Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBOVE:2026:3792

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor feitelijke leidinggeven aan schending van de zorgplicht in de zin van artikel 13 Wet bodembescherming (oud) en schending van artikel 6.2 Waterwet (oud). De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren. De rechtbank heeft daarbij rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.

Rechtbank Overijssel 9 July 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBOVE:2026:3792 text/xml public 2026-07-09T12:00:06 2026-07-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-07-02 84.053877.22 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Zwolle Strafrecht; Materieel strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3792 text/html public 2026-07-03T14:13:00 2026-07-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:3792 Rechtbank Overijssel , 02-07-2026 / 84.053877.22
De rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor feitelijke leidinggeven aan schending van de zorgplicht in de zin van artikel 13 Wet bodembescherming (oud) en schending van artikel 6.2 Waterwet (oud). De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren. De rechtbank heeft daarbij rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht

Meervoudige economische kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 84.053877.22 (P)

Datum vonnis: 2 juli 2026

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1963 in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [woonplaats] .
<nr>1</nr>Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 25 september 2025, 21 mei 2026 en 18 juni 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadslieden mr. C.P. Posthuma, advocaat in Eindhoven, en mr. W.J.W. van Eijk, advocaat in ’s-Hertogenbosch, naar voren is gebracht.
<nr>2</nr>De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: zich in de periode van 16 november 2017 tot en met 23 maart 2019 in [plaats] meermalen schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk schenden van de zorgplicht zoals neergelegd in artikel 13 van de Wet bodembescherming (Wbb) (oud) (primair) dan wel [bedrijf 1] B.V. daartoe opdracht heeft gegeven of daaraan feitelijke leiding heeft gegeven (subsidiair);

feit 2: zich in de periode van 2 oktober 2019 tot en met 26 februari 2020 in [plaats] schuldig heeft gemaakt aan het meermalen, al dan niet samen met een of meer anderen, opzettelijk in een of meer watergangen brengen van een vloeistof waarin zich vrije kalk bevond afkomstig van LD-staalslakken, zonder dat daartoe een vergunning of vrijstelling was verleend en terwijl artikel 6.3 van de Waterwet (oud) niet van toepassing was (primair) dan wel [bedrijf 1] B.V. daartoe opdracht heeft gegeven of daaraan feitelijke leiding heeft gegeven (subsidiair).

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 16 november 2017

tot en met 23 maart 2019 te [plaats] , gemeente [plaats] ,

opzettelijk,

(een) handeling(en) als bedoeld in artikel 6 tot en met 11 van de Wet

bodembescherming heeft verricht, te weten

op een perceel aan of nabij de [adres 1] , aldaar, op of in de bodem

brengen/toepassen van LD staalslakken (Linz-Donawitz) waarin zich vrije kalk

bevond dat na contact met (grond)water in de bodem een verhoogde pH-waarde

veroorzaakt en/of kan veroorzaken,

terwijl hij verdachte wist althans redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die

handeling(en) de bodem kon worden verontreinigd of aangetast, en niet aan zijn

verplichting heeft voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem

konden worden gevergd, teneinde die verontreiniging of aantasting te voorkomen,

en/of indien die verontreinig of aantasting zich voordeed, die verontreiniging of

aantasting en/of de directe gevolgen daarvan te beperken en/of zoveel mogelijk

ongedaan te maken,

(Map 1 pag 528-548 fysiek dossier, pag 530-550 digitaal dossier en map 3 PV-SEO

087 pag 1640-1646 fysiek dossier, pag 442-448 digitaal dossier);

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[bedrijf 1] B.V. op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 16

november 2017 tot en met 23 maart 2019 te [plaats] , gemeente [plaats] ,

opzettelijk,

(een) handeling(en) als bedoeld in artikel 6 tot en met 11 van de Wet

bodembescherming heeft verricht, te weten

op een perceel aan of nabij de [adres 1] , aldaar, op of in de bodem brengen van LD

staalslakken (Linz-Donawitz) waarin zich vrije kalk bevond dat na contact met

(grond)water in de bodem een verhoogde pH-waarde veroorzaakt en/of kan

veroorzaken,

terwijl zij verdachte wist althans redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die

handeling(en) de bodem kon worden verontreinigd of aangetast, en niet aan haar

verplichting heeft voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van haar

konden worden gevergd, teneinde die verontreiniging of aantasting te voorkomen,

en/of indien die verontreinig of aantasting zich voordeed, die verontreiniging of

aantasting en/of de directe gevolgen daarvan te beperken en/of zoveel mogelijk

ongedaan te maken,

zulks terwijl hij, verdachte, al dan niet samen met één of meer anderen tot

bovenomschreven strafbaar feit opdracht heeft gegeven, dan wel feitelijk leiding

heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging,

(Map 1 pag 528-548 fysiek dossier, pag 530-550 digitaal dossier en map 3 PV-SEO

087 pag 1640-1646 fysiek dossier, pag 442-448 digitaal dossier);

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 oktober 2019 tot en

met 26 februari 2020 te [plaats] , gemeente [plaats]

