Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar wegens geen gronden. Beroep ongegrond. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de hem geboden gelegenheid om het verzuim te herstellen.
Rechtbank Overijssel 3 July 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2026:3612
Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
25-06-2026
Datum publicatie
03-07-2026
Zaaknummer
ZWO 25/3863
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBOVE:2026:3612text/xmlpublic2026-07-03T18:00:082026-06-25Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Overijssel2026-06-26ZWO 25/3863UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLZwolleBestuursrecht; BestuursprocesrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3612text/htmlpublic2026-06-26T10:58:322026-07-03Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBOVE:2026:3612 Rechtbank Overijssel , 26-06-2026 / ZWO 25/3863 Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar wegens geen gronden. Beroep ongegrond. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de hem geboden gelegenheid om het verzuim te herstellen.
uitspraak van de enkelvoudige kamer van de rechtbank Overijssel in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser, hierna te noemen: [eiser],
(gemachtigde: [gemachtigde 1]), en de directie van het CBR, hierna te noemen: het CBR,
(gemachtigde: [gemachtigde 2]). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van [eiser] tegen het besluit waarbij aan hem een cursus verantwoord rijgedrag is opgelegd. [eiser] is het niet eens met dat besluit. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het bestreden besluit. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard omdat het bezwaar van [eiser] niet voorzien was van gronden. Hij heeft geen gebruik gemaakt van de hem geboden gelegenheid om dit verzuim te herstellen. [eiser] krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 25 november 2025 op het bezwaar van eiser heeft het CBR het bezwaar van [eiser] niet-ontvankelijk verklaard. 2.1.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen:
[gemachtigde 1] namens [eiser];
[gemachtigde 2] namens het CBR. Beoordeling door de rechtbank De feiten 3.1. Op 24 september 2025 is [eiser] staande gehouden door twee agenten. Uit het door hen opgestelde proces-verbaal van bevindingen blijkt dat [eiser] veel te hard reed, dat hij veel te dicht op auto’s voor hem reed en dat hij slingerde. Nog dezelfde dag is ten aanzien van hem een mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 gedaan. Vervolgens heeft het CBR bij besluit van 13 oktober 2025 een cursus verantwoord rijgedrag, op eigen kosten te volgen, aan [eiser] opgelegd. 3.2. Bij brief van 27 oktober 2025 heeft [gemachtigde 1] namens [eiser] bezwaar gemaakt tegen het besluit van 13 oktober 2025. Het bezwaarschrift bevatte geen gronden. 3.3. Bij brief van 28 oktober 2025 heeft het CBR [eiser] erop gewezen dat het bezwaarschrift geen gronden bevatte en heeft het CBR hem in de gelegenheid gesteld om dit gebrek uiterlijk op 18 november 2025 te herstellen. 3.4. Bij het bestreden besluit heeft het CBR het namens [eiser] ingediende bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Inhoudelijke beoordeling 4.1.
[eiser] stelt zich op het standpunt dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard omdat geen herstel verzuim is toegezonden aan zijn gemachtigde. 4.2. De rechtbank stelt vast dat uit de door het CBR overgelegde stukken, waaronder een overzicht uit de verzendadministratie van het CBR, blijkt dat op 28 oktober 2025 een drietal brieven is verzonden aan zowel [eiser] als aan zijn gemachtigde. Een van de drie op 28 oktober 2025 aan de gemachtigde verzonden brief is een brief waarbij een kopie van de brief van die datum aan [eiser] is gevoegd, waarbij het CBR hem in de gelegenheid gesteld om het geconstateerde gebrek uiterlijk op 18 november 2025 te herstellen. Aan het vereiste van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat aan de indiener van een bezwaar dat niet voldoet aan het bepaalde in artikel 6:5 van de Awb eerst de gelegenheid dient te worden geboden om het verzuim te herstellen binnen een gestelde termijn, is dan ook voldaan. 4.3. De rechtbank overweegt dat de door het CBR geboden hersteltermijn verstreek voordat de gehele bezwaartermijn als bedoeld in artikel 6:7 van de Awb was verstreken. In een dergelijk geval geldt dat [eiser], als bezwaarmaker, de gehele bezwaartermijn van zes weken ter beschikking stond om zijn bezwaarschrift van gronden te voorzien. Dit betekent dat [eiser] hiervoor tot en met 24 november 2025 de tijd had. Nu hij van deze gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt, mocht het CBR eisers bezwaar op grond van het bepaalde in artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren. 4.4. Het bestreden besluit vermeldt dat [eiser] niet wordt uitgenodigd voor een hoorzitting. Op grond van het bepaalde in artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb mocht het CBR afzien van het horen van [eiser]. Nu het bezwaarschrift niet was voorzien van gronden en geen gebruik was gemaakt van de mogelijkheid om dit verzuim te herstellen, was het bezwaar immers kennelijk niet-ontvankelijk. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 13 oktober 2025 in stand blijft. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. van der Weij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op . De rechter is buiten staat om deze uitspraak
te ondertekenen. Griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. . Ab,RvS 19 maart 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE0921