Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBOVE:2026:3510

Intrekking Drank- en Horecavergunning en weigering gedoogbeschikking coffeeshop op grond van de Wet bibob. De burgemeester heeft zijn besluitvorming gebaseerd op zowel artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a en onder b (de a- en de b-grond) als artikel 3, zesde lid, van de Wet bibob. De rechtbank oordeelt dat de burgemeester de intrekking niet heeft kunnen baseren op de a-grond wegens schendin...

Rechtbank Overijssel 30 June 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBOVE:2026:3510 text/xml public 2026-06-30T18:00:29 2026-06-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-06-23 ak_25_3472 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3510 text/html public 2026-06-24T11:50:29 2026-06-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:3510 Rechtbank Overijssel , 23-06-2026 / ak_25_3472
Intrekking Drank- en Horecavergunning en weigering gedoogbeschikking coffeeshop op grond van de Wet bibob. De burgemeester heeft zijn besluitvorming gebaseerd op zowel artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a en onder b (de a- en de b-grond) als artikel 3, zesde lid, van de Wet bibob. De rechtbank oordeelt dat de burgemeester de intrekking niet heeft kunnen baseren op de a-grond wegens schending van de vergewisplicht. De burgemeester heeft de intrekking wel kunnen baseren op de b-grond en de grond neergelegd in artikel 3, zesde lid, van de Wet bibob. De intrekking is ook niet onevenredig. Daarmee heeft de burgemeester ook de gedoogbeschikking kunnen weigeren. Het beroep is ongegrond.
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 25/3472
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] ,
hierna: [eiser] ,

(gemachtigden: mr. G.J.S. Pannekoek en mr. S.T. Blom),

en
de burgemeester van Enschede,
hierna: de burgemeester,

(gemachtigden: mr. J.E. van Gilst en mr. E. Deijk).
Samenvatting 1.1.
Deze uitspraak gaat over de intrekking van de Drank- en Horecavergunning die in 2015 aan coffeeshop [bedrijf] is verleend. De uitspraak gaat ook over het weigeren van een gedoogbeschikking voor die coffeeshop. De burgemeester baseert zijn besluiten op de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur en een advies van het Landelijk Bureau Bibob. Hieruit volgt volgens de burgemeester, kort gezegd, dat sprake is van een ernstig gevaar dat de Drank- en Horecavergunning mede wordt gebruikt voor a) het benutten van voordelen die zijn verkregen uit strafbare feiten en b) het plegen van strafbare feiten. Deze strafbare feiten behelzen overtreding van de Opiumwet, witwassen en valsheid in geschrifte. De omstandigheden rondom de valsheid in geschrifte wijzen er voor de burgemeester bovendien op dat die valsheid in geschrifte is gepleegd met het oog op behoud van de Drank- en Horecavergunning. Dat levert voor de burgemeester een derde grond op om de vergunning in te trekken.
1.2.
[eiser] is het niet eens met de intrekking en de weigering. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. [eiser] stelt dat de besluiten in strijd met de onschuldpresumptie zijn genomen. Verder heeft de burgemeester de vergewisplicht geschonden door zich te baseren op het advies van het Landelijk Bureau Bibob zonder nader onderzoek naar door [eiser] aangedragen ontlastende informatie. [eiser] heeft de Opiumwet niet overtreden en er is ook geen sprake van witwassen. Ook heeft [eiser] geen valsheid in geschrifte gepleegd, omdat hij geen opzet daarop had. Tot slot is de intrekking van de Drank- en Horecavergunning niet evenredig.
1.3.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de burgemeester de vergewisplicht heeft geschonden en zonder nadere motivering geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot intrekking van de vergunning zoals neergelegd in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. [eiser] krijgt in zoverre dus gelijk. De burgemeester heeft wel gebruik kunnen maken van de bevoegdheid tot intrekking zoals neergelegd in artikel 3 aanhef en onder b en artikel 3, zesde lid van voornoemde wet. De intrekking van de vergunning blijft daarom wel in stand. De burgemeester heeft daarom ook de gedoogbeschikking kunnen weigeren. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop en achtergrond 2.1.
[eiser] exploiteert coffeeshop [bedrijf] , gevestigd aan de [adres 1] . Op 22 juli 2015 heeft hij hiertoe een vergunning op grond van de Drank- en Horecaverordening (hierna: de vergunning) van de gemeente Enschede gekregen.
2.2
De burgemeester heeft een zogenaamd bibob-onderzoek laten uitvoeren door het Landelijk Bureau Bibob (LBB) naar de vergunning van [bedrijf] . Reden voor dit onderzoek was dat de burgemeester signalen had gekregen dat er mogelijk een ernstig gevaar bestond dat de vergunning (mede) zou worden gebruikt om – kort gezegd – uit strafbare feiten verkregen voordelen te benutten en strafbare feiten te plegen.
2.3.
Naar aanleiding van het advies van het LBB heeft de burgemeester op