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk,

een stof, te weten een vloeistof waarin zich vrije kalk bevond afkomstig van LD

staalslakken (Linz-Donawitz), die aanwezig waren op een perceel aan of nabij de

[adres 1] , aldaar, heeft gebracht in een of meer watergang(en), zijnde (een)

oppervlaktewaterlicha(a)m(en), dat/die was/waren gelegen langs voornoemd

perceel, terwijl:

a. een daartoe strekkende vergunning niet was verleend door Onze Minister dan wel

het bestuur

van het betrokken waterschap, en

b. daarvoor geen vrijstelling was verleend bij of krachtens algemene maatregel van

bestuur, en

c. artikel 6.3 van de Waterwet niet van toepassing was, immers

-stroomde op of omstreeks 2 oktober 2019 die vloeistof uit/via een talud in een

C-watergang met nummer [nummer 1] , (Map 4, SEO-110W, pag 2005 -2065 fysiek dossier

en pag 259-319 digitaal dossier), en/of

-stroomde op of omstreeks 18 oktober 2019 die vloeistof uit/via een talud in een

B-watergang met nummer [nummer 2] (Map 4, SEO-111W, pag 2066-2079 fysieke

dossier, pag 320-333 digitale dossier), en/of

-stroomde op of omstreeks 6 december 2019 die vloeistof uit/via een talud in een

watergang nabij het kadastrale nummer [nummer 5] (Map 5, SEO-172W, SEO-173W en

SEO-174W pag 2447-2493 fysieke dossier en pag 171-217 digitale dossier), en/of

-stroomde op of omstreeks 29 januari 2020 die vloeistof uit/via een talud en/of over

de onbeschermde bodem in een C-watergang met nummer [nummer 3] , (Map 4,

SEO-113W, pag 2099 – 2117 fysiek dossier en pag 353-371 digitaal dossier), en/of

-stroomde op of omstreeks 26 februari 2020 die vloeistof over de onbeschermde

bodem in een C-watergang met nummer [nummer 4] , (Map 4, SEO-113W, pag 2099 –

2117) (Map 1 zaaksdossier II pag 550A-589 fysiek, en pag 555-595 digitaal dossier);

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[bedrijf 1] B.V. op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 oktober

2019 tot en met 26 februari 2020 te [plaats] , gemeente [plaats]

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk,

een stof, te weten een vloeistof waarin zich vrije kalk bevond afkomstig van LD

staalslakken (Linz-Donawitz), die aanwezig waren op een perceel aan of nabij de

[adres 1] , aldaar, heeft gebracht in een of meer watergang(en), zijnde (een)

oppervlaktewaterlicha(a)m(en), dat/die was/waren gelegen langs voornoemd

perceel, terwijl:

a. een daartoe strekkende vergunning niet was verleend door Onze Minister dan wel

het bestuur

van het betrokken waterschap, en

b. daarvoor geen vrijstelling was verleend bij of krachtens algemene maatregel van

bestuur, en

c. artikel 6.3 van de Waterwet niet van toepassing was, immers

-stroomde op of omstreeks 2 oktober 2019 die vloeistof uit/via een talud in een

C-watergang met nummer [nummer 1] , (Map 4, SEO-110W, pag 2005 -2065 fysiek dossier

en pag 259-319 digitaal dossier), en/of

-stroomde op of omstreeks 18 oktober 2019 die vloeistof uit/via een talud in een

B-watergang met nummer [nummer 2] (Map 4, SEO-111W, pag 2066-2079 fysieke

dossier, pag 320-333 digitale dossier), en/of

-stroomde op of omstreeks 6 december 2019 die vloeistof uit/via een talud in een

watergang nabij het kadastrale nummer [nummer 5] (Map 5, SEO-172W, SEO-173W en

SEO-174W pag 2447-2493 fysieke dossier en pag 171-217 digitale dossier), en/of

-stroomde op of omstreeks 29 januari 2020 die vloeistof uit/via een talud en/of over

de onbeschermde bodem in een C-watergang met nummer [nummer 3] , (Map 4,

SEO-113W, pag 2099 – 2117 fysiek dossier en pag 353-371 digitaal dossier), en/of

-stroomde op of omstreeks 26 februari 2020 die vloeistof over de onbeschermde

bodem in een C-watergang met nummer [nummer 4] ,

zulks terwijl hij, verdachte, al dan niet samen met één of meer anderen tot

bovenomschreven strafbaar feit opdracht heeft gegeven, dan wel feitelijk leiding

heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging,

(Map 4, SEO-113W, pag 2099 – 2117) (Map 1 zaaksdossier II pag 550A-589 fysiek, en

pag 555-595 digitaal dossier).
<nr>3</nr>De voorvragen 3.1
De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
3.1.1
Het standpunt van de verdediging

Ter terechtzitting heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging wegens schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde, te weten het verbod van willekeur.

De verdediging heeft daartoe in de eerste plaats aangevoerd dat niet alleen verdachte, maar ook [naam 1] (verder: [naam 1] ) in de ten laste gelegde periode bestuurder was van [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ) en dat [naam 1] en verdachte een gelijkwaardige positie hadden binnen de vennootschap. Blijkens het dossier was [naam 1] juist degene die overwegend leiding gaf aan de feitelijk uitvoerders op het project in [plaats] . Desondanks is alleen verdachte vervolgd, hetgeen strijdig is met het verbod van willekeur.

In de tweede plaats heeft de verdediging gewezen op de omstandigheid dat het Openbaar Ministerie de zaken tegen [bedrijf 2] B.V. (verder: [bedrijf 2] ) en haar toenmalige directeur [naam 2] (verder: [naam 2] ) heeft geseponeerd dan wel, in het geval van [bedrijf 2] , ter zake van feit 2 heeft afgedaan met een transactie. Dit terwijl zowel [bedrijf 2] als [naam 2] een prominente rol speelden in de ontwikkeling van het project. Dat uiteindelijk enkel verdachte (als natuurlijk persoon) is gedagvaard ter zake van onderhavige feiten, is onbegrijpelijk en levert strijd op met het verbod van willekeur.
3.1.2
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat zowel ten aanzien van [naam 1] als ten aanzien van [bedrijf 2] en [naam 2] geldt dat geen sprake is van een met verdachte vergelijkbare rol bij het plegen van de feiten, zodat geen sprake is van een schending van het verbod van willekeur.
3.1.3
Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. Deze beslissing van het Openbaar Ministerie leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.

