Wlz. Weigering indicatie. Uit het deskundigenrapport komt duidelijk naar voren dat sprake is van blijvende behoefte aan 24 uurs zorg in de nabijheid. Beroep gegrond.
Rechtbank Overijssel 4 June 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2026:2818
Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
28-05-2026
Datum publicatie
04-06-2026
Zaaknummer
AK_25_817
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBOVE:2026:2818text/xmlpublic2026-06-04T12:00:132026-05-28Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Overijssel2026-05-28AK_25_817UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLZwolleBestuursrecht; SocialezekerheidsrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:2818text/htmlpublic2026-05-28T12:05:582026-06-04Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBOVE:2026:2818 Rechtbank Overijssel , 28-05-2026 / AK_25_817 Wlz. Weigering indicatie. Uit het deskundigenrapport komt duidelijk naar voren dat sprake is van blijvende behoefte aan 24 uurs zorg in de nabijheid. Beroep gegrond.
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser,
gemachtigde: mr. M.F. Vermaat, en CIZ Utrecht,
gemachtigde: mr. I.C.J.F. van Maris-Kindt. 1Inleiding1.1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de beslissing van het CIZ om zijn aanvraag om zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) af te wijzen. 1.2. Het CIZ heeft eisers aanvraag met het besluit van 29 oktober 2024 (primair besluit) afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar ingesteld. Met het bestreden besluit van 30 januari 2025 op het bezwaar van eiser is het CIZ bij dat besluit gebleven. 1.3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het CIZ heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.4. De rechtbank heeft het beroep op 14 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, orthopedagoog [orthopedagoog], [naam 1], de gemachtigde van het CIZ en medisch adviseur [medisch adviseur 1]. 1.5. Vervolgens heeft de rechtbank, in overleg met partijen, [naam 2], werkzaam bij MediLibra, als deskundige benoemd. De deskundige heeft op 24 februari 2026 zijn rapport uitgebracht. Beide partijen hebben hierop een reactie gegeven. Nadat partijen in de gelegenheid zijn gesteld een nieuwe zitting aan te vragen, en zij hier geen gebruik van hebben gemaakt, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. 2Beoordeling door de rechtbank Standpunten van partijen 2.1. Het CIZ heeft eiser toegang tot de Wlz geweigerd. Als reden heeft het CIZ hiervoor gegeven dat van een blijvende noodzaak voor 24 uur per dag zorg in de nabijheid geen sprake is. Het CIZ heeft verwezen naar het medische advies van haar medisch adviseur [medisch adviseur 2]. Volgens het CIZ is de actuele zorgbehoefte niet goed te beoordelen.
Eiser onttrekt zich aan begeleiding en behandeling met als gevolg dat hij zich daarmee op dit moment maatschappelijk ten gronde dreigt te richten. Daarnaast vraagt het CIZ zich af of er sprake is van dreiging tot ernstige verwaarlozing van de persoonlijke en huishoudelijke verzorging. De tussenkomst van bewindvoerder, mentor en de woonvorm is er op gericht dit risico, voor zover mogelijk, te minimaliseren. Daarnaast meent het CIZ dat de blijvendheid van de zorgbehoefte op dit moment niet kan worden vastgesteld, omdat eiser nog niet is uitbehandeld en er een mogelijkheid is op verbetering in het functioneren van eiser. Eiser is nog jong en was op een eerder moment (beter) toegankelijk voor diagnostiek en hulpverlening. Er is nu geen dwingende reden om aan te nemen dat hij dat in de nabije of verre toekomst niet opnieuw kan zijn. 2.2. Eiser stelt dat de medisch adviseur van het CIZ onvoldoende heeft onderbouwd dat nog geen sprake is van blijvendheid. Als de medisch adviseur verwacht dat behandeling dusdanig succesvol zal kunnen zijn dat er een situatie zal ontstaan dat eiser niet meer op verblijfszorg is aangewezen, dan zal dit aan de hand van een duidelijke en onderbouwde redenering moeten worden gedaan. Daarbij heeft eiser erop gewezen dat de medisch adviseur hem niet heeft onderzocht en geen overleg heeft gehad met behandelaren. De onderbouwing dat eiser nog maar 19 jaar is, is volgens eiser onvoldoende. Eiser heeft ook gewezen op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 16 februari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:283. Nu volgens eiser niet in geschil is dat hij op 24 uur zorg in de nabijheid is aangewezen, en er geen zicht is op een dusdanige verbetering dat dit niet meer het geval zal zijn, dient eiser tot de Wlz te worden toegelaten. 