Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBOBR:2026:4793

“Vrijspraak van (feit 1 primair) het opzettelijk onttrekken van een minderjarige aan het ouderlijk gezag; bij verdachte bestond geen wetenschap van en geen beslissende invloed op de scheiding tussen de minderjarige en haar ouders. Vrijspraak van (feit 1 subsidiair en feit 2) het opzettelijk verbergen of aan de nasporing van de ambtenaren van justitie of politie onttrekken van een minderjarige ...

Rechtbank Oost-Brabant 8 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBOBR:2026:4793 text/xml public 2026-07-08T14:50:48 2026-07-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Oost-Brabant 2026-07-08 01-243457-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL 's-Hertogenbosch Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4793 text/html public 2026-07-08T14:50:24 2026-07-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOBR:2026:4793 Rechtbank Oost-Brabant , 08-07-2026 / 01-243457-25
“Vrijspraak van (feit 1 primair) het opzettelijk onttrekken van een minderjarige aan het ouderlijk gezag; bij verdachte bestond geen wetenschap van en geen beslissende invloed op de scheiding tussen de minderjarige en haar ouders.

Vrijspraak van (feit 1 subsidiair en feit 2) het opzettelijk verbergen of aan de nasporing van de ambtenaren van justitie of politie onttrekken van een minderjarige bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.

Vrijspraak van (feit 3 primair) verkrachting nu het aspect “dwang” niet door voldoende bewijsmiddelen wordt ondersteund en verdachte dit stellig ontkent.

Plegen van ontuchtige handelingen met een meisje van 15 jaar (feit 3 subsidiair, art. 245 Sr oud), meermalen gepleegd, wettig en overtuigend bewezen. De seksuele handelingen tussen verdachte (22,5 jaar) en het slachtoffer voldoen niet aan de sociaal-ethische norm. Slachtoffer is zwanger geraakt en heeft abortus laten plegen.

Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met aftrek van het voorarrest en de bijzondere voorwaarden als door de reclassering geadviseerd, waaronder een contactverbod met het slachtoffer.

Vordering van benadeelde partij (feit 3 subsidiair) wordt toegewezen tot een bedrag van € 15.000,= met wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel.

Benadeelde partij (feit 1) niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering gelet op vrijspraak van het tenlastegelegde.”

vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.243457.25

Datum uitspraak: 08 juli 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [2001] ,

thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 december 2025, 11 maart 2026, 01 juni 2026 en 24 juni 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 19 november 2025.

Na wijziging van de tenlastelegging op 11 maart 2026 is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1 hij in of omstreeks de periode van 4 september 2025 tot en met 5 september 2025 te Uden, gemeente Maashorst en/of te Eindhoven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een minderjarige, te weten [slachtoffer 1] , geboren op [2012] , heeft onttrokken aan het wettig over haar gesteld gezag en/of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over haar uitoefende; ( art 279 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 4 september 2025 tot en met 5 september 2025 te Uden, gemeente Maashorst en/of te Eindhoven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk, een minderjarige, te weten [slachtoffer 1] , geboren op [2012] , die onttrokken was of zich onttrokken had aan het wettig over haar gesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over haar uitoefende, heeft verborgen en/of aan de nasporing van de ambtenaren van de justitie of politie heeft onttrokken; ( art 280 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

2 hij op of omstreeks 15 september 2025 te Uden, gemeente Maashorst, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk, een minderjarige, te weten [slachtoffer 2] , geboren op [2010] , die onttrokken was of zich onttrokken had aan het wettig over haar gesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over haar uitoefende, heeft verborgen en/of aan de nasporing van de ambtenaren van de justitie of politie heeft onttrokken; ( art 280 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