Een uitzonderlijk geval zoals hiervoor bedoeld doet zich onder andere voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur.

De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat sprake is van een uitzonderlijk geval als hiervoor omschreven.

Aan de verdediging kan worden toegegeven dat uit het dossier volgt dat [naam 1] , medebestuurder van [bedrijf 1] ten tijde van feit 1, een rol heeft gespeeld bij de werkzaamheden in [plaats] . De omstandigheid dat ten aanzien van een ander jegens wie aanwijzingen bestaan dat hij zich aan een vergelijkbaar strafbaar feit schuldig heeft gemaakt geen vervolging is ingesteld, staat er echter niet aan in de weg dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging. Gelet op de rol van verdachte binnen [bedrijf 1] en zijn betrokkenheid bij de toepassing van de staalslakken in [plaats] , zoals dit volgt uit het dossier, is naar het oordeel van de rechtbank in dit verband geen sprake van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing dat sprake is van een schending van het verbod van willekeur.

Ook de omstandigheid dat [bedrijf 2] en [naam 2] niet (verder) zijn vervolgd, dan wel dat [bedrijf 2] ter zake van een vergelijkbaar strafbaar feit een transactie is aangeboden, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat sprake is van een schending van het verbod van willekeur. Uit het dossier volgt dat de rollen van [bedrijf 2] en [naam 2] wezenlijk andere rollen waren dan die van [bedrijf 1] /verdachte, namelijk die van respectievelijk opdrachtgever en opdrachtnemer. [bedrijf 1] en verdachte, als (bestuurder van een) professionele onderneming gespecialiseerd in de verwerking van bouw- en grondstoffen, beschikten over de kennis en kunde omtrent de toepassing van LD-staalslakken en waren degene die [bedrijf 2] en [naam 2] hierover van informatie voorzagen. Gelet daarop kan niet de gevolgtrekking worden gemaakt dat het Openbaar Ministerie niet in redelijkheid tot de beslissing heeft kunnen komen om verdachte wel te vervolgen en [bedrijf 2] en [naam 2] niet.

De rechtbank verwerpt het verweer. Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vervolging.
3.2
De overige voorvragen

De rechtbank heeft overigens vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsmotivering
4.1
Inleiding

Op 25 maart 2019 is onder leiding van het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie een strafrechtelijk onderzoek gestart genaamd ‘SEOUL’. Het onderzoek heeft betrekking op het project dat ten noorden van de A15 in de gemeente [plaats] (voormalig gemeente Lingewaal) werd uitgevoerd. Het gaat om het project ‘Geluidswal [bedrijf 2] te [plaats] ’ oftewel ‘Zuidbaan’ van de [bedrijf 2] . Het project behelsde – kort gezegd – de aanleg van een tweede golfbaan met een geïntegreerde geluidswal en werd uitgevoerd op het terrein van [bedrijf 2] gelegen aan de [adres 1] in [plaats] . [bedrijf 1] was als aannemer/projectontwikkelaar betrokken bij het project en voerde werkzaamheden uit ten behoeve van de aanleg van een toegangsweg, een parkeerterrein en de geluidswal. Voor de aanleg van deze werken werd onder andere gebruik gemaakt van LD-staalslakken als bouwstof.

Eerder is op 22 maart 2019 het project stilgelegd door de Omgevingsdienst Rivierenland (verder: de ODR) naar aanleiding van vermoedens van bodem- en waterverontreiniging. Het daaropvolgende strafrechtelijk onderzoek heeft tot de verdenking geleid van de feiten zoals ten laste gelegd.
4.2
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde, nu niet kan worden bewezen dat verdachte de feiten zelf heeft gepleegd.

Het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair ten laste gelegde, het feitelijke leiding geven aan de in de tenlastelegging beschreven verboden gedragingen door [bedrijf 1] , acht de officier van justitie wel wettig en overtuigend bewezen.
4.3
Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe, kort weergegeven, het volgende aangevoerd.

Met de officier van justitie is de verdediging van mening dat niet kan worden bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft de verdediging ten eerste aangevoerd dat, nu zij zich op het standpunt heeft gesteld dat niet kan worden bewezen dat [bedrijf 1] de in de tenlastelegging omschreven verboden gedragingen heeft begaan, niet kan worden bewezen dat verdachte [bedrijf 1] daartoe opdracht dan wel feitelijke leiding heeft gegeven. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte – in het kader van het feitelijke leidinggeven – geen (voorwaardelijk) opzet had op de in de tenlastelegging omschreven verboden gedragingen, hetgeen voor een bewezenverklaring van beide feiten wel is vereist.
4.4
Het oordeel van de rechtbank
4.4.1
Vaststelling van de feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt op basis van het dossier en van hetgeen ter terechtzitting is besproken de volgende feiten en omstandigheden vast.

De verdachte rechtspersoon [bedrijf 1] B.V.

Uit uittreksels uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt het volgende.

[bedrijf 1] B.V. (verder: [bedrijf 1] ) is opgericht op 16 september 2002 en is gevestigd op het adres [adres 2]. De bedrijfsactiviteiten bestaan uit ‘bevorderen van hergebruik, beheer van locaties met oogmerk van hergebruik van grond, baggerspecie en bouwstoffen’. Vanaf 16 september 2002 is [bedrijf 1] B.V. enig aandeelhouder van [bedrijf 1] . Vanaf 12 oktober 2010 is [bedrijf 3] B.V. bestuurder van [bedrijf 1] en met ingang van 18 april 2019 enig bestuurder.