2.3. Het CIZ ziet in het aangevoerde geen aanleiding zijn standpunt te wijzigen. De medisch adviseur beroep drs. [medisch adviseur 1] heeft nadere informatie opgevraagd bij de neuropsycholoog en de orthopedagoog en heeft op 2 juni 2025 een aanvullend medisch advies uitgebracht, waarin onder andere een reactie wordt gegeven op hetgeen in beroep is aangevoerd. 2.4. Eiser heeft een rapportage van een psychodiagnostisch onderzoek van juni 2025 van orthopedagoog [orthopedagoog] en GZ-psycholoog [naam 3] in geding gebracht. 2.5. Het CIZ heeft de rechtbank een aanvullend rapport van 31 juli 2025 van de medisch adviseur toegezonden. De aangeleverde medische informatie geeft de medisch adviseur geen aanleiding tot aanpassing van het eerdere medisch advies. 2.6. Eiser heeft een reactie van 5 augustus 2025 van [naam 3] op het rapport van de medisch adviseur in geding gebracht. Deskundigenonderzoek 2.7. Ter zitting is met partijen afgesproken dat de rechtbank een deskundige zal benoemen. De deskundige heeft daarbij de volgende vragen in zijn rapportage gemotiveerd beantwoord:
1. Is het mogelijk om op basis van de dossierstukken een integrale analyse van de problematiek te maken?
2. Kan op basis van de aanwezige informatie in het dossier de gestelde DSM-5-classificatie d.d. 07-08-2024 vanuit medisch en psychiatrisch perspectief voldoende worden onderbouwd?
3. Kan op basis van de aanwezige informatie in het dossier een matig verstandelijke beperking vanuit medisch en psychiatrisch perspectief voldoende worden onderbouwd?
4. Geeft de aanwezige informatie in het dossier aanleiding tot het overwegen van andere of aanvullende diagnoses?
5. Worden er concrete behandelmogelijkheden gezien?
6. Welke realistisch te formuleren behandeldoelen kunnen worden verbonden aan de
eventueel benoemde behandelmogelijkheden?
7. Welke ontwikkelings- en behandelmogelijkheden, gericht op het vergroten of verbeteren van de zelfredzaamheid, worden voor de toekomst gezien?
8. Worden er (medische) contra-indicaties gezien voor de eventueel benoemde
behandelmogelijkheden?
9. Hoe schat u op basis van de dossierstukken de begeleidingsbehoefte in, en op grond van welke overwegingen?
10. In hoeverre kunnen de benoemde ontwikkelings- en behandelmogelijkheden leiden tot een verbetering in het functioneren en daarmee tot een afname van de begeleidingsbehoefte? 2.8. Samengevat komen de bevindingen van de deskundige op het volgende neer. 2.9. In diens rapportage stelt de deskundige voorop geen diagnose te kunnen stellen zonder betrokkene te hebben gezien, zijn onderzoek beperkt zich daarmee tot een kritische bestudering van de schriftelijke stukken. Op basis van de aanwezige dossierstukken acht de deskundige de diagnose persoonlijkheidsstoornis voldoende onderbouwd, zowel door de levensloop als de huidige symptomen. Voor de diagnose andere gespecificeerde dissociatieve stoornis biedt het dossier daarentegen onvoldoende onderbouwing, ook wanneer de gebruikelijke diagnostische verslaglegging in de klinische praktijk wordt meegewogen. De classificatie matige verstandelijke beperking kan niet worden onderbouwd. Wel voldoet eiser aan de criteria van zwakbegaafdheid. 2.10. Voor wat betreft de begeleidingsbehoefte maakt de deskundige een onderscheid tussen de eigen beleving van eiser, en het maatschappelijk perspectief. De eigen beleefde behoefte van eiser lijkt primair functioneel en gericht op het behouden van autonomie, mogelijk vanuit een basiswantrouwen jegens hulpverleners dat, gezien zijn geschiedenis van herhaalde verplaatsingen en ervaringen met onveilige instellingen, begrijpelijk is. Dit wantrouwen kan worden begrepen als een adaptieve reactie op eerdere negatieve ervaringen, maar staat thans adequate hulpverlening in de weg.