16 juni 2025 de vergunning ingetrokken. De burgemeester heeft het LBB-advies ten grondslag gelegd aan zijn besluit tot intrekking en de conclusies van het LBB-advies overgenomen. Daaruit volgt volgens de burgemeester dat – kort gezegd – er een ernstig vermoeden is dat [eiser] de Opiumwet heeft overtreden en daarmee een groot financieel voordeel heeft behaald. Ook bestaat er volgens de burgemeester een ernstig vermoeden dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan (gewoonte)witwassen en aan valsheid in geschrifte. De burgemeester heeft de intrekking van de vergunning vervolgens gebaseerd op drie grondslagen uit de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet bibob), in samenhang met artikel 7, eerste lid, van die wet. In de eerste plaats baseert de burgemeester de intrekking op zowel de zogenaamde ‘a-grond’ als de ‘b-grond’, zoals neergelegd in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a en onder b, van de Wet bibob. De burgemeester stelt dat er ernstig gevaar bestaat dat de vergunning mede wordt gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen op geld waardeerbare voordelen te benutten (de a-grond). Er bestaat volgens de burgemeester ook ernstig gevaar dat de vergunning wordt gebruikt om strafbare feiten te plegen (de b-grond). Daarnaast baseert de burgemeester de intrekking van de vergunning op artikel 3, zesde lid, van de Wet bibob. Er zijn volgens de burgemeester feiten en omstandigheden die redelijkerwijs doen vermoeden dat voor behoud van de vergunning een strafbaar feit is gepleegd.
2.4.
[eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 16 juni 2025. [eiser] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
2.5.
De voorzieningenrechter heeft op 18 juni 2025 een ordemaatregel getroffen die inhield dat het besluit van 16 juni 2025 is geschorst totdat op het verzoek om voorlopige voorziening is beslist.
2.6.
Vervolgens heeft de burgemeester op 20 juni 2025 de door [eiser] aangevraagde gedoogbeschikking, zoals geregeld in de (toen geldende) beleidsregel Damoclesbeleid 2025 (hierna: het Damoclesbeleid) van de gemeente Enschede, geweigerd. Aan deze weigering heeft de burgemeester ten grondslag gelegd dat de vergunning op 16 juni 2025 was ingetrokken.
2.7.
[eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 20 juni 2025. [eiser] heeft de voorzieningenrechter verzocht een ordemaatregel en een voorlopige voorziening te treffen.
2.8.
De voorzieningenrechter heeft de door [eiser] verzochte verzoeken om voorlopige voorzieningen te treffen ten aanzien van de besluiten van 16 juni 2025 en 20 juni 2025 op 30 juni 2025 ter zitting behandeld. Op de zitting heeft de voorzieningenrechter een ordemaatregel getroffen, inhoudende dat de burgemeester moet handelen alsof er wel een gedoogbeschikking is afgegeven, zodat de coffeeshop open blijft tot er is beslist op de verzoeken om voorlopige voorziening.
2.9.
De voorzieningenrechter heeft op 9 juli 2025 uitspraak gedaan en de besluiten van 16 juni 2025 en 20 juni 2025 geschorst tot een week na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Verder heeft de voorzieningenrechter bepaald dat de burgemeester dient te handelen alsof er wel een gedoogbeschikking is afgegeven tot één week na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
2.10.
De burgemeester heeft op 26 november 2025 in één beslissing op de bezwaarschriften gericht tegen zowel het besluit van 16 juni 2025 als 20 juni 2025 beslist (hierna: het bestreden besluit). Met het bestreden besluit heeft de burgemeester de bezwaren van [eiser] ongegrond verklaard en de besluiten in stand gelaten.
2.11.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de rechtbank verzocht een ordemaatregel en een voorlopige voorziening te treffen. De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.12.
De voorzieningenrechter heeft op 2 december 2025 een ordemaatregel getroffen, inhoudende dat de besluiten van 16 juni 2025 en 20 juni 2025 en de beslissing op bezwaar van 26 november 2025 zijn geschorst en dat de burgemeester dient te handelen alsof er wel een gedoogbeschikking is afgegeven totdat op het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen is beslist of het verzoek daartoe wordt ingetrokken.
2.13.
Bij uitspraak van 10 maart 2026 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en de besluiten van 16 juni 2025 en 20 juni 2025 en de beslissing op bezwaar van 26 november 2025 geschorst en bepaald dat de burgemeester dient te handelen alsof er wel een gedoogbeschikking is afgegeven totdat uitspraak is gedaan in beroep of het beroep wordt ingetrokken.
2.14.
[eiser] heeft op 29 april 2026, 30 april 2026, 1 mei 2026 en 4 mei 2026 nadere stukken ingediend.
2.15.
De burgemeester heeft op 1 mei 2026 nadere stukken ingediend.
2.16.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] en zijn gemachtigden en de gemachtigden van de burgemeester.
Beoordeling door de rechtbank
De intrekking van de vergunning

