Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBOBR:2026:5057

Vordering van gebruiker om weer toegang te krijgen tot al zijn social media accounts bij Meta afgewezen. Spoedeisend belang ontbreekt en zaak leent zich niet voor beoordeling in kort geding.

Rechtbank Oost-Brabant 19 August 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBOBR:2026:5057 text/xml public 2026-08-19T08:59:31 2026-07-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Oost-Brabant 2026-07-14 12212271_E14072026 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Kort geding NL 's-Hertogenbosch Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:5057 text/html public 2026-08-19T08:58:34 2026-08-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOBR:2026:5057 Rechtbank Oost-Brabant , 14-07-2026 / 12212271_E14072026
Vordering van gebruiker om weer toegang te krijgen tot al zijn social media accounts bij Meta afgewezen. Spoedeisend belang ontbreekt en zaak leent zich niet voor beoordeling in kort geding.

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Zaaknummer: 12212271 CV EXPL 26-2738

Vonnis in kort geding van 14 juli 2026

in de zaak van:

[eiser] ,

wonend in [woonplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

gemachtigde: mr. M. Dorgelo,

tegen

META PLATFORMS IRELAND LIMITED,

gevestigd en kantoorhoudend in Dublin (Ierland),

gedaagde partij,

hierna te noemen: Meta,

gemachtigden: mr. M.J. Bosselaar, mr. L.J.G. Knorringa en mr. F.A.R. van den Berg.
<nr>1</nr>Het verloop van de procedure 1.1.
Het dossier bestaat uit deze processtukken:

