Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBOVE:2026:2605

Beroep ongegrond. De rechtbank is van oordeel dat het CIZ zich op basis van de medische adviezen terecht op het standpunt heeft gesteld dat in de te beoordelen periode een blijvende behoefte aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid bij eiser niet is komen vast te staan. Duidelijk is dat eiser behoefte heeft aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid. De rechtbank concludeert dat de medisch adviseur...

Rechtbank Overijssel 25 May 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBOVE:2026:2605 text/xml public 2026-05-25T18:00:21 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-05-18 AK_26_9 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:2605 text/html public 2026-05-22T12:16:48 2026-05-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:2605 Rechtbank Overijssel , 18-05-2026 / AK_26_9
Beroep ongegrond. De rechtbank is van oordeel dat het CIZ zich op basis van de medische adviezen terecht op het standpunt heeft gesteld dat in de te beoordelen periode een blijvende behoefte aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid bij eiser niet is komen vast te staan. Duidelijk is dat eiser behoefte heeft aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid. De rechtbank concludeert dat de medisch adviseur van het CIZ overtuigend heeft gemotiveerd dat nog niet vast staat dat alle behandelopties zijn uitgeput. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat behandeling er niet toe kan leiden dat hij niet meer aangewezen zal zijn op 24 uur per dag zorg in de nabijheid.
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 26/9
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], eiser (hierna te noemen: [eiser])
(gemachtigde: mr. M.F. Vermaat),

en

de raad van bestuur van de stichting Centrum Indicatiestelling Zorg, verweerder (hierna te noemen: het CIZ)

(gemachtigde: mr. M. Bozdag.)
Samenvatting
1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het CIZ terecht en op goede gronden heeft besloten om aan [eiser] geen Wlz-zorg toe te kennen, omdat de behoefte aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid niet blijvend is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop 2.1.
[eiser] heeft op 24 januari 2025 Wlz-zorg aangevraagd. Met het besluit van

27 maart 2025 heeft het CIZ deze aanvraag afgewezen. Met het bestreden besluit van

2 december 2025 op het bezwaar van [eiser] is het CIZ bij de weigering om aan [eiser] Wlz-zorg toe te kennen gebleven.
2.2.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het CIZ heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 14 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de vader van [eiser], de gemachtigde van [eiser] en de gemachtigde van het CIZ.
Beoordeling door de rechtbank
Standpunten van partijen

Standpunt CIZ

3. Het CIZ stelt zich op het standpunt dat [eiser] geen recht heeft op Wlz-zorg. Volgens het CIZ kan een Wlz-grondslag psychische stoornis worden vastgesteld. Ook is sprake van een noodzaak tot 24 uur per dag zorg in de nabijheid. De blijvendheid van de huidige zorgbehoefte kan echter niet worden vastgesteld. Het is volgens het CIZ voor [eiser] van groot belang dat naast inzet van professionele begeleiding vanuit ontwikkelingsgerichte doelen ook hernieuwde diagnostiek en behandeling plaats gaat vinden vanuit de specialistische geestelijke gezondheidszorg (SGGZ), zodat [eiser] tot een voor hem zo optimaal mogelijk persoonlijk en maatschappelijk functioneren kan gaan komen. De behandeling is nog niet van de grond gekomen. Het CIZ heeft zijn standpunt gebaseerd op medische adviezen.

Standpunt [eiser]
4.1.
stelt zich op het standpunt dat hij in aanmerking komt voor Wlz-zorg. [eiser] is van mening dat het CIZ onvoldoende heeft onderbouwd dat behandeling ertoe zal leiden dat de 24 uur zorg in de nabijheid niet meer nodig is. Het CIZ heeft niet toegelicht welke behandeling tot dat resultaat zal moeten leiden. Het CIZ heeft zich er niet van vergewist wat de daadwerkelijke kansen en mogelijkheden van behandeling zijn. [eiser] wijst er ook op dat behandeling niet van de grond is gekomen, omdat hij dit niet aan kan of vanuit zijn beperkingen niet wil. Daarmee is behandeling niet mogelijk. Het CIZ maakt niet duidelijk waarom [eiser] wel behandeld zal kunnen worden.
4.2.
[eiser] heeft zijn standpunt onderbouwd met een document van 2 januari 2026 van GZ psycholoog drs. M. Groen werkzaam bij Stichting Wagterveld Zorg (hierna: Groen) en [naam 1], vader van [eiser].