3. De rechtbank behandelt eerst de beroepsgrond die ziet op schending van de onschuldpresumptie. De rechtbank behandelt vervolgens de overige beroepsgronden aan de hand van de wettelijke grondslagen waarop de burgemeester zijn bevoegdheid tot intrekking heeft gebaseerd.

Strijd met onschuldpresumptie?
4.1.
[eiser] stelt dat in de motiveringen die ten grondslag zijn gelegd aan het bestreden besluit wordt gesproken over een ernstig vermoeden dat [eiser] zich schuldig zou hebben gemaakt aan verschillende strafbare feiten. Hiermee wordt vooruitgelopen op de schuld van [eiser] die (nog) niet is vastgesteld in de strafrechtelijke procedure. Dit is in strijd met de onschuldpresumptie.
4.2.
De rechtbank overweegt dat uit vaste jurisprudentie volgt dat van schending van de onschuldpresumptie sprake is als een uiting een oordeel weergeeft omtrent de schuld van iemand die is aangeklaagd ter zake van het plegen van een strafbaar feit voordat de schuld van die persoon in de strafrechtelijke procedure is komen vast te staan. Alleen het uitspreken van een vermoeden dat iemand schuldig is aan het strafbare feit waarvoor hij is aangeklaagd, levert geen schending van de onschuldpresumptie op. Verder heeft het begrip ‘vermoeden’, zoals neergelegd in artikel 3 van de Wet bibob, betrekking op het in relatie staan tot strafbare feiten en niet op die strafbare feiten. Met andere woorden, er moet een vermoeden zijn dat iemand in relatie staat tot strafbare feiten. Die strafbare feiten zelf moeten aannemelijk zijn. Niet is vereist dat iemand voor die strafbare feiten onherroepelijk is veroordeeld. Aannemelijk zijn betekent dat zozeer waarschijnlijk is dat die feiten hebben plaatsgevonden, dat ze daarom als vaststaand behoren te worden aangenomen.
4.3.
De rechtbank stelt vast dat in de besluitvorming en het onderliggende LBB-advies (ernstige) vermoedens worden uitgesproken dat [eiser] bepaalde strafbare feiten heeft begaan. Daarmee is geen sprake van schending van de onschuldpresumptie. De rechtbank volgt [eiser] ook niet zijn stelling dat de aannemelijkheid van de strafbare feiten waarmee [eiser] vermoedelijk in relatie staat, is gebaseerd op een aanhangige strafrechtelijke procedure. Het LBB heeft immers een zelfstandig onderzoek verricht en zich een zelfstandig oordeel gevormd over de ernst van de vermoedens van betrokkenheid van [eiser] bij strafbare feiten en de aannemelijkheid van die strafbare feiten. Daarbij heeft het LBB zich ook gebaseerd op informatie die in een strafrechtelijke procedure kan worden gebruikt, zoals processen-verbaal en passages uit (getuigen)verklaringen. Dat betekent niet dat daarmee de onschuldpresumptie is geschonden. De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft de burgemeester de intrekking kunnen baseren op artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet bibob (de a-grond)?

Toetsingskader

5. De burgemeester heeft de intrekking in de eerste plaats gebaseerd op artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet bibob (a-grond). Op grond van deze bepaling kan de burgemeester een vergunning intrekken als er ernstig gevaar is dat die vergunning mede wordt gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten.