[bedrijf 1] B.V. is opgericht op 16 september 2002 en is gevestigd op het adres [adres 2]. De bedrijfsactiviteiten worden omschreven als ‘Participatiemaatschappijen. Investeren en aandelenbeheer’. In de periode van 6 februari 2009 tot 18 april 2019 zijn [bedrijf 4] B.V., [bedrijf 5] B.V., [bedrijf 6] B.V. en [bedrijf 3] B.V. aandeelhouders van [bedrijf 1] B.V. [naam 1] is vanaf 2 oktober 2001 de bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 6] B.V. Vanaf 18 april 2019 is [bedrijf 3] B.V. enig aandeelhouder van [bedrijf 1] B.V. Vanaf 12 oktober 2010 is [bedrijf 3] B.V. bestuurder van [bedrijf 1] B.V.

[bedrijf 3] B.V. is opgericht op 16 september 2002 en is gevestigd op het adres [adres 2]. De bedrijfsactiviteiten bestaan uit ‘Het oprichten en verwerven van, deelnemen in, het samenwerken met, het voeren van de directie over, alsmede het (doen) financieren van andere ondernemingen, in welke rechtsvorm ook Handel in bouwmaterialen, consultancy’. Sinds 16 september 2002 is [verdachte] , verdachte, de bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 3] B.V.

Het project ‘Zuidbaan’

Op 9 januari 2012 is door de gemeente Lingewaal aan [bedrijf 2] een omgevingsvergunning verleend voor de aanleg van een golfbaan op het perceel gelegen aan de [adres 1] . Op 3 december 2015 is door verdachte (hierna ook wel: [verdachte] ) namens [bedrijf 1] een e-mail aan [naam 2] van [bedrijf 2] gestuurd met het voorstel om te bespreken wat [bedrijf 1] zou kunnen betekenen in de realisatie van de golfbaan. [naam 2] was op dat moment de algemeen directeur van [bedrijf 2] . Nadat er op 8 januari 2016 een overleg heeft plaatsgevonden tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , stuurde [verdachte] op 19 februari 2016 namens [bedrijf 1] een eerste voorstel aan [naam 2] . Dit voorstel hield in dat [bedrijf 1] werkzaamheden zou verrichten inzake de aanvoer en verwerking van grond in een zicht- c.q. geluidswal op de nog aan te leggen Zuidbaan. Uit het voorstel volgde dat voor het project ongeveer 700.000 m3 tot 850.000 m3 grond van kwaliteitsklasse ‘Industrie’ zou worden aangevoerd en dat dit voor [bedrijf 2] een opbrengst van € 1,00 per verwerkte m3 grond zou kunnen opleveren, met in totaal een (bruto) opbrengst van € 700.000,00 tot € 850.000,00. De aanvoer van een dergelijk volume grond vergde volgens [bedrijf 1] een looptijd van vijf tot tien jaar. Nadat [bedrijf 2] kenbaar had gemaakt dat zij een kortere uitvoeringstermijn van drie jaar voor ogen hadden, ging [verdachte] namens [bedrijf 1] de mogelijkheid van het gebruik van LD-staalslakken onderzoeken.

LD-staalslakken ontstaan bij de productie van staal volgens de ‘Linz-Donawitz methode’ en zijn te herkennen als steenachtig materiaal. LD-staalslakken (hierna ook: staalslakken) zijn afkomstig van het bedrijf [bedrijf 7] B.V. (verder: [bedrijf 7]) en worden namens [bedrijf 7] in de markt gebracht door het bedrijf [bedrijf 8] B.V. (verder: [bedrijf 8]). Staalslakken zijn een ‘vrij toepasbare bouwstof’ en mogen als zodanig worden toegepast in bepaalde werken. Bij de toepassing van staalslakken dient echter rekening te worden gehouden met het feit dat staalslakken een bepaalde hoeveelheid ‘vrije kalk’ bevatten en dat deze vrije kalk, nadat deze in contact komt met (grond)water, kan leiden tot een verhoogde pH-waarde van de bodem en oppervlakte- en grondwater. Dit kan verontreiniging of aantasting van de bodem veroorzaken.

Op 4 maart 2016 heeft [verdachte] een e-mail naar [naam 3] van [bedrijf 8] gestuurd waarin hij kenbaar heeft gemaakt dat hij voor de aanleg van een zicht- c.q. geluidswal van [bedrijf 2] gebruik zou willen maken van staalslakken. [verdachte] was op dat moment al bekend met staalslakken, nu hij reeds eerder, zo heeft hij zelf verklaard, in het kader van een ander project bij [bedrijf 8] was geweest voor een voorlichting over het gebruik van staalslakken. Tijdens deze voorlichting is aan hem een PowerPointpresentatie getoond waarin het risico op een verhoogde pH-waarde wegens het uitspoelen van vrije kalk werd benoemd. Tevens werd daarbij benoemd dat het voorkomen van een verhoogde pH-waarde onder de zorgplicht valt. Tijdens deze voorlichting zijn ook de randvoorwaarden van de toepassing van staalslakken besproken. Eén van deze voorwaarden hield in dat de staalslakken niet mogen worden toegepast in geval van direct contact met grondwater. Er dient sprake te zijn van voldoende afstand tot het grondwater en een capillair onderbrekende laag aan de onderzijde van de staalslakken.

