uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser]
, uit [woonplaats 1],
hierna: [eiser], en het college van burgemeester en wethouders van Wierden,
hierna: het college.
(gemachtigde: [gemachtigde]). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] uit [woonplaats 2]. 1Inleiding1.1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van [eiser] om een veroordeling van het college in de proceskosten. [eiser] heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn verzoek om voorlopige voorziening dat was gericht tegen het besluit van het college van 9 februari 2026. 1.2. De voorzieningenrechter heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om een veroordeling in de proceskosten. Met de brief van 12 mei 2026 heeft het college te kennen gegeven dat het zich verzet tegen een proceskostenveroordeling. 1.3. De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. 2Beoordeling door de voorzieningenrechter2.1. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen. 2.2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb. Deze wetsartikelen zijn op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure. Hieruit volgt dat als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoetgekomen, de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak kan veroordelen in de proceskosten. 2.3. Het college heeft op 9 februari 2026 een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een opslaghal met kantoorruimte op de locatie [adres]. [eiser] heeft hiertegen bezwaar gemaakt en op 23 maart 2026 een verzoek ingediend voor het treffen van een voorlopige voorziening, kort gezegd, om te voorkomen dat bij uitvoering van de vergunning in te weinig parkeerplaatsen zou worden voorzien. Het college heeft op 1 april 2026 een wijzigingsbesluit genomen en daarbij het aantal parkeerplaatsen aangepast. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het college hiermee aan de bezwaren van [eiser] tegemoetgekomen. De voorlopige voorziening was daarom niet ten onrechte ingesteld. 2.4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om proceskosten daarom als kennelijk gegrond toe en veroordeelt het college in de proceskosten van [eiser]. Deze kosten berekent de voorzieningenrechter aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht. [eiser] heeft zich laten bijstaan door zijn gemachtigde. Deze gemachtigde heeft één proceshandeling verricht: het indienen van een verzoekschrift. Deze proceshandeling levert één punt op met een waarde van € 934,-. Dat betekent dat de totale proceskosten die het college moet vergoeden € 934,- bedragen. Ook moet het college het betaalde griffierecht van € 200,- vergoeden. De overige door [eiser] aangevoerde proceskosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. Beslissing De voorzieningenrechter:
- veroordeelt het college tot betaling van € 934,- aan [eiser];
- draagt het college op het door [eiser] betaalde griffierecht van € 200,- aan hem te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Rozeboom, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C. Smitstra, griffier. Uitgesproken in het openbaar op: griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).