Feiten en omstandigheden die ten grondslag worden gelegd aan de a-grond
6.1.
Uit het LBB-advies volgt volgens de burgemeester allereerst dat het aannemelijk is dat sprake is geweest van handelen in strijd met de Opiumwet en dat er een ernstig vermoeden is dat [eiser] dit strafbare feit heeft gepleegd. De burgemeester baseert zich op de volgende gegevens uit het LBB-advies.
6.2.
Uit politieonderzoek is naar voren gekomen dat in december 2023 in totaal 10,49 kilogram hasj, 63,16 kilogram hennep en 235 joints zijn aangetroffen bij een doorzoeking in de coffeeshop en naastgelegen panden ( [adres 2] en [adres 3] ). Het pand aan de [adres 2] is vermoedelijk een voorraadlocatie van de coffeeshop, zo blijkt uit verklaringen van [eiser] zelf en verklaringen van getuigen, waaronder (oud) werknemers. Er is een ernstig vermoeden dat [eiser] als eigenaar van de coffeeshop gedurende de periode van 18 april 2022 (het begin van de schaduwboekhouding, zie hierna) tot en met 11 december 2023 (de dag van de doorzoeking) de Opiumwet heeft overtreden, omdat de aangetroffen softdrugs lijken toe te behoren aan de coffeeshop en in dat geval daarmee de toegestane handelshoeveelheid is overschreden. Verder is aan de [adres 2] een vermoedelijke schaduwboekhouding aangetroffen over de periode van 18 april 2022 tot en met 29 oktober 2023. Hieruit blijkt volgens de burgemeester dat er vermoedelijk gedurende een langere periode, buiten de werkelijke boekhouding om, extra softdrugs zijn ingekocht en verkocht. Gelet op de vermoedelijke pleegperiode van de overtreding van de Opiumwet in samenhang met de aangeleverde financiële gegevens is het vermoedelijk behaalde voordeel door de burgemeester als zeer groot aangemerkt.

Heeft de burgemeester voldaan aan zijn vergewisplicht?
7.1.
[eiser] stelt dat geen sprake is van ‘ernstig gevaar’. [eiser] betwist dat de aangetroffen softdrugs van hem zijn en dat hij degene is die de Opiumwet heeft overtreden. [eiser] stelt dat hij op dit punt evident ontlastende informatie heeft aangedragen, maar dat die niet is meegewogen door de burgemeester. Hiermee heeft de burgemeester niet voldaan aan de vergewisplicht. [eiser] voert daarvoor hoofdzakelijk het volgende aan. De in het pand aan de [adres 2] aangetroffen softdrugs behoorden toe aan [naam] en maakten geen deel uit van de handelsvoorraad van de coffeeshop. [naam] is een voormalig leverancier van de coffeeshop. Hij huurde het pand aan de [adres 2] , dat in eigendom is van de echtgenote van [eiser] . Hiervan is een huurcontract overgelegd. [naam] heeft ook tijdens een eerdere zitting op 22 juli 2024 bij de rechtbank over de sluiting van de coffeeshop in het bijzijn van de gemachtigde van de burgemeester verklaard dat de aan de [adres 2] aangetroffen softdrugs van hem zijn en dat alleen hij toegang had tot deze softdrugs. De burgemeester had volgens [eiser] nader onderzoek moeten doen naar deze informatie en moeten motiveren waarom het ontlastende bewijs niet wordt gevolgd. De burgemeester heeft dat niet gedaan.
7.2.
Naar aanleiding van de stelling van [eiser] dat de softdrugs niet aan hem, maar aan [naam] toebehoorden, heeft de burgemeester een aanvullende motivering gegeven. Deze motivering komt er in de kern op neer dat de burgemeester het LBB-advies nogmaals tegen het licht heeft gehouden en vervolgens heeft uitgelegd op basis van welke onderdelen van dat advies hij het aannemelijk acht dat de gevonden softdrugs aan [eiser] toebehoorden. De burgemeester stelt verder dat op basis van diezelfde informatie onwaarschijnlijk is dat de aangetroffen softdrugs aan [naam] toebehoorden. Hiermee is aan de vergewisplicht voldaan, aldus de burgemeester. Op de zitting is namens de burgemeester aanvullend toegelicht dat de verklaring van [naam] niet strookt met de bevindingen van het LBB. Uit het LBB-advies volgt genoegzaam dat er een ernstig vermoeden is dat [eiser] eigenaar was van de softdrugs. Dit is waarschijnlijker dan dat de softdrugs toebehoorden aan [naam] .
7.3.
De rechtbank stelt voorop dat uit vaste jurisprudentie volgt dat een bestuursorgaan, gelet op de expertise van het LBB, in beginsel van het LBB-advies mag uitgaan. Dat neemt niet weg dat het bestuursorgaan zich ervan moet vergewissen dat het aan het advies ten grondslag liggende onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze is verricht en dat de feiten de conclusies kunnen dragen. Dat is bijvoorbeeld niet het geval als de feiten voor de conclusies te weinig of te weinig directe aanwijzingen bieden of omdat ze in verschillende richtingen wijzen, onderling tegenstrijdig zijn of niet stroken met hetgeen overigens bekend is.
7.4.
De rechtbank overweegt dat [eiser] zijn stelling dat de softdrugs aan [naam] toebehoorden heeft onderbouwd met stukken. Hij heeft onder andere een huurovereenkomst van het pand aan de [adres 2] en een proces-verbaal van de zitting van 22 juli 2024 overgelegd. De rechtbank stelt allereerst vast dat de door [eiser] ingebrachte informatie niet is betrokken bij het LBB-advies. In de aanvullende motivering heeft de burgemeester weliswaar uitgelegd waarom hij vindt dat, anders dan het door [eiser] geschetste scenario, uit het LBB-advies volgt dat de softdrugs aan [eiser] toebehoorden, maar ook hij gaat daarbij niet daadwerkelijk in op wat door [eiser] daarover is ingebracht. De ingebrachte informatie is niet zelfstandig beoordeeld en gewogen, niet door het LBB en niet door de burgemeester, anders dan dat de burgemeester het scenario dat de softdrugs aan [naam] toebehoorden ongeloofwaardig acht. Verder is van een daadwerkelijke afweging van de burgemeester over het doen van aanvullend onderzoek, bijvoorbeeld door het LBB om nader advies te vragen, niet gebleken. De rechtbank is van oordeel dat uit de vergewisplicht voortvloeit dat de door [eiser] ingebrachte informatie aanleiding had moeten geven tot een zelfstandige beoordeling en weging van die informatie, met (een afweging van) zo nodig aanvullend onderzoek. Nu de burgemeester dit niet heeft gedaan, is de vergewisplicht geschonden.