Overwegingen van de rechtbank

Toetsingskader
5.1.
Artikel 3.2.1, eerste lid van de Wlz bepaalt dat een verzekerde recht heeft op zorg die op zijn behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden is afgestemd voor zover hij naar aard, inhoud en omvang en uit een oogpunt van doelmatige zorgverlening redelijkerwijs op die zorg is aangewezen omdat hij, vanwege een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking, een psychische stoornis of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, een blijvende behoefte heeft aan:

a. permanent toezicht ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel voor de verzekerde, of

b. 24 uur per dag zorg in de nabijheid, omdat hij zelf niet in staat is om op relevante momenten hulp in te roepen en hij, om ernstig nadeel voor hem zelf te voorkomen,

1°. door fysieke problemen voortdurend begeleiding, verpleging of overname van zelfzorg nodig heeft, of

2°. door zware regieproblemen voortdurend begeleiding of overname van taken nodig heeft.

Artikel 3.2.1, tweede lid, van de Wlz bepaalt dat in het eerste lid wordt verstaan onder:

a. blijvend: van niet voorbijgaande aard;

(…)
5.2.
[eiser] heeft tijdens de zitting verwezen naar het Afwegingskader toegang Wlz van

1 juli 2015 (hierna: het afwegingskader), dat Zorginstituut Nederland (hierna: het zorginstituut) heeft opgesteld. Volgens [eiser] wordt daar ‘blijvend’ uitgelegd als ‘van niet voorbijgaande aard binnen afzienbare tijd’. Maar dat standpunt is onjuist, althans niet volledig. Want in paragraaf 3.3.3 van het afwegingskader staat te lezen, dat de interpretatie van het begrip ‘blijvend’ als ‘van niet voorbijgaande aard binnen afzienbare tijd’ in eerste instantie is opgenomen om tegemoet te komen aan het feit dat experts aangeven dat het - vooral in de GGZ - nooit mogelijk is om te stellen dat iemand blijvend is aangewezen op permanent toezicht of 24 uur zorg in de nabijheid. Er is altijd een mogelijkheid dat de zorgbehoefte van de cliënt zodanig wijzigt dat een vorm van zelfstandig wonen met extramurale begeleiding mogelijk is. Het zorginstituut constateert echter dat de toevoeging eerder verwarring dan verbetering tot gevolg heeft en hanteert daarom verder de wettelijke definitie ‘van niet voorbijgaande aard’. In paragraaf 5.2 concludeert het zorginstituut dat de wettelijke definitie 'van niet voorbijgaande aard' voldoet. De rechtbank ziet in het afwegingskader dan ook geen aanknopingspunten om de term ‘blijvend’ anders uit te leggen dan in artikel 3.2.1, tweede lid aanhef en onder a, van de Wlz is bepaald.

Het geschil
6.1.
De voor de beoordeling van belang zijnde periode in deze zaak loopt van

24 januari 2025 (datum aanvraag) tot en met 2 december 2025 (datum bestreden besluit). Niet in geschil is dat [eiser] in deze periode vanwege een psychische stoornis behoefte had aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid.
6.2.
Tussen partijen is in geschil of deze behoefte aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid blijvend is als bedoeld in artikel 3.2.1, tweede lid, van de Wlz. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in uitspraken overwogen dat de blijvendheid in dat artikel en in paragraaf 2.1.4 van de Beleidsregels indicatiestelling Wlz afhankelijk is van het antwoord op de vraag of een behandeling ertoe kan leiden dat deze zorg niet meer nodig is.
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat het CIZ voldoende heeft gemotiveerd dat de blijvendheid van de huidige zorgbehoefte van [eiser] niet kan worden vastgesteld. De rechtbank licht dit hierna toe. De rechtbank verwijst daarbij naar uitspraken van de CRvB.
6.4.
Het CIZ heeft zijn standpunt gebaseerd op medische adviezen van 26 maart 2025,

10 oktober 2025 en 24 november 2025.