3 hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2024 tot en met 30 juni 2024 te Uden, gemeente Maashorst, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten - door [slachtoffer 3] mee te nemen naar en/of in zijn woning en/of - door het grote leeftijdsverschil en/of het fysieke en/of mentale overwicht dat hij op die [slachtoffer 3] had en/of - door op dwingende toon tegen die [slachtoffer 3] te praten en/of - door voorbij te gaan aan tekenen van verzet van die [slachtoffer 3] en/of - door die [slachtoffer 3] dreigend voor te houden dat als zij geen seks (meer) met hem, verdachte, zou hebben, hij, verdachte, haar familie, zou laten weten dat hij, verdachte, en die [slachtoffer 3] (eerder) seks hadden gehad en/of - door die [slachtoffer 3] dreigend voor te houden dat als zij (tegen hem, verdachte) aangifte zou doen, hij verdachte, haar broer, althans haar familie, met een mes zou steken, althans iets zou aandoen, die [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3] , te weten - het in de mond van die [slachtoffer 3] duwen/brengen van zijn, verdachtes, penis en/of - het in de vagina van die [slachtoffer 3] duwen/brengen van zijn, verdachtes, vingers en/of penis; ( art 242 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2024 tot en met 30 juni 2024 te Uden, gemeente Maashorst, althans in Nederland, met [slachtoffer 3] , geboren op [2009] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, (telkens) buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3] , te weten - het in de mond van die [slachtoffer 3] duwen/brengen van zijn, verdachtes, penis en/of - het in de vagina van die [slachtoffer 3] duwen/brengen van zijn, verdachtes, penis en/of vingers; ( art 245 Wetboek van Strafrecht )
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De bewijsvraag.
Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht feit 3 primair niet wettig en overtuigend bewezen en heeft daarvoor vrijspraak gevorderd. De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten 1 primair, 2 en 3 subsidiair.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnota – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 1 primair omdat niet is gebleken dat hij het minderjarige meisje ( [slachtoffer 1] ) met opzet heeft onttrokken aan het wettig over haar gestelde gezag. Evenmin is te bewijzen dat zijn handelen daarop van beslissende invloed is geweest.

Het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde kan niet bewezen worden omdat er onvoldoende bewijs is om vast te stellen waaruit het verbergen dan wel onttrekken van het minderjarige meisje heeft bestaan en welke rol verdachte hierin heeft gespeeld. Verdachte dient daarom ook van dit tenlastegelegde feit te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat verdachte enige wetenschap had dat het minderjarige meisje ( [slachtoffer 2] ) was weggelopen en zich had onttrokken aan het wettig over haar gestelde gezag. Evenmin is te bewijzen dat verdachte haar bewust verborgen heeft gehouden voor haar ouders of voor politie en justitie. Daarom dient verdachte van dit feit te worden vrijgesproken. Mocht de rechtbank het proces-verbaal van bevindingen (p. 115-116 van het dossier) willen betrekken om tot een bewezenverklaring te komen, dan wordt door de verdediging in dat geval (en dus voorwaardelijk) bezwaar gemaakt tegen de inhoud van dit proces-verbaal en met name de stelling dat het hier om een verklaring van het vermeende slachtoffer zou gaan. De verdediging wenst in dat geval dat het onderzoek heropend wordt en dat van de door de officier van justitie ter zitting overhandigde en aan het dossier toegevoegde dvd met geluidsopnamen een transcriptie wordt opgemaakt.

De raadsman kan zich vinden in de door de officier van justitie wat betreft feit 3 primair gevorderde vrijspraak. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verklaringen van [slachtoffer 3] te wisselend en daardoor ongeloofwaardig zijn. [slachtoffer 3] is voorts de enige getuige ten aanzien van dit feit. Voldoende steunbewijs voor een bewezenverklaring ontbreekt en daarom dient verdachte van feit 3 primair te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van een bewezenverklaring van feit 3 subsidiair merkt de raadsman op dat verdachte en [slachtoffer 3] destijds een liefdesrelatie hadden en dat sprake was van een relatief gering leeftijdsgeschil. Daarom was geen sprake van ontuchtig handelen en moet verdachte ook van dit feit worden vrijgesproken.

Het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van feit 1 primair

Uit het verhandelde ter terechtzitting en de stukken in het procesdossier volgt dat de dertienjarige [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) onder het wettig gezag stond van haar ouders. Zij heeft naar eigen zeggen in de avond van 4 september 2025 de laatste trein van Den Bosch naar haar woonplaats Oss gemist en is samen met anderen, waaronder verdachte, naar de woning van verdachte in Uden gegaan. Van verdachte mocht zij in zijn woning verblijven. Op 5 september 2025 is [slachtoffer 1] , nadat haar vader te weten was gekomen waar zij verbleef, door de politie uit de woning van verdachte gehaald en naar haar ouders teruggebracht.