Conclusie intrekking gebaseerd op de a-grond
8.1.
Omdat de burgemeester de vergewisplicht heeft geschonden, kon hij niet zonder nadere motivering de conclusies van het LBB-advies ten grondslag leggen aan zijn besluit, voor zover die conclusies inhouden dat er een ernstig vermoeden is dat [eiser] in strijd met de Opiumwet heeft gehandeld en daarmee sprake is van ‘ernstig gevaar’ als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet bibob. Aan het bestreden besluit kleeft daarom een motiveringsgebrek. De beroepsgrond slaagt.
8.2.
Omdat deze beroepsgrond slaagt, zal de rechtbank wat [eiser] verder heeft aangevoerd over de vergewisplicht niet verder bespreken.

Heeft de burgemeester de intrekking kunnen baseren op artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bibob (de b-grond)?

Toetsingskader
9.1.
Op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bibob kan de burgemeester de vergunning ook intrekken als ernstig gevaar is dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen (b-grond).
9.2.
Volgens artikel 3, derde lid, van de Wet bibob wordt de mate van het gevaar voor zover hier van belang vastgesteld op basis van feiten en omstandigheden die redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de vergunning is gegeven (het samenhangcriterium). De rechtbank verwijst verder naar wat zij over het begrip ‘vermoeden’ onder het toetsingskader van de a-grond heeft overwogen.

Feiten en omstandigheden die ten grondslag worden gelegd aan de b-grond

10. De burgemeester heeft aan de intrekking op basis van de b-grond ten grondslag gelegd dat uit het LBB-advies feiten en omstandigheden naar voren komen die ernstig doen vermoeden dat [eiser] , naast het overtreden van de Opiumwet, zich in de periode van 18 april 2022 tot en met 28 februari 2024 schuldig heeft gemaakt aan (gewoonte)witwassen. Uit de aangetroffen vermoedelijke schaduwboekhouding komt naar voren dat een groot deel van de contante inkomsten van de drugsverkoop in de coffeeshop niet in de reguliere boekhouding werd genoteerd. Uit de telefoon van [eiser] blijken verschillende geldstromen die kunnen duiden op witwassen. Zo gaat er geld van de bankrekening van de coffeeshop naar de bankrekening van de echtgenote van [eiser] en worden (grote) cashbetalingen gedaan aan onder anderen medewerkers en familie.

Nu er een ernstig vermoeden is dat [eiser] een gronddelict, het overtreden van de Opiumwet, heeft begaan, heeft hij wetenschap gehad van het feit dat de gelden vermoedelijk op een illegale manier zijn verkregen en maken in dat geval deze gelden daarmee deel uit van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Verder zijn er ernstige vermoedens dat [eiser] tweemaal valsheid in geschrifte heeft gepleegd. [eiser] zou tweemaal een bibob-formulier niet volledig hebben ingevuld en gevraagde informatie over justitiecontacten en veroordelingen niet hebben opgegeven.