Behandelingen
6.5.
Bij [eiser] is sprake van overmatig gebruik van (hard)drugs en er zijn periodes waarin hij veel alcohol drinkt. Er is sprake van drugsverslaving. Volgens het medische advies van 10 oktober 2025 van [naam 2] (hierna: [naam 2]) is het van groot belang dat ingezet gaat worden op behandeling binnen de verslavingszorg.
6.6.
Bij [eiser] is ook attention deficit hyperactivity disorder (ADHD) vastgesteld. [naam 2] wijst erop dat sinds 2017 geen behandeling binnen de SGGZ heeft plaatsgevonden en dat [eiser] in het verleden methylfenidaat heeft gebruikt in verband met de ADHD. [naam 2] merkt op dat de ADHD heden onbehandeld is, waarbij sprake is van impulsiviteit en onvoldoende nadenken over de gevolgen van handelen. [naam 2] vindt dat hernieuwde beeldvorming van de ADHD-klachten in de huidige levensfase dient plaats te vinden binnen de GGZ. Adequate behandeling van ADHD kan volgens [naam 2] leiden tot verminderen van de ervaren symptomen. De zorgstandaard voor de geestelijke gezondheidszorg beveelt hiertoe naast psychologische behandeling, zoals cognitieve gedragstherapie (CGT), gericht op het leren omgaan met én het verminderen van de symptomen en gevolgen van ADHD, ook medicamenteuze behandeling aan. Aanvullend hierop adviseert deze standaard een gerichte behandeling binnen de verslavingszorg bij ADHD en bijkomende verslavingsproblematiek. Ook bij ADHD en de bijkomende slaapproblemen van [eiser] zijn gerichte maatregelen en interventies volgens [naam 2] mogelijk en beschikbaar.
6.7.
Verder merkt [naam 2] op dat [eiser] te maken heeft met trauma en een angstige persoonlijkheid. Het is volgens [naam 2] van belang hierover diagnostische duidelijkheid te verkrijgen, zodat ook voor eventuele angst-/traumaproblematiek passende behandeling kan worden geboden.

Mogelijkheid behandelingen
6.8.
Hiermee heeft de medisch adviseur toegelicht welke behandelingen [eiser] zouden kunnen helpen. [eiser] stelt echter dat behandeling niet mogelijk is. Zijn situatie is toegelicht in een bericht van 11 februari 2025 van Groen, een psychodiagnostisch onderzoek van juni 2025 van orthopedagoog D. Meijer werkzaam bij Stichting Wagterveld Zorg (hierna Meijer) en Groen, een brief van 29 juli 2025 van Meijer en brieven van