Het kan voorkomen dat een minderjarige zelf (actief) bijdraagt aan de onttrekking van het wettig over hem of haar gesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem of haar uitoefent. Bijvoorbeeld door van huis of uit een instelling weg te lopen en daarna bij een ander te verblijven. Dat een minderjarige zelf hiertoe het initiatief heeft genomen staat aan een veroordeling van die ander voor strafbare onttrekking niet zonder meer in de weg.

Voor een strafbaar onttrekken is volgens vaste rechtspraak in dat geval wel vereist dat komt vast te staan dat de verdachte een beslissende invloed heeft gehad op de scheiding tussen de minderjarige en degene die het gezag of opzicht uitoefent, in dit geval de ouders van [slachtoffer 1] .

Verdachte heeft steeds ontkend dat hij [slachtoffer 1] opzettelijk onttrokken heeft aan het wettig over haar gestelde gezag. De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende bewijs is dat verdachte wetenschap had dat [slachtoffer 1] zich onttrokken had aan het over haar gestelde wettig gezag.

De door de officier van justitie gestelde omstandigheden dat door verdachte invloed is uitgeoefend op [slachtoffer 1] om haar mee naar zijn woning te krijgen en dat verdachte wist dat [slachtoffer 1] pas 14 jaar oud was, vinden naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende steun in het dossier. Ook de door de officier van justitie genoemde omstandigheid dat [slachtoffer 1] van een Syrische jongen haar telefoon op vliegtuigstand moest zetten maakt dit niet anders. Er is geen bewijs dat dit een opdracht van verdachte was, of dat verdachte hier zelf van af wist.

Hoewel er vraagtekens geplaatst kunnen worden bij de situatie in het huis van verdachte (waar het een komen en gaan leek van (al dan niet) minderjarige personen, is over verdachtes handelen niet meer komen vast te staan dan dat hij [slachtoffer 1] heeft toegestaan in zijn woning te verblijven, nadat zij de laatste trein naar huis had gemist. Het enkele feit dat iemand een minderjarige, die bij hem op bezoek is gekomen, gedurende enige tijd onderdak verleent, is nog niet voldoende om te kunnen spreken van een ‘opzettelijke onttrekking van een minderjarige aan het ouderlijke gezag’.

Dat verdachte door zo te handelen wetenschap had van en een beslissende invloed heeft gehad op de scheiding tussen de minderjarige [slachtoffer 1] en haar ouders als degenen die het wettelijk gezag over haar uitoefenen is niet komen vast te staan. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van feit 1 primair.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair

Het voorgaande werkt ook door bij de beoordeling van het subsidiair ten laste gelegde feit.

De enige handeling van verdachte in dit verband waarvoor wettig en overtuigend bewijs bestaat is dat hij [slachtoffer 1] in zijn woning heeft laten verblijven nadat zij haar laatste trein gemist had. Dat is onvoldoende om van het verbergen of aan de nasporing van de ambtenaren van justitie of politie onttrekken in de betekenis die artikel 280, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht aan dat begrip geeft (Hoge Raad 19 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1775).

De rechtbank zal verdachte daarom ook vrijspreken van feit 1 subsidiair.

Ten aanzien van feit 2

Uit de inhoud van het procesdossier en uit het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank gebleken dat de vijftienjarige [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) onder het wettig gezag stond van haar ouders. Op 15 september 2025 – ten tijde waarvan zij woonachtig was in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp – heeft zij met toestemming van verdachte in zijn woning verbleven.

In de vroege ochtend van 15 september 2025 heeft de politie de woning van verdachte doorzocht omdat er sterke aanwijzingen waren dat [slachtoffer 1] , die als vermist was opgegeven nadat zij niet thuis gekomen was, daar verbleef. Verdachte en andere aanwezigen zijn in de woning door de politie gehoord. [slachtoffer 2] was, zo bleek later, op dat moment eveneens in de woning aanwezig, maar gaf bij de controle aan de politie een valse naam op en toonde daarbij een vals/vervalst ID-bewijs. Vlak voor de tweede doorzoeking van de woning is [slachtoffer 2] de woning ontvlucht toen zij de politie aan zag komen.

