nauwkeuriger besluit nodig?

13. Eiseres betoogt dat bij afwezigheid van bij het wijzigingsbesluit behorende kaartmateriaal met specifieke aanduiding van de toegevoegde typen en soorten niet exact te duiden is welke gevolgen zij precies zal ondervinden. Wat wel duidelijk is, is dat die gevolgen er vanwege de lage KDW’s in meerdere of mindere mate zullen zijn. Eiseres is van mening dat vanwege deze gevolgen de minister van het wijzigingsbesluit had moeten afzien. De afwezigheid van kaartmateriaal en/of meer specifieke aanduiding van waar de toegevoegde habitattypen en leefgebieden van de soorten zich binnen de betreffende Natura 2000-gebieden bevinden, levert volgens eiseres onzekerheid op. Dit omdat eiseres daardoor onvoldoende in staat is om precies door te (laten) rekenen welke gevolgen er voor haar bedrijf zijn.
13.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister niet gehouden was om nauwkeurige kaarten te maken waarop precies te zien is waar de toegevoegde typen en soorten zich bevinden. Het aanwijzen van habitattypen en soorten geldt namelijk voor alle typen en soorten die in het Natura 2000-gebied in meer dan verwaarloosbare oppervlakte of populatie voorkomen. Als op één plek in een Natura 2000-gebied een bepaald habitattype voorkomt, dan wordt dat type met de aanwijzing beschermd in het hele gebied. Overigens is het wijzigingsbesluit voor de habitattypen gebaseerd op habitattypenkaarten, waaruit volgt waar welk type is aangetroffen, en is dat voor soorten, nu die naar hun aard niet op één vaste plek voorkomen, niet mogelijk. Deze beroepsgrond van eiseres slaagt niet.

In meer dan verwaarloosbare mate aanwezig?

14. Eiseres merkt op dat de minister als reden voor het niet eerder opnemen van de toegevoegde typen en/of soorten geeft dat op het moment van aanwijzing minder informatie (geen volledige inventarisatie) beschikbaar was. Uit deze mededeling volgt volgens eiseres dat de nu toegevoegde typen en soorten helemaal niet in beeld waren. Dat betekent ook dat niet vaststaat dat de toegevoegde typen en soorten op dat moment al in de betreffende gebieden aanwezig waren. Ook uit latere rapportages (zoals het WUR-rapport van 2014) blijkt die aanwezigheid niet. Die rapportages waren ook niet gericht op het vaststellen of op dat moment aangetroffen typen en soorten ten tijde van het aanwijsbesluit al aanwezig waren. De insteek van deze rapportages was volgens eiseres het inventariseren welke natuur aanwezig is en hoe die er bij staat (en het ontwikkelen van een beoordelingsstandaard). Dit ten behoeve van het updaten van de al aangewezen typen en soorten in het kader van de periodieke verslaglegging conform het Uitvoeringsbesluit. Met een enkele verwijzing naar die rapportages bewijst de minister naar de mening van eiseres niet dat de toegevoegde typen en soorten ten tijde van het aanwijsbesluit al aanwezig waren.
14.1.
Daarbij acht eiseres van belang dat de enkele vaststelling of bepaalde typen of soorten feitelijk aanwezig waren, niet voldoende is. Voor het opnemen van aanwezige natuur is immers ook nog vereist dat deze natuur ten tijde van het aanwijsbesluit in meer dan verwaarloosbare mate aanwezig was. Volgens eiseres is daarover in het wijzigingsbesluit geen onderbouwing aanwezig. In dit verband wijst eiseres erop dat de gebruikte informatie ofwel dateert uit de periode na de na de aanwijzingsbesluiten (zo’n 8 tot 12 jaar daarna) ofwel de informatie is op grond waarvan de aanwijzingsbesluiten destijds zijn genomen. Deze informatie zegt - zonder nadere onderbouwing/onderzoek omtrent de snelheid van ontwikkeling/uitbreiding van de toegevoegde typen/soorten onder de omstandigheden die in die periode aanwezig waren - volgens eiseres niets over de vraag of de betreffende natuur in meer dan verwaarloosbare mate aanwezig was.
14.2.
Verder valt volgens eiseres op dat de toegevoegde typen en soorten in de onderzoeksperiode van de rapportage al in geringe mate aanwezig waren en veelal ook nog van een lage kwaliteit. Zo zijn bijvoorbeeld de toegevoegde typen gemiddeld een factor 10 tot 20 kleiner in oppervlakte. Het gaat naar de mening van eiseres in die zin om ‘splinters’ natuur, die ten tijde van het aanwijzingsbesluit als verwaarloosbaar (als niet in absolute dan in relatieve oppervlakte) buiten beschouwing zijn gelaten, dan wel moesten worden gelaten. Dit blijkt volgens eiseres ook uit de waardering, waarbij de relatieve oppervlakte in vrijwel alle gevallen een C-score heeft (tussen 0 en 2%).
14.3.
Voor wat betreft de kwaliteit geldt volgens eiseres dat de toegevoegde typen gemiddeld van lagere kwaliteit zijn (bij aanwijzing was minder dan de helft (48%) van ‘verminderde’ kwaliteit, bij het wijzigingsbesluit is zo’n driekwart van de typen van ‘verminderde’ kwaliteit). Het gaat dus om natuur van relatief geringe oppervlakte die ook nog eens in slechte staat verkeert (ondanks gemiddeld 10 jaar aan beheersmaatregelen). Het is volgens eiseres aannemelijk dat deze natuur ten tijde van het aanwijzingsbesluit, voor zover überhaupt aanwezig, ook (al) in slechte staat verkeerde en om die reden als verwaarloosbaar buiten beschouwing was gelaten. Een en ander blijkt uit de waardering, waarbij veruit de meeste typen een C-score hebben (staat van instandhouding ‘verminderd’). Dat geldt ook voor de toegevoegde typen in de nabij eiseres gelegen gebieden. Naast de geringe oppervlakte zijn de meeste habitattypen slechts in matige kwaliteit aanwezig en zijn er daarbij ook nog beperkte ontwikkelingsmogelijkheden.

