Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBOBR:2026:4763

Voor het opzettelijk vervoeren van 5503 gram heroïne en het voorhanden hebben van een vervoermiddel (personenauto), wetende dat deze auto was uitgerust met een verborgen ruimte, wordt de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk. Verwerping van de verweren ten aanzien van de verbaliseringsplicht en rechtmatigheid van de doorzoeking van de a...

Rechtbank Oost-Brabant 7 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBOBR:2026:4763 text/xml public 2026-07-07T14:38:03 2026-07-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Oost-Brabant 2026-07-07 01.085805.26 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL 's-Hertogenbosch Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4763 text/html public 2026-07-06T14:57:25 2026-07-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOBR:2026:4763 Rechtbank Oost-Brabant , 07-07-2026 / 01.085805.26
Voor het opzettelijk vervoeren van 5503 gram heroïne en het voorhanden hebben van een vervoermiddel (personenauto), wetende dat deze auto was uitgerust met een verborgen ruimte, wordt de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk. Verwerping van de verweren ten aanzien van de verbaliseringsplicht en rechtmatigheid van de doorzoeking van de auto.

vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.085805.26

Datum uitspraak: 07 juli 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd te: P.I. [vestigingsplaats] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 juni 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 26 mei 2026.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

T.a.v. feit 1:

hij op of omstreeks 21 maart 2026 te Boxtel, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 5503 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

T.a.v. feit 2:

hij op of omstreeks 21 maart 2026 te Boxtel, althans in Nederland, een vervoermiddel, te weten een personenauto voorzien van het Duitse kenteken [kenteken] , voorhanden heeft gehad, wetende dat dit vervoermiddel was toegerust en/of ingericht met een ruimte die kennelijk bestemd was om de opsporing van een of meer strafbare feiten te beletten en/of te bemoeilijken.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.
Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden op grond van de bewijsmiddelen in het dossier. Van vormverzuimen in het vooronderzoek, als gevolg van een onrechtmatige doorzoeking en schending van de verbaliseringsplicht, is volgens de officier van justitie geen sprake.

Het standpunt van de verdediging.

Op de in de pleitnota genoemde gronden heeft de verdediging bepleit dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de ten laste gelegde feiten. Kort samengevat is hiertoe het navolgende aangevoerd. Er was nog geen sprake van een redelijk vermoeden van schuld van overtreding van de Opiumwet, waardoor er geen grond bestond om de auto te betreden en hierin zoeken rond te kijken. Laat staan dat er aanleiding bestond om te doorzoeken. Hoewel er wellicht een verdenking bestond van overtreding van artikel 189a, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), is doorzoeking van de auto op grond van artikel 96b van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) uitsluitend mogelijk in geval van een heterdaad situatie of verdenking van een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Daarvan was geen sprake. Gelet op het voorgaande stelt de verdediging zich op het standpunt dat er sprake is van een onrechtmatige betreding van de auto en dat er daaropvolgend sprake is geweest van een onrechtmatige doorzoeking. Dit is een onherstelbaar vormverzuim.

Daarbij komt dat sprake is van schending van de verbaliseringsplicht. De ambtsedige processen-verbaal van verbalisant [verbalisant 1] (pagina 10 t/m 11 einddossier) en verbalisant [verbalisant 2] (pagina 12 t/m 16 einddossier) staan diametraal tegenover elkaar. Omdat de processen-verbaal niet allebei waar kunnen zijn, heeft de verdediging verzocht tot het opstellen van nadere processen-verbaal. Ondanks herhaaldelijke verzoeken hiertoe van de officier van justitie, hebben de verbalisanten dit verzoek geweigerd. Gelet op deze weigering is er sprake van een onherstelbaar vormverzuim.

De verdediging stelt dat deze combinatie en ernst van vormverzuimen aanleiding geven om over te gaan tot bewijsuitsluiting, waardoor al hetgeen is aangetroffen in de auto van verdachte van het bewijs dient te worden uitgesloten. In het kader van ‘fruits of the poisonous tree’ moeten ook de door verdachte afgelegde verklaringen worden uitgesloten van het bewijs. Het voorgaande betekent dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken.

