WR 26/006: Wraking. Verzoek afgewezen, omdat niet gebleken is van concrete feiten of omstandigheden waaruit vooringenomenheid van de rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan worden afgeleid
Rechtbank Oost-Brabant 11 August 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:RBOBR:2026:5709
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
11-08-2026
Datum publicatie
11-08-2026
Zaaknummer
WR 26/006
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
ECLI:NL:RBOBR:2026:5709text/xmlpublic2026-08-11T12:04:112026-08-11Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Oost-Brabant2026-03-20WR 26/006UitspraakWrakingNL's-HertogenboschBestuursrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:5709text/htmlpublic2026-08-11T12:01:242026-08-11Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBOBR:2026:5709 Rechtbank Oost-Brabant , 20-03-2026 / WR 26/006 WR 26/006: Wraking. Verzoek afgewezen, omdat niet gebleken is van concrete feiten of omstandigheden waaruit vooringenomenheid van de rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan worden afgeleid
beslissing RECHTBANK Oost-Brabant Wrakingskamer zaaknummer: WR 26/006 Beslissing van 20 maart 2026 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek op grond van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van
[verzoeker] , hierna te noemen: verzoeker, strekkende tot de wraking van mr. M. van den Brink, rechter in deze rechtbank, hierna te noemen: de rechter. De procedure1.1 In de zaak met procedurenummer SHE 25/747 is verzoeker partij. In die zaak gaat het om het maandbedrag dat de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft vastgesteld voor het jaar 2025 voor het aflossen van de studieschuld van verzoeker. Verzoeker is het niet eens met dat maandbedrag. 1.2 Op 20 januari 2026 heeft de zitting (de mondelinge behandeling) van deze zaak plaatsgevonden. Op 22 januari 2026 heeft de wrakingskamer het wrakingsverzoek van verzoeker ontvangen. Het wrakingsverzoek en de reactie van de rechter daarop Het wrakingsverzoek
2. Uit het wrakingsverzoek blijkt dat verzoeker het volgende aan zijn verzoek ten grondslag legt. Verzoeker geeft aan dat is vermeld dat tot tien dagen voor de zitting aanvullende stukken ingediend kunnen worden. Verzoeker begrijpt dan ook niet dat de rechtbank gedaagde in de gelegenheid stelt om aanvullende informatie toe te sturen. Verzoeker denkt dat de rechtbank een deel van de zaak zonder hem hierover te informeren al behandelt via de achterdeurtjes. De tegenpartij stuurt veel te laat, namelijk op 19 februari 2026, een reactie op de brief van de rechtbank. Verzoeker vindt dat deze informatie niet meer meegenomen kan worden. Anders dient al zijn informatie ook meegenomen te worden. Dit alles duidt volgens verzoeker op totale feitelijke en wezenlijke schijn van partijdigheid, niet onafhankelijk zijn en het helpen van gedaagde in zijn betoog. De reactie van de rechter 3.1 Op 10 maart 2026 heeft de rechter gereageerd op het wrakingsverzoek. Zij heeft aangegeven niet te berusten in het wrakingsverzoek. Verder heeft de rechter een toelichting gegeven op de gang van zaken. Met een brief van 13 januari 2026 heeft de rechtbank de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de wederpartij in de zaak van verzoeker) gevraagd om een nadere schriftelijke toelichting op de draagkrachtberekening. Gelet op de zitting op 20 januari 2026 is de minister gevraagd de toelichting zo spoedig mogelijk aan de rechtbank te overleggen. Om de behandeling van de zaak voortvarend te laten verlopen, is ervoor gekozen niet met deze vragen te wachten tot de zitting van 20 januari 2026. Tijdens de zitting is de rechter ervan uitgegaan dat verzoeker op de hoogte was van de gestelde vragen. Verzoeker was, ondanks een uitnodiging, niet op de zitting verschenen. 