de dagvaarding in kort geding van 13 mei 2026 van [eiser] met 8 bijlagen,

de conclusie van antwoord van 29 juni 2026 van Meta met 11 bijlagen,

de spreekaantekeningen van de gemachtigden van Meta.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft op 30 juni 2026 plaatsgevonden. Toen heeft de kantonrechter, in deze zaak optredend als voorzieningenrechter, de zaak met de aanwezigen besproken. [eiser] was met zijn gemachtigde aanwezig. Meta werd tijdens de mondelinge behandeling vertegenwoordigd door al haar hierboven genoemde gemachtigden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat is besproken. Aan het eind van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter bepaald dat op 14 juli 2026 schriftelijk uitspraak wordt gedaan. In de tussentijd hebben partijen (op hun verzoek) de gelegenheid gehad om in onderling overleg alsnog een oplossing te bereiken. In de e-mail van 7 juli 2026 hebben de gemachtigden laten weten dat dit niet is gelukt.
<nr>2</nr>De kern van deze zaak 2.1.
Meta beheert meerdere social media platforms. Om gebruik te kunnen maken van de diensten op deze platforms, moet de gebruiker bij de registratie van een account op een platform eerst instemmen met de geldende voorwaarden en beleidsregels van Meta. Onder deze voorwaarden en regels vallen de Richtlijnen voor de Community van Meta, waarvan deel uitmaakt het Beleid seksuele uitbuiting, seksueel misbruik en naaktbeelden van kinderen (het zogeheten CSEAN-beleid). Voor een specifiek platform, zoals Instagram, moet daarnaast door de gebruiker worden ingestemd met de gebruiksvoorwaarden van dat platform. [eiser] heeft verschillende social media accounts bij Meta afgesloten. Het gaat om Instagram, Facebook, Messenger en Threads. Op 9 juni 2025 heeft Meta het Instagram account van [eiser] uitgeschakeld (“geschorst”), omdat zijn account of activiteiten op dit account volgens Meta in strijd is/zijn met het hiervoor genoemde CSEAN-beleid. Meta heeft [eiser] tot 6 december 2025 de mogelijkheid gegeven om bezwaar te maken tegen de schorsing. Na deze periode is het account definitief uitgeschakeld. In aansluiting op de uitschakeling van het Instagram account, heeft Meta ook direct de andere accounts van [eiser] uitgeschakeld (Facebook, Messenger en Threads).
2.2.
[eiser] is dit kort geding gestart, omdat hij vindt dat Meta hem onterecht van zijn Instagram account (en andere accounts van Meta) heeft verbannen. Hij heeft nooit kinderpornografisch materiaal in zijn bezit gehad, laat staan gepubliceerd op zijn account(s). [eiser] heeft actie ondernomen om de uitschakeling van zijn Instagram account op te heffen, maar daar is Meta ten onrechte niet toe overgegaan. Hij vindt de hele gang van zaken niet alleen onzorgvuldig, maar ook onrechtmatig en bovendien is Meta tekortgeschoten richting hem. Door de uitschakeling van zijn accounts wordt [eiser] benadeeld, vooral omdat hij zijn sociale contacten kwijt is. Hij kampt al lange tijd met psychische/depressieve klachten, en die klachten worden versterkt door de eenzaamheid die is ontstaan door het wegvallen van zijn sociale omgeving wat een gevolg is van het handelen van Meta. Deze verergering van zijn mentale klachten leidt tot oplopende behandelkosten van zijn psycholoog. Gelet op dit alles vordert [eiser] - samengevat - dat Meta wordt veroordeeld: 1) om hem weer toegang te geven tot al zijn social media accounts op verbeurte van een dwangsom, 2) tot het betalen van een voorschot van € 1.263,50 aan geleden schade, en 3) tot betaling van de proceskosten.
2.3.
Meta ziet dat anders. [eiser] heeft ingestemd met de toepasselijke voorwaarden en beleidsregels van Meta. Die voorwaarden hebben onder meer tot doel om seksuele uitbuiting, misbruik en andere vormen van gevaar voor kinderen te voorkomen. Dat doel is gerechtvaardigd, en gelet op het enorme bereik van Instagram zijn de voorwaarden en bijbehorende maatregelen noodzakelijk. Meta heeft geconstateerd dat [eiser] in strijd heeft gehandeld met de voorwaarden. Zij heeft dan ook terecht het Instagram account uitgeschakeld en overeenkomstig de toepasselijke voorwaarden en beleidsregels ook de overige accounts uitgeschakeld om te voorkomen dat het strijdig handelen zich zou kunnen verplaatsen naar een van de andere accounts. Bovendien ontbreekt het spoedeisend belang van [eiser] , mede gelet op het tijdsverloop en het gebrek aan onderbouwing.
2.4.
De kantonrechter is van oordeel dat de vorderingen van [eiser] in dit kort geding moeten worden afgewezen. Meta hoeft op dit moment dus geen actie te ondernemen om te komen tot herstel van de accounts van [eiser] en/of een bedrag aan hem te betalen. Hierna wordt stapsgewijs uitgelegd waarom dat zo is, maar eerst dient de kantonrechter ambtshalve (dus zonder dat (alle) partijen zich daarover hebben uitgelaten) twee zogeheten voorvragen te beantwoorden. Die vragen gaan over de bevoegdheid van de rechter en het toepasselijk recht. Daarna komt de inhoudelijke beoordeling van de vordering van [eiser] en het verweer van Meta aan bod.
<nr>3</nr>De beoordeling
Voorvragen

Bevoegdheid en toepasselijk recht
3.1.
[eiser] woont in Nederland en Meta is gevestigd in Ierland. Daarom heeft dit kort geding een internationaal karakter en moeten om te beginnen de vragen over de bevoegdheid van de rechter en het toepasselijk recht worden beantwoord.
3.2.
Voorop wordt gesteld dat Meta in deze procedure is verschenen zonder de rechtsmacht van de aan deze rechtbank verbonden kantonrechter te betwisten. Alleen daarom al is de kantonrechter in beginsel bevoegd om van de vordering tegen Meta kennis te nemen. Bovendien geldt het volgende. Uit de dagvaarding en de tijdens de mondelinge behandeling ingenomen stellingen, blijkt dat [eiser] zijn vordering op verschillende grondslagen baseert. Zo grondt hij zijn vordering om weer toegang te krijgen tot zijn accounts onder meer op de stelling dat Meta tekortschiet in de nakoming van de met hem gesloten gebruikersovereenkomst en op de stelling dat Meta die overeenkomst onterecht heeft opgezegd (accounts heeft uitgeschakeld). Uitgaande van die grondslag is de Nederlandse rechter bevoegd, omdat Nederland de plaats is waar de overeenkomst door Meta daadwerkelijk wordt uitgevoerd. Voor zover [eiser] zijn vordering baseert op onrechtmatige daad, ontleent de rechter haar bevoegdheid aan het gegeven dat Nederland het land is waar de gevolgen van de schade toebrengende feiten zich hebben voorgedaan. Omdat [eiser] in [woonplaats] woont en de ingestelde vorderingen geen hogere waarde vertegenwoordigen dan € 25.000,00, is de aan de rechtbank Oost-Brabant verbonden kantonrechter bevoegd om als voorzieningenrechter te oordelen.
3.3.
Verder is het Nederlandse recht van toepassing, omdat Nederland kan worden aangemerkt als het land dat een kennelijk nauwere band heeft met de overeenkomst die samenhangt met de onrechtmatige daad. Ook geldt dat de overeenkomst tussen [eiser] en Meta kan worden gekwalificeerd als een consumentenovereenkomst, en dat daarom de verblijfsplaats van [eiser] het toepasselijk recht bepaald. Partijen hebben al hun vorderingen en verweren ook gebaseerd op bepalingen uit het Nederlandse Burgerlijk Wetboek.
3.4.
De conclusie is dat de kantonrechter de zaak inhoudelijk kan behandelen met toepassing van Nederlands recht.