15. De rechtbank overweegt als volgt. Met het wijzigingsbesluit zijn meerdere habitattypen toegevoegd aan de Natura 2000-gebieden “Wijnjeterper Schar” en “Bakkeveense Duinen”. Het gaat om de habitattypen H2320 Psammofiele heide met Calluna en Empetrum nigrum, H3130 Oligotrofe tot mesotrofe stilstaande wateren met vegetatie behorend tot het Littorelletalia uniflorae en/of Isoëto-Nanojuncetea en H3160 Dystrofe natuurlijke poelen en meren in het Natura 2000-gebied “Wijnjeterper Schar”. Het gaat om de habitattypen H3130 Oligotrofe tot mesotrofe stilstaande wateren met vegetatie behorend tot het Littorelletalia uniflorae en/of Isoëto-Nanojuncetea, H4030 Droge Europese Heide, H6230 *Soortenrijke heischrale graslanden op arme bodems van berggebieden (en van submontane gebieden in het binnenland van Europa), H7110 *Actief hoogveen en H7150 Slenken in veengronden met vegetatie behorend tot het Rhynchosporion in het Natura 2000-gebied “Bakkeveense Duinen”. De omvang en locatie van deze habitattypen zijn weergegeven op de habitattypenkaarten van de betreffende Natura 2000-gebieden.
15.1.
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat artikel 6, eerste lid, van de Hrl verplicht tot het daadwerkelijk treffen van instandhoudingsmaatregelen die nodig zijn voor het behoud of het herstel van de gunstige staat van instandhouding van de soorten en de habitattypen waarvoor een Natura 2000-gebied is aangewezen. Het zijn (positieve) maatregelen waarmee uitvoering wordt gegeven aan de instandhoudingsdoelen die voor elke soort of habitattype in het aanwijzingsbesluit zijn opgenomen. Deze instandhoudings-doelstellingen op gebiedsniveau omschrijven de gewenste staat van instandhouding van de soorten en habitattypen in het gebied, teneinde de bijdrage van het gebied aan het bereiken van een gunstige staat van instandhouding van de soorten en habitattypen op landelijk niveau te bereiken. De instandhoudingsdoelstellingen zien onder meer op de omvang van een populatie, de oppervlakte en/of kwaliteit van een habitattype en leefgebied en zijn uitgedrukt als behoud-, verbeter- of uitbreidingsdoel.
15.2.
De rechtbank stelt voorop dat de minister met de habitattypenkaarten in beginsel voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de habitattypen in meer dan verwaarloosbare mate aanwezig waren in het gebied ten tijde van de aanwijzing. Het is vervolgens aan eiseres om aannemelijk te maken dat deze habitattypenkaarten zodanige leemten of gebreken bevatten dat de minister deze kaarten niet bij de besluitvorming mocht betrekken.
15.3.
De minister heeft voor de Natura 2000-gebieden twee soorten habitattypenkaarten overgelegd: één overzichtskaart, waarop is aangegeven waar de desbetreffende habitattypen op de peildata in de Natura 2000-gebieden voorkwamen, en één typenkaart, waarop is aangegeven hoe groot de oppervlaktes waren van de op de peildata aanwezige habitattypen. In een enkel geval heeft de minister volstaan met één soort habitattypenkaart. Daarbij heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat habitattypen in meer dan verwaarloosbare mate voorkomen, als van dat type minimaal 0,01 hectare (100 m²; 1 are) aanwezig is. Voor bossen geldt een minimale oppervlakte van 0,1 ha (1.000 m²; 10 are).
15.4.
De rechtbank ziet in het betoog van eiser geen aanleiding voor het oordeel dat de minister de habitattypenkaarten van de betreffende Natura 2000-gebieden niet aan het wijzigingsbesluit ten grondslag heeft kunnen leggen. Eiser heeft namelijk niet aangegeven welke habitattypenkaarten gebreken bevatten en waarom die kaarten gebrekkig zouden zijn. De enkele verwijzing naar het WUR-rapport is daarvoor onvoldoende nu eiseres reeds erkent dat dat onderzoek niet was gericht op het vaststellen of de op dat moment aangetroffen typen en soorten ten tijde van het aanwijsbesluit al aanwezig waren. Het betoog slaagt niet.