Uit het dossier volgt niet dat verdachte wist dat [slachtoffer 2] zich onttrokken had over het over haar gestelde gezag of opzicht. Sterker nog, uit de verklaring van [slachtoffer 2] zelf bij de rechter-commissaris is het tegendeel af te leiden. Het was ook [slachtoffer 2] zelf die bij controle door de politie een valse naam en vals of vervalst ID-bewijs gaf. Gelet daarop acht de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig dat verdachte [slachtoffer 2] opzettelijk heeft verborgen en/of aan de nasporing van justitie en politie heeft onttrokken.

De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van feit 2.

Voorwaardelijk verzoek

Bij wijze van voorwaardelijk verzoek heeft de verdediging verzocht om een transscriptie van op een dvd geplaatste gesprekken die gevoerd zijn met [slachtoffer 2] . Aangezien de voorwaarde (voor zover de rechtbank niet aanstonds tot vrijspraak komt) niet in vervulling gaat, komt de rechtbank aan behandeling van dat verzoek niet meer toe.

Ten aanzien van feit 3 primair

De rechtbank moet de vraag beantwoorden of er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de verkrachting(en) waarvan verdachte wordt beschuldigd.

In zaken over zedendelicten in de relationele sfeer is er vaak weinig bewijs, vooral als de verdachte het feit ontkent.

Over het algemeen zijn er geen getuigen van de gebeurtenissen, omdat ze zich veelal afspelen in de beslotenheid van een woning, buiten aanwezigheid van derden. De verklaringen van het vermeende slachtoffer nemen dan ook een belangrijke plaats in bij de beoordeling van het bewijs. Het is bij de beoordeling van het bewijs in dergelijke zaken daarom noodzakelijk dat de rechtbank eerst beoordeelt of de verklaringen van het vermeende slachtoffer betrouwbaar zijn.

Daarnaast kan volgens de wet een feit niet worden bewezen op grond van één getuige. Ook niet als de rechtbank deze verklaring betrouwbaar acht. Naast de betrouwbaarheid van de verklaringen van het vermeende slachtoffer is het daarom van belang of er voldoende ander bewijs is dat die verklaring ondersteunt; het zogenaamde steunbewijs. Dat steunbewijs moet van een andere bron afkomstig zijn dan van het vermeende slachtoffer. Volgens de Hoge Raad hoeven niet alle handelingen waarvan verdachte wordt beschuldigd, ondersteund te worden door ander bewijs. De verklaring van het vermeende slachtoffer moet wel op concrete, wezenlijke punten worden ondersteund. Ook mag het steunbewijs niet in een te ver verwijderd verband staan tot wat moet worden bewezen.

Gelet op de verklaringen van verdachte en [slachtoffer 3] staat het niet ter discussie dat er (in ieder geval éénmaal) seksueel contact heeft plaatsgevonden.

Voor een bewezenverklaring van “verkrachting” (zoals bedoeld in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dat gold in de ten laste gelegde pleegperiode) is echter een mate van dwang vereist.

Verdachte ontkent dat sprake was van dwang. Volgens verdachte vond de seks plaats met wederzijdse toestemming en was sprake van een liefdesrelatie.

De rechtbank heeft geconstateerd dat de verklaringen van [slachtoffer 3] over het feit dat er sprake was van seksueel contact in de kern voldoende consistent zijn geweest, maar over het aspect ‘dwang’ kan dat niet gezegd worden. Mede gelet op het feit dat de dwang niet door andere bewijsmiddelen wordt ondersteund en verdachte dit stellig ontkent, acht de rechtbank de ‘dwang’ niet bewezen.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank daarom van oordeel dat verdachte wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem primair onder 3 ten laste is gelegd.