Inhoudelijke beoordeling

Het karakter en het beoordelingskader van een kort geding
3.5.
Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. Voor toewijzing is op de eerste plaats nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. Op de tweede plaats geldt dat de kantonrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vordering van [eiser] in een bodemprocedure (gewone procedure) een zodanige kans van slagen heeft, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorzieningen gerechtvaardigd is. Met andere woorden: bij de inhoudelijke beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de vorderingen in een gewone procedure worden toegewezen. De kantonrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken die in deze kort geding procedure zijn ingediend en de toelichting die tijdens de mondelinge behandeling daarop is gegeven. Er is in beginsel dus geen plaats voor een uitgebreid onderzoek naar de feiten bijvoorbeeld door het horen van getuigen, het inschakelen van een deskundige, of het overleggen van nadere stukken. Of de gevraagde voorzieningen worden verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.

Voorschot schadevergoeding
3.6.
De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] in ieder geval het vereiste spoedeisend belang niet aannemelijk heeft gemaakt waar het gaat om de vordering tot het betalen van een voorschot op zijn schade (medische kosten, smartengeld, reiskosten en portokosten). Hij heeft namelijk op geen enkele manier aangetoond dat zijn financiële situatie zodanig is dat hij de uitkomst van een bodemprocedure niet kan afwachten, en/of dat hij bijvoorbeeld de facturen van zijn psycholoog (die voor 70% worden vergoed door de ziektekostenverzekeraar) niet (meer) kan betalen. Verder zijn de gestelde schadeposten betwist door Meta. [eiser] heeft zijn schade, zeker bezien in het licht van die betwisting, onvoldoende inzichtelijk gemaakt en niet deugdelijk onderbouwd. Mede in aanmerking genomen dat er voor geldvorderingen in kort geding strenge eisen gelden voor zowel het spoedeisend belang als voor de aannemelijkheid van het bestaan en de omvang van de geldvordering, is de vordering tot betaling van een voorschot op de gestelde schade niet toewijsbaar. Op het punt van de spoedeisendheid wordt de maatstaf namelijk al niet gehaald en ook op het punt van de aannemelijkheid schiet de toelichting te kort en is de onderbouwing volstrekt onder de maat.