Belangenafweging

16. Eiseres betoogt dat de minister zich in het bestreden besluit op geen enkele wijze uitlaat over de wijze waarop alle betrokken belangen zijn meegewogen en dat die afweging de toevoeging van extra habitattypen en soorten rechtvaardigt. Onder die belangen vallen ook de belangen van eiseres. In dit verband wijst eiseres erop dat het toevoegen van stikstofgevoelige natuur gevolgen voor haar heeft. In breder, landelijk, perspectief geldt dat de toevoeging van een ruime hoeveelheid van stikstofgevoelige habitats (zo’n 5.000 hectare), met deels feitelijk niet haalbare kritische depositiewaarden (KDW) - zoals bijvoorbeeld H3110 met een KDW van 429 mol en H3130 met een KDW van 571 mol - de doelstellingen steeds verder buiten bereik komen te liggen. In het verlengde daarvan wordt de aanstaande stikstofreductie-opgave volgens eiseres ook steeds ingewikkelder en onhaalbaarder.

Belangenafweging habitattypen en soorten

17. Zoals hiervoor is overwogen, was de minister naar het oordeel van de rechtbank verplicht om alle in bijlagen I en II van de Hrl genoemde habitattypen en soorten die ten tijde van de aanwijzing in meer dan verwaarloosbare mate voorkwamen in de Habitatrichtlijngebieden in de aanwijzingsbesluiten op te nemen en daarvoor instandhoudingsdoelstellingen te formuleren. Met het wijzigingsbesluit heeft de minister nader uitvoering gegeven aan die verplichting, door onvolledigheden en eerder gemaakte fouten ten aanzien van de - al aangewezen - Habitatrichtlijngebieden te herstellen. Gelet op die verplichting is er naar het oordeel van de rechtbank bij het toevoegen van habitattypen en soorten geen ruimte om rekening te houden met economische, sociale of culturele belangen. Gelet hierop ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de uitkomst van de door de minister verrichte belangenafweging in dit geval onredelijk of onjuist is vanwege het ontbreken van een vorm van compensatie of schadevergoeding. Deze beroepsgrond van eiseres slaagt niet.

