Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBOBR:2026:4791

Verkrachting. Betrouwbare aangifte. Steunbewijs DNA-onderzoek. Autosomaal DNA met hoge bewijskracht. Y-chromosomaal DNA. Dadersporen. Alternatief scenario onaannemelijk. Dwang door een andere feitelijkheid. Groot leeftijdsverschil. Kwetsbare aangeefster. Oud feit. Milder strafklimaat. Schending redelijke termijn. Gevangenisstraf 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met proeftijd 2 jaar e...

Rechtbank Oost-Brabant 7 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBOBR:2026:4791 text/xml public 2026-07-07T14:38:04 2026-07-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Oost-Brabant 2026-07-07 01-020221-23 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL 's-Hertogenbosch Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4791 text/html public 2026-07-07T10:39:57 2026-07-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOBR:2026:4791 Rechtbank Oost-Brabant , 07-07-2026 / 01-020221-23
Verkrachting. Betrouwbare aangifte. Steunbewijs DNA-onderzoek. Autosomaal DNA met hoge bewijskracht. Y-chromosomaal DNA. Dadersporen. Alternatief scenario onaannemelijk. Dwang door een andere feitelijkheid. Groot leeftijdsverschil. Kwetsbare aangeefster. Oud feit. Milder strafklimaat. Schending redelijke termijn. Gevangenisstraf 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met proeftijd 2 jaar en bijzondere voorwaarden.

vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.020221.23

Datum uitspraak: 07 juli 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1962,

wonende te [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 juni 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 10 juni 2026.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op één of meerdere tijdstippen op of omstreeks 14 mei 2022 te Luyksgestel, althans in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten:

- het kussen van/op haar lichaam en/of

- met haar (tong)zoenen en/of

- het brengen en/of duwen en/of bewegen van zijn penis en/of vinger(s) in haar vagina en/of

- het zich door haar laten aftrekken en/of pijpen,
en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid hierin dat verdachte:
- haar kleding uit heeft getrokken en/of

- haar heeft vastgegrepen en/of haar hoofd richting zijn penis heeft geduwd en/of

- heeft gezegd dat ze hem moest pijpen en/of aftrekken en/of

- boven op haar is geklommen en/of is gaan liggen en/of

- daarbij voorbij is gegaan aan en/of niet heeft geluisterd naar het mondelinge verzet dat die [slachtoffer] heeft getoond.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Inleiding.

Verdachte wordt ervan verdacht dat hij [slachtoffer] , een destijds 21-jarige vriendin van zijn dochter, heeft verkracht op de wijze zoals in de tenlastelegging staat omschreven.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen te verklaren.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde. De raadsman heeft aangevoerd dat de aangifte niet betrouwbaar is. Indien de aangifte wel betrouwbaar wordt geacht, dan is er volgens de raadsman onvoldoende steunbewijs. Verdachte heeft het tenlastegelegde ontkend.

Het oordeel van de rechtbank.

De bewijsmiddelen

De door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage. De inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Beoordelingskader van het bewijs in zedenzaken

Deze zaak betreft de verdenking van een zedendelict. Dergelijke zaken kenmerken zich doorgaans door het feit dat in de regel slechts twee personen aanwezig zijn bij de beweerde seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Als de verdachte ontkent, komt het vaak neer op het woord van het vermeende slachtoffer (in dit geval [slachtoffer] ) tegen dat van de verdachte. Bij de beoordeling van het bewijs moet de rechtbank de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] beoordelen, beoordelen of er voldoende ander bewijs aanwezig is dat deze verklaring ondersteunt en beoordelen of er tegenaanwijzingen zijn.

Volgens artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan een beschuldiging niet alleen op grond van de verklaring van één getuige (van het slachtoffer) worden bewezen. Ook niet als de rechtbank deze verklaring betrouwbaar vindt. Er moet altijd ander bewijs (steunbewijs) in het dossier zitten. Of sprake is van voldoende steunbewijs is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

Volgens de Hoge Raad moet deze bewijsminimumregel in zedenzaken niet zo uitgelegd worden dat vereist is dat de (seksuele) handelingen die op de beschuldiging staan als zodanig bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal, maar is het voldoende wanneer de verklaring van het vermeende slachtoffer op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen. Die andere bewijsmiddelen moeten afkomstig zijn van een andere bron dan van het vermeende slachtoffer.

Beoordeling

Betrouwbaarheid

De rechtbank moet allereerst beoordelen of de verklaringen van [slachtoffer] betrouwbaar zijn.