Toegang verlenen tot social media accounts
3.7.
Dan de vordering tot het weer verlenen van de toegang tot al zijn social media accounts bij Meta. De kantonrechter is van oordeel dat het benodigde spoedeisend belang ook op dit punt niet voldoende overtuigt. Meta heeft immers op 9 juni 2025 de accounts van [eiser] uitgeschakeld en [eiser] is pas op 13 mei 2026 dit kort geding gestart. [eiser] heeft niet goed kunnen uitleggen waarom, ondanks de tijd die hij heeft laten verstrijken, zijn belang bij beoordeling van zijn vordering nog zo spoedeisend is dat daarop via een versnelde procedure zou moeten worden beslist.
3.8.
Voor zover [eiser] ten aanzien van het spoedeisend belang al het voordeel van de twijfel zou moeten worden gegund, is er nog een andere reden die in de weg staat aan toewijzing van de vordering tot het weer verlenen van de toegang tot zijn accounts. De kantonrechter is namelijk van oordeel dat die vordering zich niet leent voor een beoordeling in kort geding, omdat een beoordeling daarvan nader onderzoek vraagt. De kantonrechter tekent hierbij ter toelichting het volgende aan.
3.9.
Niet in geschil is dat op de overeenkomsten die Meta sluit met individuele gebruikers van door haar aangeboden accounts, gebruiksvoorwaarden en beleidsregels van toepassing zijn verklaard. Evenmin is in geschil dat elke individuele gebruiker in heeft gestemd met deze gebruiksvoorwaarden en beleidsregels. Gebeurt dit niet, dan komt er namelijk geen contractuele relatie tot stand.
3.10.
Meta heeft vooralsnog voldoende aannemelijk gemaakt dat de gebruiksvoorwaarden en beleidsregels waar het in deze zaak om draait (hieronder verder toegespitst op het CSEAN-beleid) een legitiem doel dienen. Dit doel is - kort gezegd - de bescherming van jonge kinderen die zich veilig in een online omgeving moeten kunnen bewegen. Om die veiligheid te kunnen waarborgen, zal Meta haar beleid adequaat moeten kunnen handhaven en dat rechtvaardigt dat Meta misbruik op haar platforms sanctioneert. Dat ze daarbij een steng beleid voert met weinig ruimte voor maatwerk, kan naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter rechtvaardiging vinden in onder meer de omstandigheid dat de platforms van Meta wereldwijd een enorm bereik hebben en er zich zeer veel gebruikers op die platforms bevinden.
3.11.
Ook een streng sanctiebeleid moet echter voldoen aan eisen van proportionaliteit. Een sanctie zal in een redelijke verhouding moeten staan tot het geconstateerde strijdig handelen van een gebruiker van een account. Dit geldt zeker als het gaat om sanctionering van (vermeende) overtredingen van het CSEAN-beleid. In dat beleid zijn namelijk verschillende gradaties te onderkennen in mate van strijdig handelen. Verder heeft Meta in de beleidsregels tot uitdrukking gebracht dat er een zekere mate van beoordelingsruimte is en dus ook mag worden verwacht. In punt 35 van de conclusie van antwoord wordt bijvoorbeeld gesteld dat Meta maatregelen kan treffen als gebruikers zich niet houden aan de geldende richtlijnen en/of beleidsregels. Meta kan dan besluiten de service geheel of gedeeltelijk niet meer te leveren (waaronder valt het beëindigen of uitschakelen van toegang tot Meta producten en de producten van Meta bedrijven). Op de vraag welke criteria Meta bij haar beoordeling hanteert, hebben de gemachtigden van Meta geen bevredigend antwoord kunnen geven.
3.12.
Of de aan [eiser] opgelegde sanctie, bestaande uit het voor onbepaalde tijd uitschakelen van al zijn Meta-accounts, proportioneel is (wat Meta meent) of niet (wat [eiser] meent), kan naar het oordeel van de kantonrechter niet zonder nader onderzoek worden beoordeeld.
3.13.
Naast de omstandigheid dat er onvoldoende inzicht bestaat in de beoordelingscriteria die Meta hanteert bij het opleggen van sancties, is (nog) onvoldoende duidelijk welke content precies aanleiding heeft gegeven tot sanctioneren en in welke omvang die content is aangetroffen op het Instagram account van [eiser] . Uit de stellingen van partijen volgt alleen dat het zou gaan om beelden en filmpjes van (sensueel) bewegende en/of dansende jonge kinderen, vooral meisjes Deze kinderen zouden veelal gekleed zijn in korte rokjes of broekjes en een zogenaamde crop top. Meta stelt zich op het standpunt dat het op het Instagram account van [eiser] aangetroffen beeldmateriaal valt onder de categorie ‘seksualiseren van kinderen’ van het CSEAN-beleid. Of dat zo is, heeft de kantonrechter aan de hand van alleen een beschrijving van het beeldmateriaal niet in voldoende mate kunnen vaststellen. Wel is voldoende aannemelijk geworden dat het door Meta omschreven beeldmateriaal op het Instagram account van [eiser] was opgeslagen. Volgens onderzoek dat Meta stelt te hebben laten uitvoeren, zou het daarbij zijn gegaan om enige honderden afbeeldingen en filmpjes. [eiser] heeft dit tijdens de mondelinge behandeling onvoldoende weersproken. Hij heeft enkel verklaard dat een omvangrijk deel van de content op zijn account moet zijn gezet door zijn twee tienernichtjes. Daarnaast heeft hij erkend dat hij ook zelf afbeeldingen en filmpjes (zoals omschreven) heeft opgeslagen om inspiratie op te doen voor het creëren van Avatars voor de games die hij speelt.