Is sprake van ernstig gevaar voor witwassen?
11.1.
[eiser] stelt dat in het LBB-advies de overtreding van de Opiumwet als gronddelict van het witwassen wordt gezien. [eiser] heeft de Opiumwet niet overtreden en daarmee is ook geen sprake van een gronddelict. Verder heeft [eiser] geen schaduwboekhouding gevoerd, zijn er geen contante geldstromen buiten de boekhouding gelaten, is niemand met ‘zwart’ geld betaald, zijn er geen grote contante bedragen aan familie gegeven en zijn de overboekingen naar de rekening van de echtgenote van [eiser] legitiem.
11.2.
De rechtbank overweegt dat volgens de conclusie van het LBB-advies het ernstige vermoeden dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen samenhangt met het ernstige vermoeden dat [eiser] de Opiumwet heeft overtreden door een te grote handelsvoorraad aan te houden. De overtreding van de Opiumwet wordt gezien als het gronddelict en dat is namens de burgemeester ook op de zitting bevestigd.
11.3.
Onder 8.1. heeft rechtbank geconcludeerd dat de burgemeester vanwege de schending van de vergewisplicht onvoldoende heeft gemotiveerd dat er een ernstig vermoeden is dat [eiser] de Opiumwet heeft overtreden. Daaruit volgt dat de burgemeester ook niet genoeg heeft gemotiveerd dat sprake is van een ernstig vermoeden dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan (gewoonte)witwassen. De vermoedelijke overtreding van de Opiumwet is immers als gronddelict een voorwaarde voor het aannemen van een ernstig vermoeden van witwassen. De beroepsgrond slaagt.

Tussenconclusie b-grond overtreding Opiumwet en (gewoonte)witwassen

12. De burgemeester heeft het (ernstig gevaar voor het) overtreden van de Opiumwet en (gewoonte)witwassen niet ten grondslag kunnen leggen aan het aanwenden van de bevoegdheid tot intrekking als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bibob.

Is sprake van ernstig gevaar voor valsheid in geschrifte?
13.1.
[eiser] stelt dat de burgemeester ten onrechte ervan uitgaat dat [eiser] opzet had op de valsheid in geschrifte. [eiser] heeft de formulieren per ongeluk verkeerd ingevuld en wist niet goed wat van hem werd gevraagd.
13.2.
De rechtbank leest in het advies dat het LBB concludeert dat er een ernstig vermoeden is dat [eiser] op 24 mei 2022 en op 6 juni 2024 valsheid in geschrifte heeft gepleegd door bij het invullen van bibob-formulieren relevante informatie te verzwijgen. [eiser] heeft op beide formulieren niet opgegeven dat hij in 2020 onherroepelijk is veroordeeld wegens overtredingen van de Woningwet en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Daarnaast heeft [eiser] bij het invullen van het formulier op 6 juni 2024 niet opgegeven dat hij in december 2023 als verdachte van overtreding van de Opiumwet is verhoord door de politie.
13.3.
Uit het LBB-advies volgt dat op beide formulieren uitdrukkelijk is gevraagd naar, voor zover hier van belang, veroordelingen, OM-schikkingen en aanmerking als verdachte in de voorgaande vijf jaren. [eiser] heeft desondanks de genoemde veroordelingen en het verhoor als verdachte van overtreding van de Opiumwet niet opgegeven en de formulieren ondertekend. Dat wordt ook niet door [eiser] betwist. Voor de stelling dat daarbij sprake is geweest van een vergissing is geen enkel aanknopingspunt aangereikt, terwijl dit gelet op de expliciete uitvraag geenszins voor de hand ligt. Dit één en ander kan de conclusie in het LBB-advies en daarmee de conclusie van de burgemeester dragen dat er een ernstig vermoeden is dat [eiser] valsheid in geschrifte heeft gepleegd.
13.4.
Vervolgens is van belang of deze (vermoedens van) strafbare feiten (het meermalen plegen van valsheid in geschrifte) voldoende overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de vergunning wordt aangevraagd dan wel is gegeven (het samenhangcriterium). Uit het LBB-advies volgt dat redengevend is geweest dat de vermoedelijke valsheid in geschrifte op 6 juni 2024 is gepleegd in het kader van de bedrijfsvoering van de coffeeshop. De vergunning kan, naar het oordeel van het LBB, het plegen van valsheid in geschrifte in algemene zin faciliteren. Het LBB ziet valsheid in geschrifte als een vorm van fraude en merkt op dat het uitvoeren van bedrijfsmatige activiteiten het mogelijk maakt om valsheid in geschrifte te plegen. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan het valselijk opmaken of vervalsen van facturen, formulieren en arbeidsovereenkomsten.
13.5.
De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester de conclusie van het LBB dat sprake is van samenhang - en daarmee van ernstig gevaar - ten grondslag heeft kunnen leggen aan zijn besluit. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat de vermoedelijke valsheid in geschrifte heeft plaatsgevonden in het kader van de exploitatie van de coffeeshop.