Als reactie op [verdachte] heeft [bedrijf 8] aangegeven staalslakken te kunnen leveren aan [bedrijf 1] voor het project van [bedrijf 2] . Hoewel [bedrijf 2] aanvankelijk twijfels had over de toepassing van staalslakken in de geluidswal, is zij uiteindelijk ook akkoord gegaan. Op 29 augustus 2016 heeft [verdachte] hierover het volgende bericht naar [bedrijf 8] gestuurd: “Je foto’s en onze toelichting op staalslakken en de toepassing hiervan maar ook jullie nadruk op de voorwaarden hoe deze veilig toegepast kunnen worden heeft [bedrijf 2] overtuigd.” In de periode van oktober 2016 tot en met maart 2017 heeft [verdachte] vervolgens veelvuldig e-mailcontact gehad met zowel [bedrijf 8] als [bedrijf 7] over de hoeveelheid te leveren staalslakken en de prijs die [bedrijf 8] voor het afnemen van de staalslakken kon bieden.

Op 18 juli 2017 is de definitieve ‘opdrachtbevestiging zandvervangingsproject geluidswal golfbaan [bedrijf 2] te [plaats] ’ van [bedrijf 8] namens [bedrijf 1] ondertekend door [verdachte] en namens [bedrijf 8] door [naam 4] (verder: [naam 4]). Uit de opdrachtbevestiging volgt dat [bedrijf 1] en [bedrijf 8] zijn overeengekomen dat [bedrijf 1] één miljoen ton staalslak ZV 0-90 mm zal afnemen tegen een vergoeding van € 6,80 per ton staalslak. Op ‘blad 2’ van de opdrachtbevestiging, direct onder de plek waar [verdachte] de opdrachtbevestiging heeft ondertekend, is vermeld dat de volgende stukken als bijlagen zijn opgenomen bij de opdrachtbevestiging:

kopie NL BSB productcertificaat K131133-01 LD ZV [bedrijf 8];

Productinformatieblad LD63Z-170301, incl. CE-markering en prestatieverklaring (DoP);

Leveringsvoorwaarden N.V.L.B.;

Notitie N13.01c/EO 17 juli 2013 “Gebruik van LD-staalslak als ophoogmateriaal in zandvervangingsprojecten”;

Te tekenen verklaring zorgplicht en aansprakelijkheid (de hierna te noemen vrijwaringsverklaring).

In het dossier bevindt zich de kopie van het NL BSB productcertificaat K131133-01 LD ZV van [bedrijf 8] dat als bijlage is opgenomen bij de opdrachtbevestiging. Het productcertificaat is gedateerd 2017-01-01 en bestaat uit drie pagina’s. Het certificaat is voorzien van de schuine rode opdruk ‘KOPIE. Ongeldig als bewijsmiddel.’ Onder het kopje ‘Toepassingsvoorwaarden’ op pagina 2 staat beschreven dat het gebruik van LD-staalslak een tijdelijke, lokale verhoging van de pH van de bodem en het grond- en nabijgelegen oppervlaktewater kan veroorzaken, als gevolg van de uitspoeling van de vrije kalk als de

LD-staalslak in contact komt met hemel- of grondwater. In dit productcertificaat is een aantal toepassingsvoorwaarden beschreven waarmee bij het (grootschalige) gebruik van

LD-staalslak voor zandvervanging en -ophogingen rekening moet worden gehouden. Onder andere de volgende toepassingsvoorwaarden zijn opgenomen:

alleen toepassen op landbodems (LD-staalslak voor zandvervanging kan niet in oppervlaktewateren en op waterbodems worden toegepast);

niet toepassen in direct contact met grondwater. Voldoende afstand tot het grondwater en een capillair onderbrekende laag aan de onderzijde van de constructie:

- onder de LD-staalslak een laag doorlatend zand aanbrengen (zand voor zandbed), met een dikte van ten minste 0,50 m;

- de onderzijde van de LD-staalslak zo ontwerpen dat deze, na zetting, ten minste 0,50 m boven het bestaande maaiveld wordt toegepast;

- geen grotere restzetting na aanbrengen dan 0,25 meter over 30 jaar;

- geen kunstmatige verlaging van de stijghoogte van het grondwater via een drainage en/of bemaling.

Ook de gebruiksinstructie “Gebruik van LD-staalslak als ophoogmateriaal in zandvervangingsprojecten” van [bedrijf 8] met kenmerk N13.01c van 17 juli 2013 bevindt zich in het dossier. Ook hierin is beschreven dat de toepassing van staalslakken kan leiden tot een verhoging van de pH-waarde en dat hiervoor passende maatregelen moeten worden genomen, zoals het houden van voldoende afstand tot het grondwater en het aanbrengen van een capillair onderbrekende laag (bijvoorbeeld een zandbed) aan de onderzijde van de staalslakken. In de gebruiksinstructie is daarnaast beschreven dat maatregelen ter voorkoming van pH-effecten vallen onder de zorgplicht. [verdachte] heeft verklaard dat hij de gebruiksinstructie heeft gelezen bij het tekenen van de opdrachtbevestiging op 18 juli 2017.

Tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] is vervolgens op 6 september 2017 een overeenkomst van opdracht/bemiddeling/aanneming van werk gesloten. De overeenkomst is namens [bedrijf 2] ondertekend door [naam 2] en namens [bedrijf 1] door [verdachte] en [naam 1] . [bedrijf 2] en [bedrijf 1] zijn daarbij overeengekomen dat [bedrijf 1] de aanleg van een toegangsweg, een parkeerterrein en een geluids-zichtwal zal uitvoeren. Tevens kan [bedrijf 1] bemiddelen bij de aan- en verkoop van grond- en/of bouwstoffen en zal zij de vergunningen aanvragen die nodig zijn voor de door haar te verrichten werkzaamheden en de begeleiding van het werk en de aanleg van voornoemde werken verzorgen. Overeengekomen is dat [bedrijf 1] een vergoeding zal ontvangen die gelijk is aan veertig procent van de netto-opbrengst van de aan- en verkoop van grond en bouwstoffen. [bedrijf 2] zal de overige zestig procent ontvangen. Indien de werkzaamheden volgens het in de overeenkomst neergelegde plan worden uitgevoerd, zal [bedrijf 2] daarmee een netto-opbrengst van ongeveer

€ 4.200.000,00 realiseren. Met het ondertekenen van de overeenkomst verklaart [bedrijf 1] dat zij verantwoordelijk is voor alle zaken met betrekking tot de aanvoer en verwerking van grond en bouwstoffen en dat zij – als opdrachtnemer – verantwoordelijk is voor de uitvoering van de werkzaamheden en het daarbij voldoen aan de daaraan te stellen eisen en verplichtingen. [bedrijf 1] vrijwaart [bedrijf 2] tot slot voor eventuele aansprakelijkheidsstellingen dan wel claims van derden.

