Afwijzing verzoek voorlopige voorziening. Het spoedeisend belang ontbreekt.
Rechtbank Overijssel 9 July 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:RBOVE:2026:3744
Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
02-07-2026
Datum publicatie
09-07-2026
Zaaknummer
AK_26_1763
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBOVE:2026:3744text/xmlpublic2026-07-09T12:00:052026-07-02Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Overijssel2026-07-02AK_26_1763UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLZwolleBestuursrecht; SocialezekerheidsrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3744text/htmlpublic2026-07-03T11:34:302026-07-09Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBOVE:2026:3744 Rechtbank Overijssel , 02-07-2026 / AK_26_1763 Afwijzing verzoek voorlopige voorziening. Het spoedeisend belang ontbreekt.
RECHTBANK OVERIJSSEL Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 26/1763
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker (hierna te noemen: [verzoeker]), gemachtigde: mr. E. Schriemer, en het college van burgemeester en wethouders van Zwolle, het college (gemachtigde: [gemachtigde]). Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van [verzoeker] tegen het besluit van het college om de verstrekking van bijzondere bijstand voor de (meer)kosten van een hulphond voort te zetten. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 1.1. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. 1.2. Het college heeft met het besluit van 5 maart 2026 de verstrekking van bijzondere bijstand voor de (meer)kosten van een hulphond gecontinueerd. [verzoeker] heeft hiertegen bezwaar gemaakt. [verzoeker] heeft in zijn bezwaarschrift aangegeven dat zijn bezwaar zich uitsluitend richt tegen de mededeling in het besluit dat hij jaarlijks en handmatig gegevens over zijn inkomen en vermogen moet inleveren. In het bestreden besluit van 16 juni 2026 heeft het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. [verzoeker] heeft hiertegen beroep ingesteld. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. De conclusie van de voorzieningenrechter is dat er in dit geval geen spoedeisend belang aanwezig is. 2.1. De aard van een verzoek om een voorlopige voorziening veronderstelt een acute, dus actuele, spoedeisendheid. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt of als er geen acute noodsituatie is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft. 2.2.
[verzoeker] heeft ter onderbouwing van het spoedeisend belang aangevoerd – samengevat weergegeven – dat hij vanwege zijn medische en psychische gesteldheid niet in staat is om jaarlijks handmatig gegevens over zijn inkomen en vermogen naar het college te sturen. De manier waarop het college controleert, is voor [verzoeker] zeer belastend. Volgens [verzoeker] kan het college de gegevens die ze nodig hebben uit Suwinet halen. De structurele onzekerheid en de administratieve dwang die [verzoeker] wordt opgelegd, leiden tot ernstige psychische ontregeling met een reëel risico op decompensatie en suïcidaliteit. Ter onderbouwing van zijn betoog verwijst [verzoeker] naar een brief van zijn behandelaar van 12 maart 2026 en van 9 juni 2017. Daaruit volgt dat dat de jaarlijkse, handmatige controle van de draagkracht van [verzoeker] voor hem een ernstige bedreiging vormt. Het zal enige tijd duren voordat het beroep behandeld zal worden. Al die tijd moet [verzoeker] in onzekerheid blijven over de vraag of hij opnieuw een controle moet ondergaan. Ook dat zal leiden tot psychische ontregeling. 2.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in wat [verzoeker] heeft aangevoerd geen spoedeisend belang besloten ligt. Vaststaat dat de hulphond voor [verzoeker] onmisbaar is. Dat volgt ook uit de brief van de psychiater die [verzoeker] aanhaalt. [verzoeker] ontvangt daarom doorlopend bijzondere bijstand voor de (meer)kosten van een hulphond. Het college heeft [verzoeker] te kennen gegeven dat hem één keer per jaar gevraagd wordt of zijn financiële situatie nog hetzelfde is. Zodoende hoeft hij voor de (meer)kosten van een hulphond niet steeds opnieuw bijzondere bijstand aan te vragen. Uit de besluitvorming van het college volgt dat [verzoeker] eerst begin 2027 gevraagd zal worden om gegevens over zijn inkomen en vermogen over te leggen. Uit de informatie van de psychiater blijkt niet dat dit in het geheel niet van [verzoeker] gevraagd kan worden. Daarom is niet gebleken dat op dit moment sprake is van een acute noodsituatie die maakt dat onmiddellijk moet worden ingegrepen. Ook anderszins is niet gebleken van een voor [verzoeker] zo zwaarwegend belang, dat hij de behandeling van het beroep niet zou kunnen afwachten. De voorzieningenrechter merkt in dit verband nog op dat het beroep, geregistreerd onder nummer AWB 26/1762, naar verwachting dit jaar nog zal worden behandeld. Conclusie en gevolgen 3. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. van den Ham, griffier. Uitgesproken in het openbaar op griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.