Vanuit maatschappelijk perspectief is er behoefte aan intensieve begeleiding. Het dossier
documenteert volgens de deskundige dat betrokkene zich niet houdt aan een vaste dagstructuur, zijn dag-nachtritme omkeert, zich onttrekt aan geboden ondersteuning, niet in staat is zelfstandig afspraken na te komen en risico loopt op ernstige verwaarlozing. De klinisch neuropsycholoog concludeert dat betrokkene niet in staat wordt geacht zijn leven zelfstandig vorm te geven. In de praktijk van vergelijkbare casussen heeft de deskundige ervaring met één-op-één begeleiding in instellingen zoals Pluryn die tot verbetering in de loop van enkele jaren kan leiden bij kinderen en jongvolwassenen met vergelijkbare problematiek. Een dergelijke intensieve benadering vereist een lange adem’ met veelvuldig en herhaaldelijk contact, zodat betrokkene stapsgewijs kan wennen aan de nabijheid van begeleiders. 2.11. Hoewel er behandeldoelen te stellen zijn, dienen de verwachtingen ten aanzien van de mate van verbetering realistisch te zijn, gegeven de ernst van de vroege traumatisering en de langdurige verstoring van de persoonlijkheidsontwikkeling. Het vergroten van zelfredzaamheid bij deze doelgroep is een langdurig proces dat sterk afhankelijk is van de kwaliteit en continuïteit van de geboden ondersteuning. Het is een bekend fenomeen dat individuen met hechtingsproblematiek en trauma gerelateerde pathologie zich onttrekken aan hulpverlening, hetgeen kan worden begrepen als een uiting van de onderliggende problematiek zelf. Dit betekent niet dat behandeling principieel onmogelijk is, maar wel dat een outreachende, langdurige en geduldige benadering noodzakelijk is. Ten aanzien van de leerbaarheid in het kader van alleen de zwakbegaafdheid stelt de deskundige dat de begeleidingsbehoefte sterk kan wisselen tussen individuen in de volwassenheid. Sommige mensen met zwakbegaafdheid hebben levenslange begeleiding nodig, terwijl anderen volledig zelfstandig kunnen functioneren in het werk, sociaal en praktisch domein. Dit is afhankelijk van de adaptieve vaardigheden en de sociale en beroepsmatige context, waaronder de aanwezigheid van een liefdevol en ondersteunend sociaal netwerk en een duidelijke werkomgeving zonder frequente veranderingen. Standpunten van partijen naar aanleiding van het deskundigenbericht 2.12. Eiser stelt dat de deskundige ondanks bemerkingen ten aanzien van de diagnostiek tot de conclusie komt dat langdurige, intensieve begeleiding kan leiden tot verbetering. En misschien later wel tot een behandeloptie. De grondslagen zwakbegaafdheid en persoonlijkheidspathologie zullen evenwel blijven. De deskundige geeft daarbij duidelijk aan dat een Wlz-indicatie aan de orde is. Er is een grondslag en er is noodzaak tot 24-uurszorg in de nabijheid. Daarnaast zal stabilisatie dan wel ontwikkeling jaren in beslag
nemen waarmee de blijvendheid ook aangetoond is. Onder verwijzing naar rechtspraak van de CRvB stelt eiser dat de Wlz (weliswaar) wordt beschouwd als eindstation, maar dat pas wanneer aannemelijk is dat behandeling leidt tot een situatie dat 24 uur zorg in de nabijheid niet meer nodig is, geen sprake meer is van blijvendheid. Het gaat er volgens eiser om hoe aannemelijk het is dat een behandeling nog effect sorteert. Mocht het toch op enig moment zo zijn dat eiser niet meer op Wlz zorg zou zijn aangewezen, dan biedt de wet de mogelijkheid de indicatie in te trekken. 2.13. Het CIZ stelt zich op het standpunt dat eiser niet voldoet aan de wettelijke toegangscriteria van artikel 3.2.1 van de Wlz. Op grond van artikel 3.2.1 van de Wlz komt slechts diegene in aanmerking voor Wlz-zorg die een blijvende behoefte heeft aan permanent toezicht dan wel 24 uur per dag zorg in de nabijheid. De blijvendheid van de veronderstelde zorgbehoefte is een cumulatief criterium dat bij de beoordeling van toegang tot zorg vanuit de Wlz moet zijn vastgesteld en is geen variabele norm waarvan naar gelang de omstandigheden kan worden afgeweken. Uit de rapportage van de deskundige volgt niet dat sprake is van een feitelijke en medisch onderbouwde blijvende zorgbehoefte die thans kan worden vastgesteld. Integendeel: de deskundige heeft expliciet aangegeven dat de vraag in hoeverre ontwikkelings- en behandelmogelijkheden kunnen leiden tot verbetering, niet specifiek voor eiser kan worden vastgesteld.