3.14.
Hoewel een omvangrijk deel van de (in de visie van Meta met haar beleid strijdige) content inmiddels definitief is verwijderd en dus (in een bodemprocedure) niet meer kan worden bekeken, heeft Meta tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat er nog wel vergelijkbare content van [eiser] beschikbaar is. Daarnaast heeft Meta verklaard dat deze vergelijkbare content onlangs nogmaals is beoordeeld en door één van haar medewerkers is gekenschetst als “It is defintely sexualizing”. Of die kenschets juist of voldoende begrijpelijk is en of dat beeldmateriaal een sanctie kan rechtvaardigen zoals aan [eiser] is opgelegd, zal moeten worden onderzocht. De mogelijkheden daartoe zijn er.
3.15.
Een ander punt van geschil en aandacht is of Meta voldoende zorgvuldigheid heeft betracht bij het opleggen van de bestreden sanctie. [eiser] heeft gesteld dat hij zonder waarschuwing vooraf is getroffen door afsluiting van al zijn Meta accounts en dat hij gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om daartegen bezwaar te maken. Op dit bezwaar is per ommegaande beslist wat er volgens [eiser] op duidt dat er geen zorgvuldige afweging is gemaakt. Meta heeft aangevoerd dat er bij haar geen bezwaar van [eiser] bekend is. Tijdens de mondelinge behandeling hebben de gemachtigden van Meta verklaard dat zij niet met zekerheid kunnen aangeven hoe de afsluiting van het Instagram account in dit specifieke geval is gegaan. Ook op dit punt is nader onderzoek nodig, omdat de stellingen van partijen niet op elkaar aansluiten en een voldoende inzichtelijke onderbouwing van die stellingen ontbreekt. Bij deze stand van zaken kan dus (ook) niet in voldoende mate worden beoordeeld of Meta (voldoende) zorgvuldig en correct heeft gehandeld bij de sanctieoplegging.
3.16.
Al met al biedt wat partijen tot dit moment naar voren hebben gebracht (ter ondersteuning van de vordering en ter weerspreking daarvan) onvoldoende houvast om een beslissing te kunnen nemen over de vordering in kort geding die ertoe strekt weer toegang te krijgen tot de accounts. Gelet op het feit dat wel voldoende aannemelijk is geworden dat de content die Meta als seksualisering van kinderen heeft aangemerkt op het Instagram account van [eiser] is aangetroffen in een omvang die als verontrustend zou kunnen worden gezien, kan naar het oordeel van de kantonrechter niet worden geoordeeld dat de vordering van [eiser] om weer toegang te krijgen tot zijn accounts, in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat voortlopen daarop gerechtvaardigd is. Er is nader onderzoek nodig om tot een oordeel over toewijsbaarheid te komen en daar leent deze kort gedingprocedure zich niet voor. De vordering tot het weer verkrijgen van toegang tot al zijn social media accounts bij Meta wordt dus afgewezen.

Conclusie
3.17.
De slotsom is dat alle vorderingen van [eiser] , met nevenvorderingen, worden afgewezen.

Proceskosten
3.18.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Meta worden vastgesteld op:

- salaris gemachtigde

€

865,00

- nakosten

€

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

1.009,00
<nr>4</nr>De beslissing
De kantonrechter, rechtdoende in kort geding:
4.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
4.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de kant van Meta vastgesteld op van € 1.009,00, te vermeerderen met de kosten van betekening als het vonnis wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden en is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.

Artikel 26 van de Brussel I Bis-Verordening. De Brussel I bis-Verordening wordt ook wel afgekort genoemd de EEX-Verordening II of de herschikte EEX-Vo. De volledige benaming van deze Verordening luidt: Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PbEU 2012, L 351.

Artikel 7 lid 1 van de Brussel I Bis-Verordening.

Artikel 7 lid 2 van de Brussel I Bis-Verordening.

Artikel 4 lid 3 van de Rome II-Verordening. De volledige benaming van deze verordening luidt: Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen, PbL 199/40.

Artikel 5 van Rome I-Verordening. Deze Verordening is voluit getiteld: Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, PbEU 2008, L 177/6.

Artikel delen