De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] op twee momenten een verklaring heeft afgelegd, te weten tijdens het informatieve gesprek met de politie op 14 mei 2022 en in haar aangifte op 23 juni 2022. Over belangrijke onderdelen van de verdenking, te weten de aard van de seksuele handelingen en de volgorde en plaats van die handelingen heeft [slachtoffer] consistente verklaringen afgelegd. Zowel tijdens het informatieve gesprek met de politie als in haar aangifte heeft [slachtoffer] immers verklaard dat de seksuele handelingen plaatsvonden in de slaapkamer van verdachte en dat deze in drie ‘rondes’ hebben plaatsgevonden. Verder zijn haar verklaringen voldoende gedetailleerd en authentiek, bijvoorbeeld over dat zij ter afleiding met de hond van verdachte ging spelen in de hoop dat er verder niets zou gebeuren of dat zij tussen de seksuele handelingen door de badjas van verdachte aantrok. De rechtbank heeft ook in aanmerking genomen dat [slachtoffer] haar begeleidster [betrokkene] direct heeft verteld over hetgeen haar was overkomen, waarna zij op dezelfde avond nog forensisch-medisch werd onderzocht in het ziekenhuis en ook het informatieve gesprek heeft plaatsgevonden. Ook de hierna te bespreken resultaten uit het DNA-onderzoek dragen bij aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] . Deze wijzen immers onmiskenbaar op seksueel contact tussen verdachte en [slachtoffer] .

De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van [slachtoffer] en acht deze dan ook in de kern, voor wat betreft de seksuele handelingen, betrouwbaar.

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de verklaring van [slachtoffer] voldoende worden ondersteund door andere bewijsmiddelen (steunbewijs).

Steunbewijs

Door het NFI is DNA-onderzoek verricht aan de lichaamsbemonsteringen die bij een Forensisch Medisch Onderzoek van [slachtoffer] zijn afgenomen.

In de bemonstering van de buitenste schaamlippen is, naast een relatief grote hoeveelheid DNA van [slachtoffer] , een relatief geringe hoeveelheid DNA gevonden dat afkomstig kan zijn van verdachte. Dit DNA-mengprofiel is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer de bemonstering DNA bevat van [slachtoffer] en verdachte, dan wanneer de bemonstering DNA bevat van [slachtoffer] en een willekeurige onbekende persoon.

Ook in de bemonsteringen van de rechterborst, de linkerborst en de linker bil is DNA van [slachtoffer] en DNA dat afkomstig kan zijn van verdachte gevonden. Het DNA-mengprofiel is voor wat betreft de rechter- en linkerborst meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van [slachtoffer] en verdachte, dan wanneer het DNA afkomstig is van het [slachtoffer] en een willekeurige onbekende persoon. Voor wat betreft het DNA-mengprofiel in de bemonstering van de linker bil is dat ongeveer 35 miljoen keer waarschijnlijker.

Voor de bemonstering van de binnenste schaamlippen + ondiep vaginaal en de bemonstering diep vaginaal is een aanwijzing verkregen voor de aanwezigheid van een relatief kleine hoeveelheid mannelijk DNA in deze bemonsteringen. Van dit DNA zijn (met elkaar overeenkomende) Y-chromosomale DNA-profielen verkregen van minimaal één man. Het Y-chromosomale DNA-profiel van verdachte komt overeen met deze Y- chromosomale DNA-profielen. Dit betekent dat het mannelijk DNA in deze bemonsteringen afkomstig kan zijn van verdachte of van een in de mannelijke lijn aan hem verwante man.

Het NFI heeft aangegeven dat de DNA-profielen uit de bemonsteringen zeer veel waarschijnlijker zijn wanneer – kort gezegd – verdachte of een man in de vaderlijke lijn van verdachte de donor is dan wanneer dit niet zo is.

De resultaten van het NFI-onderzoek ondersteunen naar het oordeel van de rechtbank de verklaring van [slachtoffer] dat seksuele handelingen hebben plaatsgevonden tussen haar en verdachte. Gelet op de bevindingen van het NFI en de verklaring van [slachtoffer] is de rechtbank van oordeel dat verdachte donor is van het celmateriaal op de buitenste schaamlippen, de rechter- en linkerborst en de linker bil, alsmede op de binnenste schaamlippen en de (ondiepe en diepe) vagina van [slachtoffer] , en dat het gaat om dadersporen.