3.2 Naar aanleiding van het wrakingsverzoek is de rechter nagegaan of verzoeker inderdaad de vraagstelling aan de minister heeft ontvangen. Dit is echter niet meer met zekerheid te achterhalen. De rechter geeft daarom aan dat als verzoeker pas na de zitting op 20 januari 2026 erachter is gekomen dat de rechtbank vragen heeft gesteld aan de minister, desgewenst het onderzoek kan worden heropend en een nieuwe zitting kan worden gepland. 3.3 Verder geeft de rechter aan dat verzoeker geen reactie van de rechtbank heeft ontvangen op zijn brieven, omdat deze brieven zijn opgevat als een aanvulling van de beroepsgronden. Het is niet gebruikelijk dat de rechtbank daar voor de zitting op reageert, tenzij dat met het oog op een voortvarende behandeling gewenst is. Daarvan was geen sprake. De beoordeling4.1 In artikel 8:15 van de Awb is geregeld dat elke rechter die een zaak behandelt, kan worden gewraakt op verzoek van een partij. De grond voor zo’n verzoek is dat er feiten of omstandigheden zijn waardoor de onpartijdigheid van de rechter schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van zo’n verzoek is belangrijk dat wordt vermoed dat een rechter door zijn aanstelling als rechter onpartijdig is. Alleen als er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden geldt dit vermoeden niet. Deze uitzonderlijke omstandigheden moeten dan een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter tegenover een procespartij vooringenomen is. Het kan ook zijn dat een procespartij vrees daarvoor heeft. Die vrees moet wel objectief gerechtvaardigd zijn. Tot slot is ook de schijn van partijdigheid en het vermijden daarvan, belangrijk bij de beoordeling van het wrakingsverzoek. 4.2 Bij de behandeling van een wrakingsverzoek maakt de wrakingskamer gebruik van het wrakingsprotocol van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: het wrakingsprotocol). Hierin zijn de regels voor het indienen en de behandeling van een wrakingsverzoek vastgelegd. In het wrakingsprotocol is onder andere geregeld dat de wrakingskamer het wrakingsverzoek meteen zonder zitting (dat is de mondelinge behandeling van een zaak) ongegrond kan verklaren. Dit is mogelijk als het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond is. Dit is geregeld in artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van het wrakingsprotocol. De wrakingskamer oordeelt dat die situatie zich hier voordoet en overweegt daarbij het volgende. 4.3 Verzoeker vindt de rechter vooringenomen, omdat hij het, samengevat, niet eens is met de gevolgde procesgang van de rechter. Bij de beoordeling hiervan geldt het uitgangspunt dat de rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn. Dit komt door haar aanstelling als rechter. Hierop is een uitzondering mogelijk. Wanneer namelijk door alle omstandigheden van het geval de handelwijze van de rechter niet anders kan worden opgevat als blijk van vooringenomenheid, dan kan die handelwijze wel grond zijn voor wraking. Voorwaarde is dat dit objectief wordt vastgesteld. De rechter heeft een toelichting gegeven op haar handelwijze en de gevolgde procesgang. De wrakingskamer oordeelt dat met deze toelichting niet komt vast te staan dat de (hoge) drempel voor het aannemen van vooringenomenheid is gehaald. 4.4 Gelet op voorgaande overwegingen is de wrakingskamer van oordeel dat er geen grond is voor wraking. Het wrakingsverzoek is daarom kennelijk ongegrond en zal worden afgewezen. De beslissing De wrakingskamer:
- wijst het verzoek tot wraking af. Deze beslissing is gegeven door mr. F. Kooijman, voorzitter, mr. J.A. van Voorthuizen en
mr. M. de Vries, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.A. Schokker-Stadhouders, griffier, en in openbaar uitgesproken op 20 maart 2026. de griffier is buiten staat de voorzitter
deze beslissing mede te ondertekenen Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open (artikel 8:18, zesde lid, van de Awb).