6 en 27 oktober 2025 van Groen. Groen heeft [eiser] gezien om hem te leren kennen en daarop haar visie gebaseerd. Groen is de behandeling met [eiser] gestart, echter bleek volgens haar al vrij snel dat verdere behandeling geen zin heeft, dit bij [eiser] geen tot weinig effect zal hebben en zelfs tot een averechts effect kan leiden.
6.9.
In de documenten staat dat [eiser] zeer beschadigd en kwetsbaar is met bijkomende beperkingen. Hij vraagt heel specifieke kennis en kwaliteiten van het begeleidingsteam. De begeleiding van [eiser] is daardoor zeer intensief. Volgens Meijer en Groen dient in de praktijk stabilisatie plaats te vinden. Voor [eiser] is het belangrijk dat hij dagelijks, in het hier en nu, gaat ervaren dat hij er mag zijn, dat hij ertoe doet. Volgens Groen en Meijer zal [eiser] zijn hele leven afhankelijk blijven van 24 uur (intensieve) begeleiding, ondersteuning en behandeling. Gezien zijn levensgeschiedenis, reeds ingezette behandelingen en de grote afhankelijkheid van begeleiding vinden Groen en Meijer dat therapie en behandeling voor [eiser] niet haalbaar zijn. Inzet op therapie zal volgens hen geen zin hebben. Dit zal geen effect hebben en zal bovendien leiden tot het verhogen van spanning, met alle gevolgen van dien. Bij [eiser] is sprake van psychische bezwaren om behandeling te ondergaan. [eiser] is niet in staat om het geleerde te generaliseren naar de praktijk. Verder zijn in het verleden ingezette behandelingen niet gelukt en is er bij [eiser] een dusdanig gebrek aan vertrouwen dat de kans van slagen zeer klein is.
6.10.
Met het psychodiagnostisch onderzoek is bij [eiser] een ADAPT uitgevoerd. Groen stelt dat de ADAPT inzicht geeft in de adaptieve vaardigheden van een persoon en daarmee een goede voorspelling kan geven in de haalbaarheid van therapie, maar ook de leerbaarheid van een persoon en de vaardigheden die iemand heeft om zich staande te houden in de maatschappij. Groen en Meijer concluderen uit het ADAPT dat [eiser] niet leerbaar is. [eiser] zal misschien nog wel in staat zijn om praktische vaardigheden aan te leren. Hij zal echter, zonder continue hulp en overname van begeleiding, niet zelf in staat zijn ze daadwerkelijk uit te voeren. Vaardigheden geleerd in een bepaalde context (bijvoorbeeld werk en/of therapie) zal hij niet kunnen generaliseren naar een andere context. Zeker bij oplopende emoties en spanning zal [eiser] naar verwachting altijd afhankelijk blijven van intensieve begeleiding en ondersteuning. Daarnaast zal therapie volgens Groen en Meijer leiden tot het verhogen van spanningen, wat direct kan leiden tot een terugval. Bij een terugval zal hij zich onttrekken aan zorg, is er een toename van agressie, depressieve gevoelens en een verhoogd risico op drugsgebruik.
6.11.
Volgens Groen zijn de behandelingen die de richtlijn in het algemeen aangeeft niet passend voor [eiser] en vragen de meeste behandelingen dat iemand in staat is het geleerde te generaliseren naar de praktijk, wat [eiser] niet kan. Daarnaast wijzen Groen en Meijer erop dat [eiser] in 2017 en 2018 is aangemeld voor behandeling, maar dat het hem niet is gelukt om daartoe te komen. Ook noemen zij dat dit gedurende het leven van [eiser] steeds het geval is. Verder wijst Groen erop dat [eiser] wel werk kan zoeken, maar dit niet vol kan houden. Er zijn veel wisselingen. Verder vraagt het überhaupt naar het werk gaan heel veel inspanning en ondersteuning vanuit de omgeving. Groen merkt daarnaast op dat ten opzichte van het verleden wellicht nu sprake is van een andere context. Groen wijst er echter op dat dit niet heeft geleid tot een afname van het probleemgedrag van [eiser] en dat dit niets heeft veranderd aan het vertrouwen dat [eiser] heeft en daarmee de kans op slagen van behandeling. Volgens Groen zal in geen enkel opzicht behandeling effect hebben. Als [eiser] geen behandeling wil, is behandelen onder dwang niet mogelijk. Groen benadrukt dat het ontbreken van medische bezwaren tegen behandeling niet betekent dat behandeling dan haalbaar is en kans van slagen heeft. Omdat geen behandeling mogelijk is, is het naar de mening van Groen niet relevant of deze voorliggend is.
6.12.
[naam 2] ziet echter geen medische contra-indicaties voor zowel

verslavingsbehandeling, ADHD-behandeling als behandeling voor eventuele trauma- en/of angstproblematiek. [naam 2] merkt op dat volgens Groen behandeling wel gestart is maar dat al vrij snel bleek dat verdere behandeling geen zin heeft. [naam 2] wijst erop dat dit niet met inhoudelijke informatie is onderbouwd. De afname van de ADAPT kan volgens [naam 2] niet dienen ter medische onderbouwing van de stelling dat behandeling niet mogelijk is. [naam 2] legt uit dat afname van een ADAPT bedoeld is om adaptieve vaardigheden in kaart te brengen. [naam 2] wijst er op dat de uitkomsten van een