Belangenafweging bij het bepalen van instandhoudingsdoelstellingen

18. De rechtbank overweegt dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat bij de wijze van het formuleren van instandhoudingsdoelstellingen rekening mag worden gehouden met, onder andere, economische overwegingen.De rechtbank is van oordeel dat eisers in dit geval niet hebben onderbouwd waarom in dit geval bij het bepalen van de instandhoudingsdoelstellingen onvoldoende rekening is gehouden met sociaal, economische en agrarische belangen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de minister bij het formuleren van de instandhoudingsdoelstellingen heeft toegelicht dat hij wel rekening heeft gehouden met deze belangen, nu in de meeste gevallen is gekozen voor de laagst mogelijke doelstelling (‘behoud’) en niet voor de voor eiseres ingrijpendere uitbreidings- of verbeterdoelstelling.
18.1.
Voor zover eiseres verwijst naar de opgenomen verbeterdoelstelling voor verschillende habitattypen in de betreffende Natura 2000-gebieden overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat de enkele keuze voor een verbeterdoelstelling onvoldoende is voor het oordeel dat de minister geen rekening heeft gehouden met de door eiser genoemde belangen. De rechtbank acht van belang dat uit het wijzigingsbesluit voor dit habitattype volgt dat voor de verbeterdoelstelling is aangesloten bij de landelijke doelstelling. Verder heeft de minister toegelicht dat het wijzigingsbesluit in beginsel geen gevolgen heeft voor het bestaande legale gebruik in de nabijheid van de Natura 2000-gebieden omdat dat gebruik mag worden voortgezet. Ook heeft de minister, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 29 september 2010, toegelicht dat hij niet op bedrijfsniveau inzichtelijk hoeft te maken welke gevolgen een (gewijzigde) aanwijzing heeft buiten het aangewezen gebied. Dat is door eiseres niet gemotiveerd bestreden. Het betoog van eiseres slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
19. Gelet op de voorgaande overwegingen is het beroep van eiseres ongegrond. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het wijzigingsbesluit blijft in stand.
19.1.
Vanwege het in overweging 10.4. geconstateerde gebrek moet de minister wel het griffierecht en de proceskosten van eiseres betalen. Het te vergoeden bij eiseres in rekening gebracht griffierecht bedraagt in totaal € 371,- . De proceskosten worden vastgesteld op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. Het beroep van eiseres is nog ingediend door zijn toenmalige professionele gemachtigde. Ter zitting heeft eiseres zich niet laten bijstaan door een professionele gemachtigde. Onder toepassing van het Bpb kunnen deze kosten voor eisers gezamenlijk worden begroot op € 934,- (beroepschrift één punt; waarde per punt € 934,-; gewicht van de zaak: gemiddeld) in verband met door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart het beroep van eiseres ongegrond;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiseres;

- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 371,- aan eiseres moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hardenberg, voorzitter, mr. S. Ketelaars-Mast en mr. M.S. van den Berg, leden, in aanwezigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2026.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage
Habitatrichtlijn

Artikel 1

(…),

e. Onder staat van instandhouding van een natuurlijke habitat wordt verstaan: de som van invloeden die op de betrokken natuurlijke habitat en de daar voorkomende typische soorten inwerken en op lange termijn een verandering kunnen bewerkstelligen in de natuurlijke verspreiding, de structuur en de functies van die habitat of die van invloed kunnen zijn op het voortbestaan op lange termijn van de betrokken typische soorten op het in artikel 2 bedoelde grondgebied. De “staat van instandhouding” wordt als gunstig beschouwd wanneer:

- het natuurlijke verspreidingsgebied van de habitat en de oppervlakte van die habitat binnen dat gebied stabiel zijn of toenemen, en

- de voor behoud op lange termijn nodige specifieke structuur en functies bestaan en in de afzienbare toekomst vermoedelijk zullen blijven bestaan, en

- de staat van instandhouding van de voor die habitat typische soorten gunstig is als bedoeld in letter i.

(…),

i. De staat van instandhouding van een soort wordt als “gunstig beschouwd” wanneer uit populatiedynamische gegevens blijkt dat de betrokken soort nog steeds een levensvatbare component is van de natuurlijke habitat waarin hij voorkomt, en dat vermoedelijk op lange termijn zal blijven, en het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort niet kleiner wordt of binnen afzienbare tijd lijkt te zullen worden, en er een voldoende grote habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden.

(…).

Artikel 2

1. Deze richtlijn heeft tot doel bij te dragen tot het waarborgen van de biologische diversiteit door het instandhouden van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna op het Europese grondgebied van de Lid-Staten waarop het Verdrag van toepassing is.

2. De op grond van deze richtlijn genomen maatregelen beogen de natuurlijke habitats en de wilde dier- en plantesoorten van communautair belang in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen.

3. In de op grond van deze richtlijn genomen maatregelen wordt rekening gehouden met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, en met de regionale en lokale bijzonderheden.