Op respectievelijk 11 en 18 september 2017 hebben [verdachte] (namens [bedrijf 1] ) en [naam 2] (namens [bedrijf 2] ) de vrijwaringsverklaring van [bedrijf 8] ondertekend. [bedrijf 1] en [bedrijf 2] vrijwaren hiermee [bedrijf 8] van mogelijke claims die voortvloeien uit het toepassen van de staalslakken op een wijze die niet in overeenstemming is met de geldende richtlijnen/voorschriften. In deze overeenkomst verklaren [bedrijf 1] en [bedrijf 2] dat zij volledig door [bedrijf 8] zijn geïnformeerd over en bekend zijn met de wettelijke randvoorwaarden, de civieltechnische en milieu hygiënische eigenschappen van LD-staalslakken en de mogelijke gevolgen die het gebruik van LD-staalslakken bij het ophogen van de bodem ten behoeve van woonwijken en industrieterreinen kunnen hebben. Zij verklaren bekend te zijn met de milieu hygiënische toepassingsrisico’s bij het gebruik van LD-staalslak als gevolg van uitspoeling van vrije kalk en de pH-verhoging van grond- en oppervlaktewater. Ook verklaren zij de voornoemde gebruiksinstructie van 17 juli 2013 te hebben ontvangen van [bedrijf 8].

Op 9 november 2017 heeft [verdachte] per e-mail aan [naam 4] van [bedrijf 8] gevraagd wanneer zij ‘het definitieve certificaat van de slakken’ zullen ontvangen. [naam 4] heeft daarop op 10 november 2017 aan [verdachte] laten weten dat [bedrijf 1] het originele productcertificaat pas zal ontvangen na uitlevering van het project en dat voorlopig alleen een kopie van het productcertificaat wordt afgegeven. [naam 4] schreef vervolgens dat hij [verdachte] nogmaals het kopie NL-BSB productcertificaat K131133-01 LD ZV zal toesturen. Dit productcertificaat is vervolgens meegestuurd als bijlage. Op 1 december 2017 stuurde [verdachte] dit productcertificaat (K131133-01 LD ZV gedateerd 2017-01-01) per e-mail naar [naam 5] en [naam 2] en lichtte daarbij toe dat het een ‘kopie’ van het certificaat betrof. In tegenstelling tot het productcertificaat dat als bijlage is opgenomen bij de opdrachtbevestiging van 18 juli 2017 en de e-mail van 10 november 2017, bestaat het door [verdachte] meegestuurde productcertificaat slechts uit één pagina die niet is voorzien van de schuin rode opdruk ‘KOPIE. Ongeldig als bewijsmiddel.’ Twee dagen later, op 3 december 2017, stuurde [verdachte] het volgende e-mailbericht aan [naam 5]: ‘Als we een certificaat willen opsturen naar de gemeente (als we de overige info ook hebben?) dan dit certificaat mailen a.u.b. De andere zal alleen maar onnodige vragen geven schat ik’.

Reeds op 31 augustus 2017 heeft [verdachte] namens [bedrijf 1] een (nieuwe) aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend bij de gemeente Lingewaal voor de aanleg van een golfbaan met als toevoeging een geïntegreerde geluidswal. De omgevingsvergunning is op 4 mei 2018 aan [bedrijf 1] verleend.

Storten van de staalslakken

In de periode van 16 november 2017 tot aan de stillegging op 22 maart 2019 is er door [bedrijf 1] een hoeveelheid van circa 670.000 ton staalslakken gestort op het terrein aan de [adres 1] in [plaats] . De staalslakken zijn gedurende die periode in delen (dagelijks) per schip en vrachtwagen aangevoerd. Een deel van de staalslakken is vanaf medio november 2017 gestort op de parkeerplaats die eerder is aangelegd door Dura Vermeer. Vanaf medio mei 2018 is het overige deel van de staalslakken gestort op de bodem van de aan te leggen golfbaan en geluidswal.

Toezicht en stillegging van het project

Zowel door de ODR als het Waterschap Rivierenland (verder: het waterschap) werd toezicht gehouden op de werkzaamheden die werden verricht op het terrein in [plaats] . In mei 2018 ziet toezichthouder [naam 6] van het waterschap (verder: [naam 6]) tijdens een luchtsurveillance voor het eerst een witte, onbekende vloeistof op het terrein liggen. In juli 2018 is onder andere [verdachte] er door toezichthouder [naam 7] van het waterschap (verder: [naam 7]) op gewezen dat het niet is toegestaan om (hemel)water, dat na contact met de staalslakken op het terrein mogelijk verontreinigd is geraakt, te laten afspoelen naar oppervlaktewater. Op 18 januari 2019 heeft [naam 7] geconstateerd dat er toch uitloging naar een watergang heeft plaatsgevonden. Hij zag dat het water grijs was gekleurd en dat er sprake was van grijze afzettingen op het talud en op de bodem van de watergang. Nadat [naam 7] deze bevindingen per e-mail heeft gedeeld met onder andere [bedrijf 1] , heeft [verdachte] op 23 januari 2019 laten weten dat zij hiervan op de hoogte waren en dat ze het gingen herstellen. Op 7 februari 2019 heeft [naam 7] geconstateerd dat de betreffende watergang grotendeels weer schoon was. Hij zag dat de staalslakken twee à drie meter van de watergangen waren getrokken en dat er klei was neergelegd om uitspoeling tegen te gaan.