Daarnaast wordt door de deskundige opgemerkt dat de begeleidingsbehoefte bij
zwakbegaafdheid in de volwassenheid sterk kan wisselen en dat sommige personen met
zwakbegaafdheid in staat zijn zelfstandig te functioneren afhankelijk van onder meer adaptieve vaardigheden, sociale context en ondersteunende omstandigheden. Daarmee is niet objectief onderbouwd dat verbetering is uitgesloten en dat eiser thans blijvend is aangewezen op permanent toezicht of 24 uurs zorg in de nabijheid zoals bedoeld in artikel 3.2.1 van de Wlz. Het CIZ kan, overeenkomstig het advies van de deskundige, medisch en feitelijk gezien niet vaststellen dat de zorgbehoefte van eiser thans blijvend/levenslang is zoals bedoeld in artikel 3.2.1 van de Wlz.
Het CIZ wijst er, onder verwijzing naar rechtspraak van de CRvB, verder op dat artikel 3.2.4 van de Wlz niet bedoeld is om de toegangscriteria van artikel 3.2.1 van de Wlz te ontwijken. Het oordeel van de rechtbank
Juridische kader 2.14. Artikel 3.2.1, eerste lid, van de Wlz bepaalt dat een verzekerde recht heeft op zorg die op zijn behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden is afgestemd voor zover hij naar aard, inhoud en omvang en uit een oogpunt van doelmatige zorgverlening redelijkerwijs op die zorg is aangewezen omdat hij, vanwege een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking, een psychische stoornis of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, een blijvende behoefte heeft aan:
a. permanent toezicht ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel voor de verzekerde, of
b. 24 uur per dag zorg in de nabijheid, omdat hij zelf niet in staat is om op relevante momenten hulp in te roepen en hij, om ernstig nadeel voor hem zelf te voorkomen, 1˚. door fysieke problemen voortdurend begeleiding, verpleging of overname van zelfzorg nodig heeft, of
2˚. door zware regieproblemen voortdurend begeleiding of overname van taken nodig heeft. 2.15. Artikel 3.2.1, tweede lid, van de Wlz bepaalt dat in het eerste lid wordt verstaan onder:
a. blijvend: van niet voorbijgaande aard;
b. permanent toezicht: onafgebroken toezicht en actieve observatie gedurende het gehele etmaal, waardoor tijdig kan worden ingegrepen;
c. ernstig nadeel voor de verzekerde: een situatie waarin de verzekerde: 1˚. zich maatschappelijk te gronde richt of dreigt te richten;
2˚. zichzelf in ernstige mate verwaarloost of dreigt te verwaarlozen;
3˚. ernstig lichamelijk letsel oploopt of dreigt op te lopen dan wel zichzelf ernstig lichamelijk letsel toebrengt of dreigt toe te brengen;
4˚. ernstig in zijn ontwikkeling wordt geschaad of dreigt te worden geschaad of dat zijn veiligheid ernstig wordt bedreigd, al dan niet doordat hij onder de invloed van een ander raakt;
d. zelfzorg: de uitvoering van algemene dagelijkse levensverrichtingen waaronder de persoonlijke verzorging en hygiëne en, zo nodig, de verpleegkundige zorg;
e. regieproblemen: beperkingen in het vermogen om een adequaat oordeel te vormen over dagelijks voorkomende situaties op het gebied van sociale redzaamheid, probleemgedrag, psychisch functioneren of geheugen en oriëntatie. 2.16. Uit vaste rechtspraak van de CRvB volgt verder dat blijvendheid in de zin van artikel 3.2.1 van de Wlz gekoppeld is aan de vraag of behoefte bestaat aan deze zorg en dat deze hiervan niet los kan worden gezien. Alleen als een behandeling ertoe zou leiden dat deze zorg niet meer nodig is, kan de aanvraag op grond van dit criterium worden afgewezen. Dit betekent dat eerst moet worden onderzocht of eiser behoefte heeft aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid en – als deze behoefte aanwezig is – of er nog behandelingen zijn die eiser kan volgen en of deze behandelingen leiden tot de situatie dat hij niet langer behoefte heeft aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid. 2.17. Als uitgangspunt geldt verder dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering hem overtuigend voorkomt. Het uitgebrachte rapport dient blijk te geven van een zorgvuldig onderzoek en moet inzichtelijk, consistent en concludent zijn. Toegepast op de zaak 2.18. Tussen partijen is niet in geschil dat de situatie van eiser voldoet aan het criterium “somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking, een psychische stoornis of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap”. Deze kan – zo is tussen partijen niet in geschil – in ieder geval worden gevonden in de aanwezige persoonlijkheidsstoornis. Wel is in geschil of eiser een blijvende behoefte heeft aan permanent toezicht dan wel een blijvende behoefte heeft aan 24 uurs zorg in de nabijheid. Daarover overweegt de rechtbank als volgt. 