Alternatief scenario

Verdachte heeft ontkend dat [slachtoffer] alleen bij hem thuis is geweest en dat er seksuele handelingen hebben plaatsgevonden met [slachtoffer] . Verdachte zegt geen verklaring te hebben voor de resultaten van het DNA-onderzoek, De raadsman heeft aangevoerd dat de broer van verdachte niet is betrokken in het DNA-onderzoek. Deze broer zou [slachtoffer] , volgens haar verklaring, naar het huis van verdachte hebben gebracht waarna het ten laste gelegde heeft plaatsgevonden.

De rechtbank overweegt dat zij de stelling van de raadsman – voor zover die zou moeten worden gezien als een alternatief scenario – volstrekt onaannemelijk acht. Het dossier bevat geen enkele aanwijzing dat de broer van verdachte seksueel contact met [slachtoffer] heeft gehad. [slachtoffer] heeft dat niet verklaard en verdachte zelf ook niet. Bovendien is er in meerdere lichaamsbemonsteringen van [slachtoffer] , waaronder op de buitenste schaamlippen, autosomaal DNA van verdachte gevonden met een hoge bewijskracht.

Tussenconclusie

Gelet op de aangifte van [slachtoffer] en de bevindingen van het NFI is de rechtbank van oordeel dat is komen vast te staan dat tussen [slachtoffer] en verdachte seksuele handelingen hebben plaatsgevonden zoals vermeld in de tenlastelegging.

Dwang

Dwang in de zin van artikel 242 (oud) van het Wetboek van Strafrecht kan plaatsvinden door middel van geweld of een andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid. Van geweld of bedreiging met geweld is gelet op de inhoud van het dossier geen sprake. Van een door middel van een andere feitelijkheid dwingen tot seksuele handelingen is sprake indien verdachte opzettelijk heeft veroorzaakt dat [slachtoffer] die handelingen heeft ondergaan tegen haar wil. Of een dergelijke dwang heeft plaatsgevonden laat zich niet in het algemeen beantwoorden, maar hangt af van de concrete omstandigheden van het geval.

De rechtbank heeft hierbij het volgende in aanmerking genomen.

Tussen verdachte en [slachtoffer] bestond een groot leeftijdsverschil. Verdachte was ten tijde van het ten laste gelegde 59 jaar en [slachtoffer] was 21 jaar.

[slachtoffer] was een kwetsbare jonge vrouw. Zij had forse psychische problematiek, ze was daarvoor opgenomen en verdachte heeft verklaard dat hij daarvan op de hoogte was.

[slachtoffer] heeft onder meer het volgende verklaard.

Ik heb hem duidelijk uitgelegd en gezegd dat dat niet kon, dat hij te ver ging. Ik heb gezegd ik ben de beste vriendin van je dochter, ik wil dit niet, stop. Maar daar werd niet naar geluisterd.

Hij duwde mijn hoofd naar zijn onderstuk. Hij zei dat ik hem moest pijpen.

Toen hij mij zoende, zei ik ook al, nee wat doe je, stop. Hij zei toen, kom op kom op.

Ik heb tijdens de seks gezegd dat het pijn deed. Hij zei, het is zo over.

Gelet op het leeftijdsverschil tussen verdachte en [slachtoffer] , de kwetsbare positie van [slachtoffer] en haar verklaring, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van dwang.

Conclusie

De rechtbank heeft op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat verdachte [slachtoffer] heeft verkracht.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 14 mei 2022 te Luyksgestel door een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten:

- het kussen van/op haar lichaam en

- met haar zoenen en

- het brengen van zijn penis en vinger(s) in haar vagina en

- het zich door haar laten aftrekken en pijpen,
en bestaande die andere feitelijkheid hierin dat verdachte:
- haar kleding uit heeft getrokken en

- haar heeft vastgegrepen en haar hoofd richting zijn penis heeft geduwd en

- heeft gezegd dat ze hem moest pijpen en aftrekken en

- boven op haar is geklommen en is gaan liggen en

- daarbij voorbij is gegaan aan en niet heeft geluisterd naar het mondelinge verzet dat die [slachtoffer] heeft getoond.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 36 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht en een ambulante behandeling.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. De raadsman heeft geen opmerkingen gemaakt ten aanzien van de strafmaat. Verdachte heeft verklaard dat hij bereid is de door de reclassering geadviseerde ambulante behandeling te volgen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft in 2022 zich schuldig gemaakt aan verkrachting van een destijds 21-jarige vriendin van zijn dochter. De rechtbank houdt bij de strafoplegging in strafverzwarende zin rekening met het grote leeftijdsverschil tussen verdachte en het slachtoffer en haar psychische kwetsbaarheid. Er was sprake van verregaande seksuele handelingen gedurende een aantal uren. Verdachte heeft met zijn handelen een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en haar lichamelijke integriteit aangetast. Dit ernstige zedenmisdrijf moet een enorme impact op [slachtoffer] hebben gehad. De rechtbank rekent het verdachte, die de problematiek van het slachtoffer kende, zwaar aan dat hij zijn eigen seksuele behoefte volledig boven het belang van deze kwetsbare jonge vrouw heeft gesteld.