Bovendien heeft verdachte ter terechtzitting aangevoerd dat hij - ondanks het feit dat hij wel wist dat hij drugs vervoerde die ook wel ‘chocolade’ wordt genoemd - niet wist om wat voor soort drugs het precies ging. Hij wist niet dat de drugs die hij vervoerde harddrugs betrof.

Het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling van het verweer t.a.v. de verbaliseringsplicht

De verbaliseringsplicht is neergelegd in artikel 152 Sv. Dit artikel schrijft voor dat ambtenaren, die zijn belast met de opsporing van strafbare feiten, ten spoedigste proces-verbaal opmaken van het door hen opgespoorde strafbare feit of van hetgeen door hen tot opsporing is verricht of bevonden. Redelijke uitleg van die bepaling in het licht van de aan een eerlijk proces te stellen eisen brengt met zich mee dat het opsporingsambtenaren slechts dan vrij staat het opmaken van een proces-verbaal achterwege te laten ingeval hetgeen door hen is verricht of bevonden redelijkerwijs niet van belang kan zijn voor enige door de rechter in het eindonderzoek te nemen beslissing.

De rechtbank overweegt dat de verrichtingen en bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 21 maart 2026 die hebben geleid tot de verdenking, de staandehouding, doorzoeking, inbeslagneming en aanhouding zijn vastgelegd in de processen-verbaal van 21 maart 2026 (verbalisant [verbalisant 1] ) en 22 maart 2026 (verbalisant [verbalisant 2] ).

Hoewel de rechtbank ook heeft geconstateerd dat de processen-verbaal van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] niet uitblinken in nauwkeurigheid en duidelijkheid, is de rechtbank van oordeel dat op basis van de inhoud van de processen-verbaal wel objectief vastgesteld kan worden hoe een en ander verlopen is op 21 maart 2026. Op grond van voornoemde processen-verbaal stelt de rechtbank het navolgende vast.

Verbalisant [verbalisant 1] zag op 21 maart 2026 om 10:23 uur dat er op de weg A77 in Nederland een Automatic Number Plate Recognition (hierna: ANPR) hit kwam

op een voertuig met het Duitse kenteken [kenteken] . Uit de Duitse politiesystemen bleek dat het voertuig was voorzien van een verborgen ruimte en dat het voertuig gebruikt wordt om verdovende middelen mee te vervoeren. Hierna heeft [verbalisant 1] de volgende reisbewegingen waargenomen van voornoemd voertuig in het ANPR-systeem:

- 21-03-2026, 10:50 uur, A15 links Valburg;

- 21-03-2026, 11:07 uur, A15 links Geldermalsen;

- 21-03-2026, 11:21 uur, A15 links Gorinchem;

- 21-03-2026, 11:26 uur, A15 links Hardinxveld;

- 21-03-2026, 11:43 uur, A16 links Brienenoord;

- 21-03-2026, 11:48 uur, A20 rechts afrit richting Alexandrium;

- 21-03-2026, 12:24 uur, A16 rechts Brienenoord;

- 21-03-2026, 12:51 uur, A15 rechts Hardinxveld;

- 21-03-2026, 12:57 uur, A5 rechts Gorinchem;

- 21-03-2026, 13:16 uur, A2 rechts Oud Empel.

Verbalisant [verbalisant 1] beschrijft dat bij hem het vermoeden bestond dat de bestuurder mogelijk verdovende middelen had gehaald en deze nu aan het vervoeren was, aangezien het voertuig ongeveer 41 minuten in Rotterdam is verbleven en gezien het feit dat het voertuig was voorzien van een verborgen ruimte. Dit vermoeden komt de rechtbank niet vreemd voor gelet op de informatie die hem op dat moment bekend was.