2.19. Het rapport van [naam 2] voldoet aan de hiervoor onder overweging 2.17. genoemde criteria. De deskundige heeft uitgebreid onderzoek gedaan naar de (medische) stukken in het dossier en aan de hand van medische literatuur en medische standaarden uitgebreid gemotiveerd hoe hij tot zijn conclusies is gekomen. Dit betekent dat de rechtbank de bevindingen van deze deskundige tot uitgangspunt zal nemen. 2.20. De deskundige geeft in diens onderzoek gemotiveerd aan dat er vanuit maatschappelijk perspectief behoefte is aan intensieve begeleiding, met veelvuldig en herhaaldelijk contact. Het dossier documenteert volgens de deskundige dat betrokkene zich niet houdt aan een vaste dagstructuur, zijn dag-nachtritme omkeert, zich onttrekt aan geboden ondersteuning, niet in staat is zelfstandig afspraken na te komen en risico loopt op ernstige verwaarlozing. Er is sprake van een intensieve begeleidingsbehoefte. Daarbij schetst de deskundige zijn eigen ervaring met één-op-één begeleiding in instellingen, hetgeen een voortdurende nabijheid van begeleiders veronderstelt.
Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank komen vast te staan dat eiser op dit moment in ieder geval 24 uurs zorg in de nabijheid nodig heeft, omdat hij niet in staat is op relevante momenten hulp in te roepen en hij voortdurend begeleiding en overname van taken nodig heeft vanwege zware regieproblemen (die onder meer dus blijken uit het niet houden aan een vaste dagstructuur, het omkeren van het dag-nachtritme, het onttrekken aan geboden ondersteuning en het niet zelfstandig kunnen nakomen van afspraken, waarbij eiser een behoefte heeft aan intensieve begeleiding, met regelmatig en veelvuldig contact met begeleiders). Naar het oordeel van de rechtbank sluit het beeld dat de deskundige schetst ook naadloos aan bij de interpretatie die het CIZ zelf ten tijde van het bestreden besluit van het criterium van artikel 3.2.1, lid 1, aanhef en onder b, ad 2, van de Wlz hanteerde. Uit de beschrijving van de deskundige blijkt immers dat eiser niet goed in staat is te beoordelen wat hij moet doen of laten in verschillende dagelijkse situaties en is daardoor voortdurende begeleiding noodzakelijk, omdat anders ernstige verwaarlozing dreigt. 2.21. De rechtbank is verder van oordeel dat uit het deskundigenrapport duidelijk naar voren komt dat sprake is van blijvende behoefte aan voornoemde zorg. Uit de rapportage van de deskundige, zoals hiervoor samengevat is weergegeven, kan worden afgeleid dat er weliswaar behandeldoelen te stellen zijn, maar dat onduidelijk is of en zo ja, in hoeverre in te zetten behandelingen daadwerkelijk tot een verbetering in het functioneren en daarmee tot een afname van de begeleidingsbehoefte zal leiden. Aangezien daarover geen duidelijk beeld kan worden gegeven, kan er op dit moment naar het oordeel van de rechtbank niet worden gesteld dat er behandelingen voor eiser openstaan waarvan op dit moment kan worden gezegd dat die leiden tot een situatie dat eiser niet langer behoefte zal hebben aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid. Het beeld daarover is simpelweg te diffuus. Gelet op de hiervoor aangehaalde rechtspraak van de CRvB betekent dit dat blijvendheid van de zorgbehoefte in zoverre moet worden aangenomen. Het CIZ heeft ook geen behandelmogelijkheden aangedragen waarvan voldoende zeker is dat die bij eiser kunnen leiden tot een situatie dat hij niet langer behoefte zal hebben aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid. 3Conclusie en gevolgen3.1. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 en artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Het CIZ heeft verder ruim de gelegenheid gehad, zowel in de primaire fase, als in de bezwaar- en beroepsfase, om te onderbouwen dat er geen behoefte is aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid c.q. dat deze zorgbehoefte niet blijvend is. Het CIZ heeft hier tot dusver echter, gezien ook het deskundigenbericht zoals hiervoor besproken, geen draagkrachtige motivering voor gegeven. Uit het deskundigenbericht kan voldoende worden afgeleid dat op dit moment sprake is van een behoefte aan 24 uur zorg in de nabijheid, omdat eiser zichzelf anders ernstig dreigt te verwaarlozen en het CIZ heeft geen informatie aangedragen waaruit het tegendeel blijkt. Aangezien uit het deskundigenbericht verder kan worden afgeleid dat onduidelijk is of en zo ja, in hoeverre in te zetten behandelingen daadwerkelijk tot een verbetering in het functioneren en daarmee tot een afname van de begeleidingsbehoefte zal leiden en ook het CIZ op geen enkel moment behandelopties heeft aangedragen waarvan voldoende zeker is dat die bij eiser kunnen leiden tot een situatie dat hij niet langer behoefte zal hebben aan 24 uur per dag zorg in de nabijheid, is de rechtbank van oordeel dat inmiddels voldoende is komen vast te staan dat eiser aan de toelatingscriteria van artikel 3.2.1 van de Wlz voldoet. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er op dit gebied voor het CIZ dan ook geen beoordelingsruimte meer. Het CIZ zal eiser dus tot zorgverlening op grond van de Wlz moeten toelaten. 3.2. Het is evenwel op grond van artikel 3.2.3 van de Wlz aan het CIZ om te beoordelen welke grondslag als voorliggend dient te worden aangenomen en te beoordelen welk zorgprofiel hierbij passend is. Om die reden zal de rechtbank niet zelf in de zaak voorzien, maar volstaan met een vernietiging van het bestreden besluit, zodat het CIZ een nieuw besluit op bezwaar kan nemen. Het CIZ is evenwel aan deze uitspraak gebonden en zal eiser in die nieuwe beslissing dus in ieder geval toegang tot de Wlz dienen te verlenen en zal dus ingevolge artikel 3.2.3 van de Wlz een indicatiebesluit dienen af te geven. Haar beslissingsruimte is als gevolg van deze uitspraak beperkt tot de vraag welke grondslag als voorliggend dient te worden aangenomen en welk zorgprofiel hierbij passend is. 3.3. Omdat het beroep gegrond is, moet het CIZ het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het CIZ moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. Daarnaast heeft de gemachtigde een reactie op het deskundigenbericht ingediend. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.335,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het deelnemen aan de zitting en 0,5 punt voor de reactie op het deskundigenrapport). 4Beslissing De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat het CIZ een nieuw besluit op het bezwaar van eiser dient te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt het CIZ tot betaling van € 2.335,- aan proceskosten aan eiser.
- bepaalt dat het CIZ het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Thurlings-Rassa, rechter, in aanwezigheid van W. Veldman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Eiser verwijst daarbij naar CRvB 29 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2251 en 4 september 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1324. Eiser verwijst daarbij naar artikel 3.2.4 van de Wlz. Het CIZ verwijst daarbij naar de uitspraken van de CRvB van 23 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1686, ECLI:NL:CRVB:2021:1687 en ECLI:NL:CRVB:2021:1688. Vgl. o.a. CRvB 29 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2251, r.o. 4.2.1, CRvB 4 september 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1324, r.o. 5.2 en CRvB 26 maart 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:387, r.o. 4.4. Bijvoorbeeld: CRvB 23 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5149, r.o. 4.2 en CRvB 15 april 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:462, r.o. 4.4. Zie Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2025, Stcrt 2024 nr. 38059 p. 9 onder het kopje “Ad b.2”. De beleidsregels zijn te vinden op: https://wetten.overheid.nl/BWBR0050451/2025-01-01/0. Overigens wordt in de huidige beleidsregels eenzelfde interpretatie gehanteerd, zie Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2026, Stcrt 2025, nr. 39446 p. 9, te vinden op: https://wetten.overheid.nl/BWBR0051798/2026-01-01.