Ten aanzien van feit 3 subsidiair

De vraag waarvoor de rechtbank zich vervolgens gesteld ziet, is of de subsidiair ten laste gelegde ontuchtige handelingen, te weten het seksueel binnendringen bij een persoon die nog geen zestien jaar oud is, bewezen kunnen worden. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

In artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht (oud) is bepaald dat het niet is toegestaan om met iemand tussen de twaalf en zestien jaar ontuchtige handelingen te plegen, die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Onder het begrip ‘ontuchtig handelen’ heeft de wetgever begrepen handelingen van seksuele aard die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm, welke maatstaf ook door de Hoge Raad wordt gehanteerd. Onder omstandigheden kan aan seksuele handelingen met een persoon tussen de twaalf en zestien jaren het ontuchtig karakter ontbreken. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn indien die handelingen vrijwillig plaatsvinden tussen personen die slechts in geringe mate in leeftijd verschillen. Uit het voorgaande vloeit voort dat het – bij de beantwoording van de vraag of sprake is van omstandigheden die meebrengen dat seksuele handelingen niet als ontuchtig kunnen worden aangemerkt – in belangrijke mate aankomt op de weging en waardering van de omstandigheden van het geval. Hiervoor heeft de rechtbank gekeken naar de inhoud van het dossier.

[slachtoffer 3] heeft verklaard dat er meerdere malen seksueel contact is geweest tussen verdachte en haar en dat verdachte zijn penis in haar vagina en mond en zijn vingers in haar vagina heeft gebracht. Zij waren niet gehuwd. Verdachte heeft gesteld dat hij éénmaal seks (penis in vagina) heeft gehad met [slachtoffer 3] .

[slachtoffer 3] heeft verklaard dat er meerdere malen seksueel contact is geweest tussen verdachte en haar en dat verdachte zijn penis in haar vagina en mond en zijn vingers in haar vagina heeft gebracht. Zij waren niet gehuwd.

Verdachte heeft gesteld dat hij éénmaal seks (penis in vagina) heeft gehad met [slachtoffer 3] .

[slachtoffer 3] is zwanger geraakt van verdachte. Haar moeder ontdekte op enig moment dat zij niet meer menstrueerde. [slachtoffer 3] heeft gekozen tot abortus over te gaan, die plaatsvond op 26 september 2024. Zij was toen ongeveer 20 weken zwanger. Dat betekent dat de conceptie dan begin mei 2024 zou moeten hebben plaatsgevonden.

Verdachte wist dat [slachtoffer 3] minderjarig was toen hij seks met haar had. Desgevraagd heeft verdachte ter zitting verklaard dat het klopt dat hij in zijn telefoon de password/keychain-notitie “ [naam] ” had staan en dat hij wist dat “2009” stond voor het geboortejaar van [slachtoffer 3] .

[slachtoffer 3] zou hem, aldus haar verklaring bij de rechter-commissaris, ook gezegd hebben dat zij vijftien jaar was.

De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de verklaring van [slachtoffer 3] betrouwbaar is en in voldoende mate steun vindt in andere, van haar verklaring onafhankelijke, bewijsmiddelen, waaronder de (deels) bekennende verklaring van verdachte en het feit dat zij zwanger is geraakt. De conclusie is dat er sprake is geweest van meermalen seksueel binnendringen door verdachte van het lichaam van een persoon tussen de twaalf en de zestien jaar.

De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden, is of voornoemde seksuele handelingen moeten worden aangemerkt als ontuchtige handelingen in de zin van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht (oud), anders gezegd: of de seksuele handelingen in strijd zijn met de sociaal-ethische norm of dat in dit geval het ontuchtige karakter ontbreekt.

Verdachte was bij aanvang van de tenlastegelegde periode 22,5 jaar oud en [slachtoffer 3] vijftien jaar oud. Anders dan de verdediging heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat een kalenderleeftijdsverschil van zeven en een half jaar oud in die leeftijdscategorie geen gering leeftijdsverschil is. Verdachte en [slachtoffer 3] bevonden zich in totaal andere levensfasen. Zo was verdachte getrouwd en woonde hij op zichzelf, terwijl [slachtoffer 3] schoolgaand was en nog bij haar ouders woonde. Dit maakt dat sprake was van een volkomen ongelijke verhouding tussen hen.

De rechtbank is van oordeel dat de seksuele handelingen tussen verdachte en [slachtoffer 3] in deze omstandigheden niet aan de sociaal-ethische norm voldoen. De seksuele handelingen tussen verdachte en [slachtoffer 3] zijn als ontuchtig aan te merken in de zin van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht (oud).