Op 22 februari 2019 zagen toezichthouders van de ODR diverse plassen op het terrein. De plassen hadden geen heldere kleur. [verdachte] verklaarde hierover tegenover een medewerker van de ODR dat deze kleur waarschijnlijk werd veroorzaakt door kalk die is vrijgekomen in de staalslakken nadat deze in contact waren gekomen met hemelwater. Naar aanleiding daarvan heeft het waterschap onderzoek gedaan naar de kwaliteit van het oppervlaktewater rondom het terrein waarop de staalslakken zijn gestort. Er is een monster genomen van de witte onbekende vloeistof dat in een plas op de staalslakken lag en er is een drietal steekmonsters genomen van het oppervlaktewater in de omliggende watergangen. In de bemonsteringen zijn zware metalen aangetroffen die worden gekwalificeerd als zeer zorgwekkende stoffen. Ook had één van de monsters van het oppervlaktewater een zeer hoge pH-waarde. Naar aanleiding van deze bevindingen is het project op 22 maart 2019 stilgelegd door de ODR. Dit is mondeling medegedeeld aan [verdachte] . Vanaf dat moment heeft [bedrijf 1] alleen werkzaamheden mogen verrichten op het terrein in overleg met en na goedkeuring van het bevoegd gezag.

Toezicht en verricht onderzoek na de stillegging

Op 27 maart 2019, 4 april 2019 en 12 juni 2019 is er door een toezichthouder van het waterschap waargenomen dat er een vloeistof vanaf het terrein waarop de staalslakken zijn aangebracht, afstroomde naar het oppervlaktewater. In alle gevallen bevatte de vervolgens bemonsterde vloeistoffen zware metalen en in één geval had een monster een hoge

pH-waarde. Op zowel 4 april 2019 als 12 juni 2019 is [verdachte] door het waterschap gewezen op de afstroming van verontreinigd water. Beide keren heeft [verdachte] aangegeven dat hij opdracht zou geven om de lozing te beëindigen. Op 14 augustus 2019 is wederom waargenomen dat er percolaatwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Uit analyseresultaten van de bemonsterde vloeistof volgen dat deze zware metalen bevatte en een hoge pH-waarde had.

Op 29 augustus 2019 is in opdracht van het Functioneel Parket onderzoek verricht op het perceel waar de staalslakken zijn toegepast. Er zijn onder andere op vijf plekken grondboringen verricht door het daartoe gecertificeerde bedrijf VCMi (Veldwerk, Controles en Milieu-inspecties) met als doel om de bodemopbouw op die plekken te kunnen vaststellen. Uit de vijf boorprofielen volgen dat op geen van de vijf locaties een laag doorlatend zand was aangebracht onder de staalslakken. Op twee van de vijf locaties was geen kleilaag direct onder de staalslakken aanwezig.

Lozingen in de periode 2 oktober 2019 tot en met 26 februari 2020

In de periode van 2 oktober 2019 tot en met 26 februari 2020 is in totaal vijf keer geconstateerd dat er water vanaf het terrein waarop de staalslakken door [bedrijf 1] zijn aangebracht, afstroomde naar oppervlaktewater.

2 oktober 2019

Op 2 oktober 2019 is geconstateerd dat er een vloeistof vanuit het talud in het oppervlaktewater van de C-watergang met nummer [nummer 1] stroomde. Uit de analyse van de genomen steekmonsters volgt dat de vloeistof een pH-waarde had van meer dan twaalf

en een gehalte van 610 microgram calcium per liter water bevatte.

18 oktober 2019

Op 18 oktober 2019 is geconstateerd dat er een vloeistof vanuit het talud in het oppervlaktewater van de B-watergang met nummer [nummer 2] stroomde. Uit de analyse van de genomen steekmonsters volgt dat de vloeistof een pH-waarde had van 9,7 en een gehalte van 31 microgram calcium per liter water bevatte.

6 december 2019

Op 6 december 2019 is geconstateerd dat er een vloeistof vanuit het talud in het oppervlaktewater van een watergang nabij het perceel met het kadastrale nummer [nummer 5] sijpelde. Vanwege de geringe hoeveelheid van deze vloeistof, worden er steekmonsters genomen van het oppervlaktewater wat zich bevindt op de plek waar de vloeistof in de watergang sijpelde. Uit de analyse van de genomen monsters volgt dat de vloeistof een pH-waarde had van meer dan twaalf en een gehalte van 330 microgram calcium per liter water bevatte.

29 januari 2020

Op 29 januari 2020 is geconstateerd dat er een vloeistof aan de buitenzijde van een kleidijk, die rondom de staalslakken is opgeworpen, uit het talud van de dijk percoleerde. Door een verbalisant is waargenomen dat deze vloeistof zich verspreidde over de onbeschermde bodem en vervolgens in de rietkraag van de C-watergang met nummer [nummer 3] stroomde. Uit de analyse van de genomen steekmonsters volgt dat de afstromende vloeistof een pH-waarde had van 11,6 en een gehalte van 35 microgram calcium per liter water bevatte.

26 februari 2020

Op 26 februari 2020 is ten slotte geconstateerd dat er een vloeistof over de rijplaten op het perceel stroomde. Door een verbalisant is waargenomen dat deze vloeistof zich verspreidde over de onbeschermde bodem en vervolgens in de C-watergang met nummer [nummer 4] stroomde. Uit de analyse van de genomen steekmonsters volgt dat de afstromende vloeistof een pH-waarde had van 10,5 en een gehalte van 30 microgram calcium per liter water bevatte.