Tussenconclusie b-grond en valsheid in geschrifte

14. De rechtbank is van oordeel dat met het ernstig vermoeden dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte wordt voldaan aan het vereiste van ernstig gevaar dat de beschikking mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen (artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bibob). De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank gaat onder 16.1. tot en met 16.4. in op de evenredigheidstoets die de burgemeester bij zijn besluitvorming moet uitvoeren.

Heeft de burgemeester de intrekking kunnen baseren op artikel 3, zesde lid, van de Wet bibob?
15.1.
De burgemeester heeft zijn besluit tot intrekking tot slot gebaseerd op artikel 3, zesde lid, van de Wet bibob. Op basis van dat artikel heeft de burgemeester een intrekkingsbevoegdheid als feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging of behoud van de aangevraagde dan wel gegeven beschikking een strafbaar feit is gepleegd.
15.2.
[eiser] stelt dat áls er al een vermoeden van valsheid in geschrifte is, hij geen enkel oogmerk had om de valselijk ingevulde formulieren te gebruiken voor het behoud of verkrijgen van de vergunning. [eiser] heeft op het formulier immers wel vermeld dat hij verdacht werd van witwassen. Als [eiser] voornoemd oogmerk had gehad, dan zou hij ook die informatie hebben verzwegen.
15.3.
De rechtbank overweegt dat de burgemeester aan zijn besluit tot intrekking de hiervoor genoemde omstandigheden rondom het vermoeden van valsheid in geschrifte op 6 juni 2024 ten grondslag heeft gelegd (zie ook 13.2. en 13.4.). De burgemeester heeft verder verwezen naar het LBB-advies, waarin wordt geconcludeerd dat redelijkerwijs kan worden vermoed dat dit strafbare feit is gepleegd ter behoud van de vergunning. Kennis omtrent veroordelingen en een verdenking in een strafzaak kunnen namelijk leiden tot de aanvraag van een bibob-advies en mede daardoor tot het weigeren dan wel intrekken van een vergunning.
15.4.
Zoals onder 13.3. is overwogen is de rechtbank van oordeel dat er feiten en omstandigheden zijn die de conclusie van het LBB-advies kunnen dragen dat er een ernstig vermoeden is dat [eiser] op 6 juni 2024 valsheid in geschrifte heeft gepleegd door na te laten op een bibob-formulier te vermelden dat hij als verdachte over strafbare feiten in het kader van de Opiumwet is gehoord en dat hij is veroordeeld wegens overtredingen van de Woningwet en de Wabo.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van de inhoud van het LBB-advies kan worden geconcludeerd dat is voldaan aan de bevoegdheidseisen die artikel 3, zesde lid, van de Wet bibob stelt. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank gaat hierna in op de evenredigheidstoets die de burgemeester vervolgens moet doen.

Evenredigheid
16.1.
Uit artikel 3, vijfde lid, van de Wet bibob volgt dat de weigering of intrekking van een vergunning mag plaatsvinden als die evenredig is met de mate van het gevaar en, voor zover het om een intrekking op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet bibob gaat, de ernst van de strafbare feiten.

Op grond van artikel 3, zesde lid, van de Wet bibob vindt de intrekking van een vergunning slechts plaats als die tenminste evenredig is met de ernst van de vermoedens en de ernst van het strafbare feit.
16.2.
[eiser] stelt dat het besluit tot intrekking van de vergunning in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De intrekking is geen evenwichtige en geen noodzakelijke maatregel. Vanwege de leeftijd van [eiser] en de lange tijd dat hij de coffeeshop al exploiteert, is [eiser] niet meer in staat om een andere baan te vinden. Ook heeft de intrekking negatieve gevolgen voor het personeel en levert een sluiting (de rechtbank begrijpt: intrekking van de vergunning) van de coffeeshop reputatieschade op. Tot slot exploiteert [eiser] de coffeeshop al veertig jaar en hebben er in al die tijd nauwelijks incidenten plaatsgevonden. Daarom had de burgemeester eerst moeten onderzoeken of kon worden volstaan met minder vergaande maatregelen, zoals een tijdelijke sluiting of het opleggen van vergunningvoorschriften.