De rechtbank is van oordeel dat het onder 3 subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Omwille van de leesbaarheid van dit vonnis, wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bijlage bij dit vonnis.

De beslissing dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de in de bewijsbijlage bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

ten aanzien van feit 3 subsidiair

op tijdstippen in de periode van 1 januari 2024 tot en met 30 juni 2024 te Uden, gemeente Maashorst, met [slachtoffer 3] , geboren op [2009] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, telkens buiten echt,

ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3] , te weten

-het in de mond van die [slachtoffer 3] duwen/brengen van zijn, verdachtes, penis en

-het in de vagina van die [slachtoffer 3] duwen/brengen van zijn, verdachtes, penis en vingers.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf en/of maatregel.
De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte voor de feiten 1 primair, 2 en 3 subsidiair te veroordelen tot een gevangenisstraf van 42 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van 3 jaar, met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd in het reclasseringsrapport van 8 juni 2026.

De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om te bepalen dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de goederen die onder verdachte in beslag zijn genomen en nog niet teruggegeven zijn aan hem geretourneerd kunnen worden.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat bij de oplegging van een straf rekening moet worden gehouden met de in de pleitnota genoemde persoonlijke omstandigheden van verdachte. De verdediging heeft verzocht om verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van maximaal tien maanden op te leggen met daarbij een forse voorwaardelijk gevangenisstraf van bijvoorbeeld acht maanden. Verdachte is bereid om zich gedurende een proeftijd van 3 jaren te houden aan de bijzondere voorwaarden zoals opgesteld in het reclasseringsadvies.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met een destijds vijftienjarig meisje. Verdachte wist ook dat zij zo jong was. Vanwege het aanzienlijke leeftijdsverschil tussen hem en het slachtoffer en het feit dat zij zich in andere levensfasen bevonden , had verdachte moeten inzien dat er sprake was van een volkomen ongelijke verhouding. Door zijn handelen heeft verdachte niet alleen de lichamelijke, maar ook de geestelijke integriteit van het slachtoffer geschonden. Het slachtoffer is ongewenst zwanger geraakt en heeft een abortus ondergaan. Dat moet, zeker ook binnen de context van haar familiesituatie, grote indruk op haar hebben gemaakt. Verdachte heeft op geen enkel moment rekening gehouden met de belangen, de gevoelens en het welzijn van het slachtoffer en heeft kennelijk enkel gehandeld ter bevrediging van zijn eigen lustgevoelens.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 26 mei 2026 betreffende verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden.

De rechtbank zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte van negen maanden voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Aan deze (deels) voorwaardelijke straf worden na te noemen bijzondere voorwaarden gekoppeld. De rechtbank acht de geadviseerde proeftijd van 3 jaren noodzakelijk om risicomanagement te kunnen toepassen en om verdachte de tijd te geven om echt aan een gedragsverandering te werken.

Het advies van de reclassering om de bijzondere voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren neemt de rechtbank niet over, nu naar het oordeel van de rechtbank niet is voldaan aan de voorwaarden voor dadelijke uitvoerbaarheid. Het ontbreekt de rechtbank aan argumenten om vast te stellen dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

De rechtbank legt met de genoemde straf een lichtere straf op dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank verdachte zal vrijspreken van de feiten 1 en 2, terwijl de officier van justitie die feiten wel in haar eis betrok. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Voorlopige hechtenis

Bij afzonderlijke beslissing heeft de rechtbank reeds het bevel voorlopige hechtenis opgeheven, vanwege het ontbreken van gronden.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1 primair, subsidiair)
Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de vordering van de benadeelde partij (deels) toewijsbaar, inclusief de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij vanwege de verzochte vrijspraak niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering.

Beoordeling.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte wordt vrijgesproken van het feit waarop de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft. De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van de verdachte als bedoeld in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering. Deze kosten worden begroot op nihil.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] (feit 3 subsidiair).
Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de vordering van de benadeelde partij integraal toewijsbaar, inclusief de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De benadeelde partij dient, aldus de raadsman, vanwege de verzochte vrijspraak niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering.