Verbalisant [verbalisant 1] eindigt zijn proces-verbaal met de opmerking dat hij telefonisch contact heeft opgenomen met een collega van de Nationale Politie met het verzoek voornoemd voertuig te controleren. De rechtbank heeft geconstateerd dat in het proces-verbaal van [verbalisant 1] niet beschreven is hoe laat dit telefonisch contact plaatsvond. De rechtbank overweegt dat de omstandigheid dat deze opmerking onderaan het proces-verbaal staat, ondanks de indruk die dit wekt, niet de conclusie rechtvaardigt dat het telefonisch contact pas heeft plaatsgevonden na de laatste ANPR-hit van 13:16 uur. Verbalisant [verbalisant 2] lijkt immers wel het tijdstip te beschrijven in zijn proces-verbaal waarop het contact tussen hem en verbalisant [verbalisant 1] plaatsvond, namelijk: omstreeks 10:57 uur.

Verbalisant [verbalisant 2] beschrijft dat hij van [verbalisant 1] de volgende startinformatie kreeg: dat er vanuit Duitsland een voertuig met daarin twee personen vermoedelijk naar Rotterdam onderweg was om daar harddrugs op te halen om het vervolgens naar Duitsland te brengen. Het betrof een voertuig van het merk Opel, type Insignia en voorzien van het kenteken [kenteken] . Hoewel verbalisant [verbalisant 1] in zijn proces-verbaal niet heeft gerept over twee personen in het voertuig en evenmin specifiek over harddrugs, overweegt de rechtbank dat het niet onvoorstelbaar is dat verbalisant [verbalisant 2] zijn waarneming van de latere staande houding van de twee inzittenden en het aantreffen van de harddrugs abusievelijk heeft vervlochten met de startinformatie van [verbalisant 1] bij het opmaken van het onderhavige proces-verbaal. Bovendien is niet uitgesloten dat de verbalisanten naar aanleiding van de ANPR-hit de beschikking hadden over beelden van het voertuig, waaruit bleek dat het om twee inzittenden ging. Het vermoeden dat het voertuig vanuit Duitsland onderweg was naar Rotterdam om daar harddrugs op te halen om dit vervolgens naar Duitsland te brengen, komt de rechtbank niet vreemd voor gelet op het volgende. Uit de eerste ANPR-hit volgt dat de auto, met Duits kenteken, in Nederland is gesignaleerd om 10:23 uur op de A77. De Rijksweg A77 betreft een verbindingsweg tussen Duitsland en Nederland. Mede gelet op het Duitse kenteken, staaft deze route het vermoeden dat de auto vanuit Duitsland Nederland is binnengekomen. Uit de ANPR-hits kan verder worden afgeleid welke route het Duitse voertuig door Nederland volgde, te weten: richting Rotterdam. Het voertuig is enige tijd in (de buurt van) Rotterdam geweest waarna de auto zijn route vervolgde naar het oosten van Nederland. De rechtbank overweegt dat het een feit van algemene bekendheid is dat Rotterdam een belangrijke spil is in de handel in harddrugs in West-Europa. Daarbij komt dat, zoals hiervoor reeds is overwogen, ook uit de startinformatie vanuit de Duitse politiesystemen bleek dat het betreffende voertuig, dat voorzien was van een verborgen ruimte, gebruikt werd om verdovende middelen mee te vervoeren.

Verbalisant [verbalisant 2] beschrijft vervolgens dat hij hoorde dat het voertuig inmiddels door de ANPR was gekomen op de rijksweg A15 komende uit de richting van Tiel gaande richting Rotterdam. Het voorgaande bevestigt overigens dat [verbalisant 2] al eerder telefonisch contact had met [verbalisant 1] dan de laatste door verbalisant [verbalisant 1] beschreven ANPR-hit van 13:16 uur.