De rechtbank houdt in strafverzwarende zin ook rekening met de omstandigheid dat verdachte eerder, weliswaar lang geleden, is veroordeeld voor zedenfeiten.

De rechtbank stelt vast dat sprake is van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Bij de berechting van een zaak heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen 2 jaar na aanvang van de redelijke termijn. Als beginpunt van de in artikel 6 EVRM bedoelde termijn geldt het moment waarop vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting heeft kunnen ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De rechtbank stelt in dit geval als begindatum vast de datum van aanhouding van verdachte, te weten 9 januari 2024. Tussen die datum en de datum van het eindvonnis (7 juli 2026) ligt een periode van 2 jaar en bijna 6 maanden. Er is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met bijna 6 maanden. Naar het oordeel van de rechtbank is er in deze zaak geen sprake van bijzondere omstandigheden die ertoe leiden dat de overschrijding van de redelijke termijn niet dient te worden meegewogen in de strafoplegging. De rechtbank zal het door het tijdsverloop veroorzaakte nadeel langs de weg van strafvermindering compenseren. De rechtbank heeft dit gedaan door in het voordeel van verdachte het oude oriëntatiepunt voor verkrachting als uitgangspunt te nemen en een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen, zoals hierna zal worden toegelicht.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging verder rekening met het omtrent verdachte opgemaakte reclasseringsrapport van 27 mei 2026. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

Gezien de ontkennende houding van betrokkene is het niet mogelijk om een analyse te maken van de risico’s of verbanden te leggen tussen de leefgebieden en de tenlastelegging.

Betrokkene is eerder veroordeeld voor zedendelicten; aanranding van de eerbaarheid in 2002 en plegen van ontuchtige handelingen in 2004. Omdat dit echter ruim twintig jaar geleden is, kunnen we niet spreken van een actueel delictpatroon. Wel is het opvallend dat betrokkene, buiten deze eerdere veroordeling, vaker als verdachte is aangemerkt met betrekking tot een zedenmisdrijf, al is ook dit meer dan twintig jaar geleden. Uit het gesprek met betrokkene komt naar voren dat hij geen antwoord heeft op de vraag hoe het komt dat hij bij herhaling als verdachte van een zedenmisdrijf wordt aangemerkt. Betrokkene staat ervoor open dit te onderzoeken. Uit de risicotaxatie instrumenten komt, in het geval van een veroordeling, een laag recidiverisico naar voren. Echter zien we ook dat betrokkene met name scoort op de dynamische (veranderbare) risicofactoren en niet op de statische (onveranderbare) factoren. Om deze reden, achten wij een behandeling, in het geval van een veroordeling, geïndiceerd.

Bij een veroordeling adviseren wij een (deels) voorwaardelijke straf met de onderstaande bijzondere voorwaarden.

• Meldplicht bij reclassering.

• Ambulante behandeling (gericht op seksueel grensoverschrijdend gedrag en/of andere problematiek).

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Het oriëntatiepunt voor een verkrachting met een beperkte mate van dwang was in 2022, toen nog de oude wetsbepaling gold en het strafklimaat milder was dan heden, een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. De rechtbank zal daarom een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

De rechtbank zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte, te weten voor de duur van 6 maanden, voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf zullen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden gekoppeld, te weten een meldplicht en een ambulante behandeling gericht op seksueel grensoverschrijdend gedrag en/of andere problematiek.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 242 (oud) Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

verkrachting

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

Een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

En stelt als bijzondere voorwaarden:
<nr>1</nr>Meldplicht bij reclassering
Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt veroordeelde zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Polluxstraat 114 te Eindhoven, telefoonnummer 088-8041504.
<nr>2</nr>Ambulante behandeling
Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door forensische polikliniek De Omslag van GGZ Eindhoven of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zo snel mogelijk. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op seksueel grensoverschrijdend gedrag en/of andere problematiek.

Geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Hierbij gelden als voorwaarden dat de veroordeelde:

- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;

- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H.P.G. Wielders, voorzitter,

mr. A. Maas en mr. M.W.M. Bankers, leden,

in tegenwoordigheid van mr. H. Wildeman, griffier,

en is uitgesproken op 07 juli 2026.

Artikel delen