Subsidiair wordt enige vorm van schade en aantasting in de persoon op andere wijze betwist en ook ontbreekt daarvoor iedere vorm van onderbouwing. Het is te ingewikkeld om de opgelopen psychische schade in deze strafzaak te beoordelen, zodat de benadeelde partij ook om die reden niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering.

Meer subsidiair is gesteld dat niet op de juiste wijze aansluiting is gezocht bij de Rotterdamse schaal. Verwezen wordt naar de uitspraken ECLI:NL:RBOBR:2026:2759 en ECLI:NL:RBOBR:2026:2798 waarin duidelijk andere bedragen zijn toegewezen. Daarom wordt verzocht om matiging van het toe te wijzen bedrag.

Beoordeling.

De benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert een bedrag van 15.000,- euro aan immateriële schade.

De benadeelde partij heeft de vordering gebaseerd op artikel 6:106, sub b, van het BW. Vergoeding van immateriële schade op grond van dit artikel is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn/haar eer of goede naam of 'op andere wijze' in zijn/haar persoon is aangetast.​

Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschending in dit geval mee dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Dit geldt temeer nu uit het dossier en het onderzoek op de zitting bovendien is gebleken dat de destijds vijftienjarige benadeelde partij zwanger is geraakt van verdachte en dat zij deze zwangerschap na ongeveer 4,5 maand middels een abortus heeft afgebroken.

Immateriële schade wordt naar billijkheid begroot met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt.

Verder wordt bij de begroting, zoveel als mogelijk, gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

Naast de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, heeft de rechtbank bij de begroting van de immateriële schade acht geslagen op de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen.

De rechtbank zoekt aansluiting bij categorie C onder 15.2 met bandbreedte 12.500,- euro en 32.000,- euro nu sprake is geweest van ontucht met binnendringen waarbij sprake is geweest van ernstige gevolgen voor de benadeelde, namelijk een afgebroken zwangerschap.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe, vermeerderd met de wettelijk rente vanaf 1 januari 2024, de aanvangsdatum van de tenlastegelegde periode.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2024 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 245 (oud) Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:

- verklaart niet bewezen de onder 1 primair, 1 subsidiair, 2 en 3 primair aan verdachte tenlastegelegde feiten en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart het onder 3 subsidiair ten laste gelegde feit bewezen zoals hiervoor is omschreven;

- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

ten aanzien van feit 3 subsidiair:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd

De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf en maatregel.

T.a.v. feit 3 subsidiair:

 Een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 9 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaren.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

En stelt als bijzondere voorwaarden:

Meldplicht bij reclassering

Dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn.

Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij het Leger des Heils, reclassering op het adres Dr. Cuyperslaan 80 te Eindhoven.

Ambulante behandeling

Dat verdachte zich gedurende de proeftijd laat diagnosticeren en behandelen door een nog nader te bepalen Forensische GGz-instelling of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start na de intake procedure. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op diagnostiek en de daaruit

voortvloeiende problematiek. Gelet op de vastgestelde problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.

Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang

Dat verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een nader te bepalen instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start direct na aanmelding en opname. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.

Verbod verdovende middelen

Dat verdachte gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit geschied middels Urineonderzoek.

De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

Contactverbod

Dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met:

[slachtoffer 3] , geboren op [2009]

Dagbesteding

Verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur, nader te bepalen in overleg met de reclassering. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delict gedrag.

Aflossing schulden

Verdachte werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.

Vermijden contact met minderjarigen

Verdachte zoekt op geen enkele wijze contact met minderjarigen. Hij vermijdt deze contacten zoveel mogelijk.

Geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

T.a.v. feit 1 primair en subsidiair:

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

T.a.v. feit 3 subsidiair:

Een maatregel tot schadevergoeding.

De rechtbank legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 3] , van een bedrag van 15.000,00 euro.

Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 100 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade.

De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 01 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]:

De rechtbank wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 3] , van een bedrag van 15.000,00 euro, bestaande uit immateriële schade.

De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 01 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.A. Mandemakers, voorzitter,

mr. E.L. Traag en mr. I.C. Meuris, leden,

in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Wentholt, griffier,

en is uitgesproken op 08 juli 2026.

Artikel delen