Vervolgens beschrijft [verbalisant 2] dat hij omstreeks 13:16 uur een ANPR-hit ontving dat het voertuig was gezien op de rijksweg A2 (rechts, hm-paal 110,1). De rechtbank overweegt dat hieruit volgt dat verbalisant [verbalisant 2] deze ANPR-hit zelf ontving, dit was geen informatie die hij via [verbalisant 1] ontving. Verder blijkt uit zijn proces-verbaal dat hij niet veel later achter het betreffende voertuig reed en dat het voertuig en de twee inzittenden gecontroleerd werden aan de Bosscheweg te Boxtel. De staandehouding vond plaats om 13:22 uur. Hoewel de verdediging heeft aangevoerd dat het vrijwel onmogelijk is dat de staandehouding slechts 6 minuten na de laatste ANPR-hit van 13:16 uur plaatsvond, overweegt de rechtbank dat dit haar niet vreemd voorkomt aangezien verbalisant [verbalisant 2] blijkens zijn proces-verbaal werkzaam is bij het Grensoverschrijdend Politie Team. Hij was op 21 maart 2026 belast was met bilaterale patrouilles en voor de uitvoering van deze taak maakte hij gebruik van een – niet als zodanig herkenbaar – politievoertuig. De officier van justitie heeft ter zitting toegelicht dat het proces-verbaal is opgemaakt door het team LX (voluit: De Eenheid Landelijke Expertise en Operaties, wat onderdeel uitmaakt van het Grensoverschrijdend Politie Team) en dat dit een landelijk verkeersteam betreft dat vrijwel altijd onderweg is. Gelet op het voorgaande en de constatering dat verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] al eerder contact moeten hebben gehad is het zeer aannemelijk dat verbalisant [verbalisant 2] zich al op de weg bevond en aanrijdend was op het moment dat hij de laatste ANPR-hit ontving. Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat politieagenten zeer snel kunnen schakelen, snel aanrijdend zijn en snel ter plaatse zijn naar aanleiding van een melding of informatie (zoals een ANPR-hit) die zij ontvangen.

Gelet op het voorgaande deelt de rechtbank het standpunt van de verdediging, inhoudende dat de inhoud van de processen-verbaal diametraal tegenover elkaar staan en niet allebei waar kunnen zijn, niet. Hoewel de processen-verbaal op detailniveau enkele verschillen tonen, overweegt de rechtbank dat de verschillen niet met zich meebrengen dat een van de twee processen-verbaal onjuist of onbruikbaar is. Beide verbalisanten hebben aan de officier van justitie verklaard dat zij in deze processen-verbaal ieder vanuit hun eigen beleving naar waarheid hebben verklaard. Het menselijk geheugen is niet feilloos. Bovendien, en meest belangrijk, is dat naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van het ontbreken van cruciale informatie die redelijkerwijs van belang is voor enige in deze strafzaak te nemen beslissing. De enkele omstandigheid dat verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op (herhaaldelijk) verzoek van de officier van justitie hebben geweigerd aanvullend proces-verbaal op te maken over de nadere duidingsvragen van de verdediging, waarbij zij aangeven te persisteren bij de inhoud van de op 21 en 22 maart 2026 opgestelde processen-verbaal, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. In het onderhavige geval leiden de geringe verschillen en de weigering van de verbalisanten, gelet op de achtergrond zoals hiervoor geschetst, dan ook niet tot een schending van de verbaliseringsplicht.

Het verweer ten aanzien van de verbaliseringsplicht is hiermee verworpen.

Beoordeling van het rechtmatigheidsverweer

Uit het proces-verbaal van 22 maart 2026 van verbalisant [verbalisant 2] volgt dat na de staandehouding van verdachte op 21 maart 2026 toegang is verschaft tot zijn voertuig op grond van artikel 9, eerste lid, van de Opiumwet (Ow). Dit artikel geeft opsporingsambtenaren de bevoegdheid een voertuig te betreden en zoekend rond te kijken in geval redelijkerwijs kan worden vermoed dat met dit vervoermiddel drugs vervoerd wordt of dat hierin drugs aanwezig zijn. Het betreft echter geen bevoegdheid tot doorzoeking van het voertuig.

Gelet op de omstandigheid dat uit het proces-verbaal volgt dat in de kofferbakruimte een verborgen ruimte werd aangetroffen en getracht is deze verborgen ruimte te openen, is naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van een doorzoeking in plaats van slechts een betreding, zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, Ow.