Voor zover de valsheid in geschrifte aan de intrekking ten grondslag ligt, voert [eiser] aan dat het niet vermelden van de veroordelingen (in het kader van de Woningwet en de Wabo) op de bibob-formulieren de intrekking van de vergunning niet rechtvaardigt. [eiser] heeft de formulieren per ongeluk verkeerd ingevuld, de genoemde veroordelingen waren al langer bekend bij de burgemeester en hebben in 2022 ook niet tot intrekking geleid, kennelijk omdat die feiten een intrekking niet rechtvaardigen. De veroordelingen hangen ook niet samen met de vergunning. Verder had [eiser] niet het oogmerk om met het onvolledig invullen van de bibob-formulieren de vergunning te behouden of te verkrijgen. Hij heeft immers andere informatie (verdenking van witwassen) wel vermeld. Het ontbreken van dit oogmerk maakt de intrekking onevenredig.
16.3.
De burgemeester heeft bij zijn evenredigheidstoets veel gewicht toegekend aan het ernstige vermoeden van valsheid in geschrifte op 6 juni 2024. De burgemeester heeft gemotiveerd dat met name zwaar weegt dat [eiser] niet heeft vermeld dat hij als verdachte van het overtreden van de Opiumwet is verhoord. Dit is juist informatie waarnaar gevraagd wordt op het bibob-formulier. Daarbij heeft de burgemeester ook belang gehecht aan de aard van de betrokken beschikkingen, namelijk een drank- en horecavergunning en gedoogbeschikking voor een coffeeshop.
16.4.
De rechtbank overweegt dat is gebleken van een ernstig vermoeden dat [eiser] op 6 juni 2024 valsheid in geschrifte heeft gepleegd. Deze valsheid in geschrifte heeft plaatsgevonden in het kader van de exploitatie van de coffeeshop. [eiser] heeft uitdrukkelijk gevraagde informatie over – kort gezegd – zijn justitieel verleden niet ingevuld. De niet ingevulde informatie gaat onder andere over het verhoord zijn als verdachte van strafbare feiten op grond van de Opiumwet die gelieerd zijn aan de coffeeshop. Dit is informatie die in het kader van de Wet bibob én bij vergunningen voor de exploitatie van de coffeeshop bij uitstek van belang is. Coffeeshophouders opereren in een wettelijk gezien grijs gebied, waarbij het belang van transparantie en vertrouwen zeer groot is. De burgemeester moet af kunnen gaan op de juistheid van de informatie die in het kader van de exploitatie van de coffeeshop aan hem wordt verstrekt, al helemaal als het gaat om strafrechtelijke informatie. Gelet op deze omstandigheden heeft de burgemeester deze belangen zowel in het kader van de b-grond als bij de toepassing van artikel 3, zesde lid, van de Wet bibob zwaarder mogen laten wegen dan de evident betrokken belangen van [eiser] en de onmiskenbare gevolgen die de intrekking van de vergunning voor hem heeft. De burgemeester heeft de vergunning mogen intrekken en hoefde, gelet op het gewicht dat hij heeft mogen toekennen aan het vermoeden van valsheid in geschrifte, niet te volstaan met minder ingrijpende maatregelen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie intrekking vergunning

17. Het voorgaande brengt met zich dat de burgemeester zijn besluit weliswaar niet heeft kunnen baseren op de a-grond maar wel op de b-grond en op de grond genoemd in artikel 3, zesde lid, van de Wet bibob.

De burgemeester heeft dan ook gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid tot het intrekken van de vergunning zoals neergelegd in artikel 3, aanhef en onder b en artikel 3, zesde lid, van de Wet bibob.

De weigering van de gedoogbeschikking
18.1.
De burgemeester heeft geweigerd om de door [eiser] aangevraagde gedoogbeschikking voor de coffeeshop als bedoeld in het Damoclesbeleid te verlenen. Daarbij heeft de burgemeester zich gebaseerd op artikel 7, tweede lid, van het Damoclesbeleid. Hierin is bepaald dat de burgemeester de handel in softdrugs gedoogt zolang – onder andere – de horecavergunning niet is ingetrokken.
18.2.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester de (horeca)vergunning heeft kunnen intrekken. De burgemeester heeft daarom ook de gedoogbeschikking kunnen weigeren.
Conclusie en gevolgen
19. Het beroep is ongegrond. De burgemeester heeft de vergunning mogen intrekken en de gedoogbeschikking mogen weigeren. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. [eiser] krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Piksen, voorzitter, en mr. V.P.K. van Rosmalen en

mr. M. van Berlo, leden, in aanwezigheid van mr. J.P. Fortuin, griffier, uitgesproken in het openbaar op

griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2022:511, r.o. 12.1.

Zie ook ECLI:NL:RVS:2022:511, r.o. 7.2.

zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2026:2303, r.o. 6.5.

Artikel delen