Artikel 3

1. Er wordt een coherent Europees ecologisch netwerk gevormd van speciale beschermingszones, Natura 2000 genaamd. Dit netwerk, dat bestaat uit gebieden met in bijlage I genoemde typen natuurlijke habitats en habitats van in bijlage II genoemde soorten, moet de betrokken typen natuurlijke habitats en habitats van soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding behouden of in voorkomend geval herstellen . Het Natura 2000-netwerk bestrijkt ook de door de Lid-Staten overeenkomstig Richtlijn 79 /409 /EEG aangewezen speciale beschermingszones.

2. Elke Lid-Staat draagt bij tot de totstandkoming van Natura 2000 al naar gelang van de aanwezigheid op zijn grondgebied van de typen natuurlijke habitats en habitats van soorten als bedoeld in lid 1. Hij wijst daartoe, overeenkomstig artikel 4 en met inachtneming van de doelstellingen van lid 1, gebieden als speciale beschermingszones aan.

Artikel 4

1. Op basis van de criteria van bijlage III (fase 1) en van de relevante wetenschappelijke gegevens stelt elke Lid-Staat een lijst van gebieden voor, waarop staat aangegeven welke typen natuurlijke habitats van bijlage I en welke inheemse soorten van bijlage II in die gebieden voorkomen. Voor diersoorten met een zeer groot territorium komen deze gebieden overeen met de plaatsen, binnen het natuurljike verspreidingsgebied van die soorten , die de fysische en biologische elementen vertonen welke voor hun leven en voortplanting essentieel zijn . Voor aquatische soorten met een groot territorium worden deze gebieden alleen voorgesteld indien het mogelijk is een zone duidelijk af te bakenen die de fysische en biologische elementen vertoont welke voor hun leven en voortplanting essentieel zijn. Zo nodig stellen de Lid-Staten aanpassingen van de lijst voor in het licht van de resultaten van het in artikel 11 bedoelde toezicht.

De lijst wordt binnen drie jaar na kennisgeving van de richtlijn aan de Commissie toegezonden met informatie over elk gebied. Deze informatie omvat een kaart, de naam, de ligging en de oppervlakte van het gebied, alsmede de gegevens die zijn verkregen uit toepassing van de in bijlage III (fase 1) vermelde criteria, en wordt verstrekt op basis van een door de Commissie volgens de procedure van artikel 21 opgesteld formulier.

(…)

4. Wanneer een gebied volgens de procedure van lid 2 tot een gebied van communautair belang is verklaard, wijst de betrokken Lid-Staat dat gebied zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes jaar, aan als speciale beschermingszone en stelt hij tevens de prioriteiten vast gelet op het belang van de gebieden voor het in een gunstige staat van instandhouding behouden of herstellen van een type natuurlijke habitat van bijlage I of van een soort van bijlage II alsmede voor de coherentie van Natura 2000 en gelet op de voor dat gebied bestaande dreiging van achteruitgang en vernietiging

Artikel 6

1. De Lid-Staten treffen voor de speciale beschermingszones de nodige instandhoudingsmaatregelen; deze behelzen zo nodig passende specifieke of van ruimtelijke-ordeningsplannen deel uitmakende beheersplannen en passende wettelijke, bestuursrechtelijke of op een overeenkomst berustende maatregelen, die beantwoorden aan de ecologische vereisten van de typen natuurlijke habitats van bijlage I en de soorten van bijlage II die in die gebieden voorkomen.

Wet natuurbescherming

Artikel 1.5

1. Onze Minister stelt een nationale natuurvisie vast.

2. De nationale natuurvisie bevat de hoofdlijnen van het te voeren rijksbeleid gericht op het behoud en het zo mogelijk versterken van de biologische diversiteit, het duurzame gebruik van de bestanddelen daarvan en de bescherming van waardevolle landschappen, in nationaal en internationaal verband, en het behoud en het zo mogelijk versterken van de recreatieve, de educatieve en de belevingswaarde van natuur en landschap, in samenhang met het beleid om te komen tot een verduurzaming van de economie.

(…)

5. De nationale natuurvisie bevat voor zover mogelijk een kwantificering van de instandhoudingsdoelstellingen voor de in Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden te beschermen habitats en soorten en verschaft in samenhang daarmee en in samenhang met de staat van instandhouding van deze habitats en soorten inzicht in voorgenomen wijzigingen van de besluiten tot aanwijzing van die Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden.