Verder blijkt uit het proces-verbaal dat het voertuig vervolgens inbeslaggenomen is op grond van artikel 1:37 Algemene Douanewet. Dit artikel geeft opsporingsambtenaren de bevoegdheid over te gaan tot inbeslagname van onder meer vervoermiddelen die kennelijk ingericht of toegerust zijn om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de doorzoeking en inbeslagname rechtmatig zijn geweest. De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.

Op grond van artikel 96b Sv zijn opsporingsambtenaren bevoegd ter inbeslagneming een vervoermiddel te doorzoeken, in geval van een ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.

De rechtbank overweegt dat het een feit van algemene bekendheid is dat een aangebrachte verborgen ruimte in een voertuig enkel dient om strafbare goederen, zoals drugs, maar ook vuurwapens en uit misdrijf verkregen geld, aan het ambtelijk toezicht te onttrekken. Gelet op de feiten en omstandigheden zoals vermeld in het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 1] van 21 maart 2026 en het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 2] van 22 maart 2026 (zoals hiervoor reeds uiteengezet bij het bespreken van de beoordeling van het verweer aangaande de verbaliseringsplicht), is de rechtbank van oordeel dat er sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, te weten: het verbergen of verhullen van drugs. Immers, er reed een voertuig met een buitenlands kenteken met daarin volgens Duitse informatie een verborgen ruimte die werd gebruikt om drugs te vervoeren vanuit de richting van de Duitse grens naar Rotterdam. Alwaar het voertuig kortstondig verbleef, om vervolgens de weg te vervolgen (terug) richting het oosten van het land, mogelijk het land weer uit. Gelet op het voorgaande waren de verbalisanten op grond van artikel 96b Sv de bevoegd het voertuig te doorzoeken ter inbeslagneming.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat in het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 2] van 22 maart 2026 weliswaar niet de juiste wettelijke grondslag voor de doorzoeking staat vermeld, maar dat wel een wettelijke grondslag voor de doorzoeking bestond. Van een onrechtmatige doorzoeking is daarom geen sprake.

Het rechtmatigsheidsverweer is hiermee verworpen

Conclusie

Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat geen sprake is geweest van schending van de verbaliseringsplicht en geen sprake is geweest van een onrechtmatige doorzoeking, stelt de rechtbank vast dat van vormverzuimen in het vooronderzoek geen sprake is. Gelet op deze conclusie gaat de rechtbank over tot de beoordeling van de bewijsmiddelen.

Het oordeel van de rechtbank.

T.a.v. feit 1:

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de in de bijlage uitgewerkte bewijsmiddelen, vast komen te staan dat er op 21 maart 2026 in de verborgen ruimte van de auto van verdachte, voorzien van het Duitse kenteken [kenteken] , zes pakketten heroïne zijn aangetroffen. Het totaal nettogewicht van deze heroïne betrof 5503 gram. Verdachte heeft hiermee door Nederland gereden.

Verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat hij wist dat er in zijn auto een verborgen ruimte aanwezig was, dat hij in Rotterdam pakketten in de verborgen ruimte heeft zien liggen en deze ook heeft aangeraakt en dat hij wist dat het om drugs ging, die – zo was hem verteld - ook wel ‘chocolade’ wordt genoemd. Hij wist echter niet precies om welke soort drugs het ging, laat staan dat het om harddrugs ging.

De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.

Verdachte heeft verklaard dat hij in Duitsland heeft ingestemd met een opdracht van een [onbekend gebleven] man. Deze opdracht hield in dat verdachte vanuit Duitsland naar Nederland zou rijden. Hij zou drugs gaan ophalen op een afgesproken locatie in Rotterdam. Hij moest deze drugs vervolgens van Rotterdam naar een dorpje in de buurt van Aken (Duitsland) brengen. Verdachte zou hier een bedrag van 3.000,- euro voor krijgen. Hij heeft nagelaten vragen te stellen aan de man om wat voor soort drugs het ging en heeft ook niet naar de inhoud van de pakketten gekeken. Gelet op deze feiten en omstandigheden, in samenhang bezien, concludeert de rechtbank dat verdachte zich, door zich niet ervan te vergewissen wat voor soort drugs het transport betrof, willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij zich zou inlaten met het vervoeren van harddrugs in zijn personenauto. Verdachte heeft derhalve gehandeld met het vereiste opzet in de zin van voorwaardelijk opzet.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 21 maart 2026 in Nederland schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk vervoeren van 5503 gram heroïne.

