Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBOVE:2026:3542

Vovo bezwaar. Mondelinge uitspraak. Rijgeschiktheid CBR. Rapportage psychiater. Geen spoedeisend belang. Bezwaar geen redelijke kans van slagen.

Rechtbank Overijssel 2 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBOVE:2026:3542 text/xml public 2026-07-02T18:00:10 2026-06-25 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-06-25 AK_26_1588 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3542 text/html public 2026-06-25T12:06:40 2026-07-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:3542 Rechtbank Overijssel , 25-06-2026 / AK_26_1588
Vovo bezwaar. Mondelinge uitspraak. Rijgeschiktheid CBR. Rapportage psychiater. Geen spoedeisend belang. Bezwaar geen redelijke kans van slagen.
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 26/1588

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 juni 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats],

hierna: [eiser],

en

de directie van het CBR,

hierna: het CBR,

(gemachtigde: mr. Y.M. Wolvekamp).
<nr>1</nr>Inleiding 1.1.
[eiser] heeft het CBR door middel van het indienen van een gezondheidsverklaring verzocht een verklaring van rijgeschiktheid af te geven. Vanwege de bekendheid bij het CBR van [eiser] met het alcoholmisbruik in het verleden, is door het CBR bepaald dat hij zich moet laten keuren door een psychiater.
1.2.
Op 31 maart 2026 is [eiser] onderzocht door psychiater Jaket. De psychiater heeft in het rapport van onderzoek geconcludeerd dat uit het lichamelijk- en psychiatrisch onderzoek geen aanwijzingen zijn gebleken die wijzen op alcoholmisbruik, maar dat uit het laboratoriumonderzoek is gebleken dat CDT% licht verhoogd is met 2.1 (de normaalwaarde is <2.0).
1.3.
In het besluit van 22 mei 2026 heeft het CBR gemotiveerd dat er uit de beoordeling blijkt dat er sprake is van alcoholmisbruik, dat niet is gestopt ten tijde van de keuring van 31 maart 2026. [eiser] wordt daarom niet rijgeschikt bevonden en zijn rijbewijs blijft ongeldig voor de duur van één jaar.
1.4.
[eiser] is het met dit besluit niet eens en heeft daartegen bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, omdat hij zonder rijbewijs inkomsten blijft mislopen.
1.5.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] en de gemachtigde van het CBR.
1.6.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
<nr>2</nr>Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
<nr>3</nr>Beoordeling door de voorzieningenrechter 3.1.
De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als er sprake is van een spoedeisend belang. Dit is het geval als zich een zodanige (acute) situatie voordoet dat de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht.
3.2.
De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat van een dergelijke spoedeisende situatie in dit geval geen sprake is. Uit het betoog van [eiser] blijkt dat het spoedeisend belang er enkel in is gelegen dat hij door het ontbreken van zijn rijbewijs voor zijn werk bij een schoonmaakbedrijf geen extra uren op andere locaties kan draaien die verder weg liggen en waar hij het beste met de auto kan komen, waardoor hij inkomsten blijft mislopen. Er is echter niet gebleken dat hij daardoor in een financiële noodsituatie terechtkomt. Behalve dat dit door [eiser] op zitting is erkend, blijkt dit ook uit zijn verklaring dat hij niet is aangewezen op schoonmaakwerk en ergens anders zou kunnen werken dan bij een schoonmaakbedrijf. Bovendien werkt hij naast het werk bij het desbetreffende schoonmaakbedrijf ook drie dagen als schoonmaker in de tandartspraktijk van zijn moeder.
3.3.
Daarnaast komt de voorzieningenrechter tot het voorlopige oordeel dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. De (verhoogde) CDT-waarde betreft een zwaarwegend objectief gegeven en overige omstandigheden, zoals die blijken uit de anamnese bij het psychiatrisch onderzoek, wegen minder zwaar mee. Daarbij heeft het CBR terecht ook de voorgeschiedenis van alcoholmisbruik meegewogen. Dat de CDT-waarde verhoogd is vanwege het medicatiegebruik van [eiser] heeft hij voorlopig onvoldoende onderbouwd. Dit betekent naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat het CBR vooralsnog voldoende heeft gemotiveerd waarom [eiser] niet rijgeschikt wordt bevonden.
3.4.
De voorzieningenrechter ziet op grond van het voorgaande geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. Hij wijst het verzoek af.
3.5.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3.6.
Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2026 door mr. F. Koster, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C. Smitstra, griffier.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Artikel delen