Artikel 1.8

1. Onze Minister ziet toe op de staat van instandhouding van de natuurlijke habitats, de habitats van soorten en de dier- en plantensoorten, genoemd in onderscheidenlijk de bijlagen I, II, IV en V bij de Habitatrichtlijn, en van de vogelsoorten, genoemd in bijlage I bij de Vogelrichtlijn, en de niet in die bijlage genoemde geregeld voorkomende trekvogelsoorten.

Artikel 2.1

1. Onze Minister wijst gebieden aan als speciale beschermingszones ter uitvoering van de artikelen 3, tweede lid, onderdeel a, en 4, eerste en tweede lid, van de Vogelrichtlijn en de artikelen 3, tweede lid, en 4, vierde lid, van de Habitatrichtlijn. De speciale beschermingszones worden aangeduid als “Natura 2000-gebied”.

2. Ingeval een gebied geheel of gedeeltelijk wordt beheerd door één van Onze andere Ministers, neemt Onze Minister een besluit als bedoeld in het eerste lid in overeenstemming met die andere Minister.

3. Bij een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt als bijlage een kaart opgenomen waarop de begrenzing van het desbetreffende gebied nauwkeurig is aangegeven.

4. Een besluit als bedoeld in het eerste lid bevat instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied. Daartoe behoren in elk geval de instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van:

a. de leefgebieden voor vogelsoorten, voor zover nodig ter uitvoering van de Vogelrichtlijn, of

b. de natuurlijke habitats en de habitats van soorten, voor zover nodig ter uitvoering van de Habitatrichtlijn.

5. Op de voorbereiding van een besluit tot aanwijzing als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

6. Onze Minister draagt, mede in het licht van de toepassing van artikel 1.8, eerste lid, en gevolg gevend aan het inzicht, bedoeld in artikel 1.5, vijfde lid, zorg voor de actualisatie van de besluiten, bedoeld in het eerste lid.

7. Onze Minister kan een besluit als bedoeld in het eerste lid wijzigen of geheel of gedeeltelijk intrekken. Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in de eerste volzin is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, behalve in geval van wijzigingen van ondergeschikte aard. Bij een besluit tot gedeeltelijke intrekking of wijziging kan als bijlage een kaart worden opgenomen waarop de gewijzigde begrenzing van het desbetreffende gebied nauwkeurig is aangegeven.

Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna.

Artikel 3, eerste lid, van de Habitatrichtlijn (Hrl).

De rechtbank leidt uit artikel 1 van de Wet voorzieningen in verband met ambten van minister zonder portefeuille en van staatssecretaris af dat aan de minister voor Natuur en Stikstof - als minister zonder portefeuille - dezelfde bevoegdheden toekomen als aan de minister van LNV.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 1 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1047, r.o. 15.2.

Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 11 juli 2011 betreffende een gebiedsinformatieformulier voor Natura 2000-gebieden (2011/484/EU).

Uit de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP7770, r.o. 2.27.3 volgt bijvoorbeeld ook dat in de Europese fase, in de aanmeldingsfase geen rechtsbescherming open staat, maar dat die rechtsbescherming tegen de vaststelling wel verzekerd is via de beroepsmogelijkheden voor de nationale rechter.

Uitspraak van de Afdeling van 20 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO1119.

Uitspraken van de Afdeling van 28 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1891 en van 1 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1047.

bijvoorbeeld de uitspraken van 12 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1239 en van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2958.

Artikel 4 van de Habitatrichtlijn en zie ook Kamerstukken II 2010/11, 32670, 24; en zie ook de uitspraken van de Afdeling van 9 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1239, r.o. 8.2 en van 1 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1047.

Uitspraak van de Afdeling van 14 december 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU7903.

WUR-rapport “Habitattypen in Natura 2000-gebieden” van 2014.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 mei 2019 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2019:1603.

Vergelijk het arrest van 17 april 2018 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof), ECLI:EU:C:2018:255 (Oerbos Bialowieska).

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 30 maart 2016 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2016:864,

r.o. 5.2.

1 hectare (ha) = 10.000 m².

Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2961, r.o. 6.3.

Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2958, r.o. 6.2.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 28 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:164, r.o. 5.2.

ECLI:NL:RVS:2010:BN8553.

Artikel delen