De rechtbank ziet onvoldoende aanwijzingen in het dossier dat verdachte het feit gepleegd heeft in bewuste en nauwe samenwerking met een of meer anderen. Er zijn onvoldoende aanwijzingen in het dossier dat verdachte de feiten heeft gepleegd in vereniging met zijn vriend, die zich als bijrijder in de auto bevond, of met een of meer andere onbekend gebleven personen uit Duitsland. Uit de verklaring van verdachte blijkt weliswaar dat hij afspraken heeft gemaakt met deze personen ten aanzien van het transport van de drugs, maar hij heeft - gezien de uitvoering van deze enkele opdracht, waar alleen hij verantwoordelijk voor was - slechts een beperkte en uitvoerende rol vervuld in het grotere geheel. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van medeplegen. De rechtbank zal verdachte daarom partieel vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

T.a.v. feit 2:

De rechtbank is van oordeel dat, op grond van de in de bijlage uitgewerkte bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een personenauto, terwijl verdachte wist dat dit voertuig was toegerust of ingericht met een verborgen ruimte die kennelijk bedoeld was om de opsporing van strafbare feiten te beletten of te bemoeilijken. Daarmee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 189a, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bijlage uitgewerkte bewijsmiddelen - in onderling verband en samenhang bezien - komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

T.a.v. feit 1:

op 21 maart 2026 in Nederland, opzettelijk heeft vervoerd, 5503 gram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

T.a.v. feit 2:

op 21 maart 2026 in Nederland, een vervoermiddel, te weten een personenauto voorzien van het Duitse kenteken [kenteken] , voorhanden heeft gehad, wetende dat dit vervoermiddel was toegerust en/of ingericht met een ruimte die kennelijk bestemd was om de opsporing van een of meer strafbare feiten te beletten en/of te bemoeilijken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
De strafbaarheid van de feiten.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf.
De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat ter zake van de twee ten laste gelegde feiten aan verdachte wordt opgelegd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 20 maanden.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft primair verzocht om vrijspraak en subsidiair bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder het feit dat hij (gelet op de justitiële documentatie in Nederland en Duitsland) dient te worden beschouwd als een ‘first offender’, hij medewerking heeft verleend aan het strafrechtelijk onderzoek, direct een bekennende verklaring heeft afgelegd, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan alsmede de beperkte rol van verdachte in het grotere geheel. Gelet op de straffen die blijkens de jurisprudentie in soortgelijke gevallen worden opgelegd, heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de door de officier van justitie gevorderde straf te hoog is en gematigd dient te worden tot een gevangenisstraf tussen de 14 en 18 maanden.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Voorts houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Daarnaast heeft de rechtbank bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De aard en ernst van de feiten.

Verdachte heeft zich op 21 maart 2026 schuldig gemaakt aan het opzettelijk vervoeren van 5503 gram heroïne. De heroïne werd vervoerd in een speciaal daarvoor gemaakte verborgen ruimte in zijn personenauto. Deze verborgen ruimte was kennelijk bedoeld om de opsporing van strafbare feiten te belemmeren of bemoeilijken.

De aangetroffen hoeveelheid heroïne vertegenwoordigt een aanzienlijke straatwaarde. De verdachte heeft met zijn handelen een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van harddrugs schadelijk is voor de volksgezondheid. Bovendien leidt de handel in en het gebruik van harddrugs vaak tot andere vormen van criminaliteit, waaronder ernstige geweldscriminaliteit. De verdachte heeft zich hier niet door laten weerhouden en heeft zich kennelijk alleen laten leiden door zijn eigen financiële situatie. Daarbij is extra kwalijk dat voor het drugstransport een verborgen ruimte in de auto is gebruikt, wat de opsporing van dit soort feiten kan bemoeilijken. De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat aangebrachte verborgen ruimtes enkel dienen om strafbare goederen, zoals drugs, maar ook vuurwapens en uit misdrijf verkregen geld, aan het ambtelijk toezicht te onttrekken. Een dergelijke verborgen ruimte is naar haar aard en gelet op de kosten die met het maken van deze verborgen ruimte zijn gemoeid ook bedoeld voor herhaald gebruik.