ADAPT-vragenlijst bij de aanwezigheid van actieve psychiatrische problematiek en fors drugsgebruik zeker niet kunnen leiden tot het vaststellen van een zwakbegaafd tot licht verstandelijk beperkt ontwikkelingsniveau bij een totaal IQ (TIQ) van 88-101. Bij [eiser] is sprake van actieve psychiatrische problematiek en fors drugsgebruik. Dit is van grote invloed op adaptieve vaardigheden. De ADAPT vormt volgens [naam 2] dus geen medische onderbouwing voor het wel of niet kunnen inschatten of SGGZ-behandeling haalbaar en succesvol kan zijn. [naam 2] merkt hierbij op dat er in 2017 vanuit de GGZ wél behandeling geïndiceerd en geadviseerd werd. Destijds was er dus geen inschatting vanuit de SGGZ dat therapie niet haalbaar zou zijn. In het aanvullend medisch advies van

24 november 2025 voegt [naam 2] hieraan toe dat het feit dat een in 2017 aangeboden behandeling niet van de grond is gekomen niet betekent dat behandeling niet mogelijk is. Volgens [naam 2] is het voor [eiser] van belang dat hij vanwege zijn psychische problematiek met hulp van begeleiding geleid wordt naar behandeling binnen de SGGZ. [naam 2] noemt dat [eiser] in het verleden gemiddelde (2014 TIQ 101) tot op de bovengrens van beneden gemiddelde (2024 TIQ 88, AVI 94) intelligentiescores heeft behaald. Ook merkt [naam 2] op dat [eiser] middelbaar onderwijs op mavoniveau heeft gevolgd en een rijbewijs heeft behaald. Zowel vanuit de medische informatie, de gestelde diagnose, de behandelvoorgeschiedenis en de levensloop van [eiser] kan volgens [naam 2] medisch gezien onvoldoende verklaard en onderbouwd worden dat sprake is van het ontbreken van leerbaarheid/vermogen tot generaliseren. [naam 2] wijst erop dat [eiser] nog erg jong is en nog een heel leven voor zich heeft. [eiser] is geboren op 29 december 2000. Behandeling en begeleiding vanuit ontwikkelingsgerichte doelen vindt [naam 2] van belang, zodat het functioneren van [eiser] kan verbeteren.
6.13.
Duidelijk is dat [eiser] behoefte heeft aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid. De rechtbank concludeert dat [naam 2] in haar adviezen overtuigend heeft gemotiveerd dat nog niet vast staat dat alle behandelopties zijn uitgeput. [eiser] heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat behandeling er niet toe kan leiden dat hij niet meer aangewezen zal zijn op 24 uur per dag zorg in de nabijheid. De stelling van Groen dat zij een behandeling met [eiser] is gestart, maar dat haar al snel bleek dat verdere behandeling geen zin heeft, acht de rechtbank onvoldoende met medisch objectieve gegevens onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat het CIZ zich op basis van de medische adviezen van [naam 2] terecht op het standpunt heeft gesteld dat in de te beoordelen periode een blijvende behoefte aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid bij [eiser] niet is komen vast te staan.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiser] geen gelijk krijgt. Hij krijgt geen Wlz-zorg. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.A.H. Beenen-Oskam, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Wet langdurige zorg

Zie onder meer CRvB 29 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2251 en CRvB 4 september 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1324.

Zie CRvB 11 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2432, CRvB 10 december 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1824 en 26 maart 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:387.

De AVI is een indexscore voor algemene cognitieve capaciteiten die minder gevoelig is voor de invloed van werkgeheugen en verwerkingssnelheid dan het TIQ, omdat de pure werkgeheugen- en verwerkingssnelheid subtests niet meegenomen worden.

Artikel delen