Persoonlijke omstandigheden

De rechtbank houdt bij de bepaling van de strafmaat rekening met de omstandigheid dat hij blijkens de hem betreffende uittreksels uit de Justitiële Documentatie in Nederland en Duitsland niet eerder veroordeeld is voor soortgelijke delicten en zo bezien beschouwd dient te worden als een ‘first offender’.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij in Albanië is geboren, naar Duitsland is gegaan en daar een verblijfsvergunning heeft gekregen om te werken. In Duitsland raakte hij in de financiële problemen vanwege het verlies van zijn baan, de medische situatie van zijn ouders die de nodige kosten met zich meebrachten en oplopende leningen/schulden. De rechtbank overweegt dat dit echter geen excuus is om dergelijke ernstige strafbare feiten te plegen. Verdachte had anders kunnen en anders moeten handelen dan hij heeft gedaan. De rechtbank neemt verdachte dat kwalijk. Verdachte heeft daarentegen wel verantwoordelijkheid getoond door openheid van zaken te geven ten aanzien van zijn eigen handelen en de door hem gepleegde strafbare feiten toegegeven. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het verkeerde van zijn handelen inziet en heeft oprecht berouw getoond.

De strafsoort, strafmaat en strafmodaliteit

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving, en rekening houdend met alle hiervoor genoemde omstandigheden, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de straf hanteert de rechtbank als uitgangspunt de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten voor het vervoeren van harddrugs. In deze oriëntatiepunten wordt voor het opzettelijk vervoeren van 5503 gram heroïne, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 20 tot 24 maanden voorgesteld.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf, nu de rechtbank verdachte zal vrijspreken van het medeplegen van feit 1 en meer gewicht toekent aan de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals hiervoor vermeld.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat een gevangenisstraf van 20 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds heeft doorgebracht in voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, passend en geboden is. Aan het voorwaardelijk strafdeel zal de rechtbank de algemene voorwaarde verbinden dat verdachte zich onthoudt van het plegen van strafbare feiten. De rechtbank wil daarmee enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds beoogt zij daarmee invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte gericht op het maken van andere keuzes wanneer hij zich opnieuw in een financieel benarde positie bevindt en (daarmee) op het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
De voorlopige hechtenis.
Onder verwijzing naar de bepleite vrijspraak, heeft de verdediging ter terechtzitting de opheffing verzocht van de voorlopige hechtenis. Gelet op de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf ter zake van het bewezenverklaarde, wijst de rechtbank het verzoek af.
Beslag.
De rechtbank overweegt dat geen beslissing meer genomen hoeft te worden ten aanzien van de op de beslaglijst van 22 juni 2026 vermelde inbeslaggenomen goederen. De officier van justitie heeft ter terechtzitting toegelicht dat reeds de teruggave is gelast van het onder verdachte inbeslaggenomen geldbedrag van 1.075,- euro (zoals vermeld onder 1 op de beslaglijst) en verdachte heeft afstand gedaan van alle inbeslaggenomen drugs.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 57 en 189a Wetboek van Strafrecht;

2 en 10 Opiumwet.DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod

voorhanden hebben van een vervoermiddel, wetende dat dit vervoermiddel is toegerust of ingericht met een ruimte die kennelijk is bestemd om de opsporing van strafbare feiten te beletten of te bemoeilijken

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

T.a.v. feit 1, feit 2:

een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 6 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.W.M. Bankers, voorzitter,

mr. J.H.P.G. Wielders en mr. A. Maas, leden,

in tegenwoordigheid van mr. F.E.M. Freese - de Haas, griffier,

en is uitgesproken op 07 juli 2026.

Artikel delen