Voor de lozingen was, zo blijkt uit het dossier, geen vrijstelling of vergunning verleend.

[verdachte] heeft verklaard dat hij wist dat uitspoeling van vloeistoffen die in contact waren geweest met staalslakken naar het oppervlaktewater moest worden voorkomen.

Getuigen

Meerdere getuigen hebben verklaard over de wijze waarop de staalslakken op het perceel aan de [adres 1] zijn gestort. Getuige [getuige 1] en aangever [aangever] hebben verklaard dat zij zagen dat er in het najaar van 2018 staalslakken werden gestort op de kale, onbeschermde grond op het perceel. Dit is in diezelfde periode ook gezien door toezichthouder [naam 6]. Getuige [getuige 1] heeft daarnaast gezien dat de staalslakken boven op een laag water van twintig à vijfentwintig centimeter werden gestort.

Ook getuigen [getuige 2] en [getuige 3] hebben een verklaring afgelegd. Zij hebben als graaf- dan wel shovelmachinist in opdracht van [bedrijf 1] werkzaamheden verricht met betrekking tot de toepassing van staalslakken op het terrein in [plaats] . Zij hebben verklaard dat zij nooit enige instructie hebben gekregen van [verdachte] of [naam 1] over de wijze waarop de staalslakken moesten worden toegepast op de bodem en dat er met hen nooit is gesproken over het feit dat er onder de staalslakken een laag doorlatend zand van ten minste een halve meter moest worden aangebracht. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij zowel door [verdachte] als [naam 1] werd aangestuurd in zijn werkzaamheden. Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij voornamelijk werd aangestuurd door [naam 1] .
4.4.2
Gewijzigde wetgeving

Met ingang van 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Gelijktijdig zijn de Waterwet en de Wet bodembescherming komen te vervallen.

Overtreding van het bepaalde in artikel 6.2 van de Waterwet (vervallen) is thans strafbaar gesteld in artikel 5.1 lid 2 sub c van de Omgevingswet juncto de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten. Overtreding van het bepaalde in artikel 13 Wet bodembescherming (eveneens vervallen) is – voor zover sprake is van aanzienlijke nadelige gevolgen - thans strafbaar gesteld in artikel 1.7a van de Omgevingswet juncto de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ter zake van de strafwaardigheid geen gewijzigde inzichten gelden.

De Omgevingswet bevat voor zover hier van belang geen overgangsrecht. Nu de Omgevingswet dezelfde gedragingen strafbaar stelt als de Waterwet en de Wet bodembescherming en ook de daarmee corresponderende strafbedreiging niet gewijzigd zijn in gunstiger zin voor de verdachte, dient het ten laste gelegde te worden beoordeeld aan de hand van het ten tijde van het delict geldende recht. Deze wetswijzigingen zijn voor deze strafzaak derhalve niet van belang.
4.4.3
Overwegingen van de rechtbank ten aanzien van feit 1

Ten aanzien van feit 1 primair

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat op basis van het dossier niet wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan. De rechtbank zal verdachte daarvan vrijspreken.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair

Verdachte wordt er onder feit 1 subsidiair van verweten feitelijke leiding te hebben gegeven aan het door [bedrijf 1] opzettelijk niet voldoen aan de zorgplicht zoals bedoeld in artikel 13 Wbb (oud).

Bij de beantwoording van de vraag of een verdachte strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld ter zake van het feitelijke leidinggeven aan een door een rechtspersoon verrichte verboden gedraging, dient eerst te worden vastgesteld of die rechtspersoon een strafbaar feit heeft gepleegd of daaraan heeft deelgenomen. Ingeval de delictsomschrijving van het strafbare feit waarvan de rechtspersoon wordt verdacht, opzet vereist (zoals in deze casus het geval is), dient ook dat opzet van de rechtspersoon te worden vastgesteld. Als die vragen bevestigend worden beantwoord, komt de vraag aan de orde of bewezen kan worden dat verdachte daartoe opdracht heeft gegeven of aan die gedragingen feitelijke leiding heeft gegeven.

De rechtbank ziet zich derhalve eerst voor de vraag gesteld of [bedrijf 1] zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk schenden van de zorgplicht zoals bedoeld in artikel 13 Wbb (oud). De rechtbank overweegt daartoe – op basis van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden – als volgt.

Juridisch kader van artikel 13 Wbb (oud)

Op een ieder die op of in de bodem handelingen als bedoeld in artikel 6 tot en met 11 Wbb (oud) verricht, rust ingevolge artikel 13 Wbb (oud) de verplichting om ervoor te zorgen dat de bodem door die handelingen niet wordt verontreinigd of aangetast. Deze zorgplicht bestaat enerzijds uit het nemen van maatregelen ter voorkoming van een verontreiniging en anderzijds, in het geval zich een verontreiniging voordoet, uit het nemen van maatregelen om de gevolgen daarvan te beperken of ongedaan te maken. Er dienen preventieve maatregelen te worden genomen indien degene die de veroorzakende handeling verricht weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat de bodem als gevolg van die handeling kan worden verontreinigd. Voor een overtreding van artikel 13 Wbb (oud) is dus in zoverre niet vereist dat zich reeds een daadwerkelijke verontreiniging van de bodem heeft voorgedaan. Als er toch een verontreiniging optreedt, dienen maatregelen te worden genomen om de verontreiniging en de directe gevolgen daarvan te beperken dan wel zoveel mogelijk ongedaan te maken. De zorgplicht omvat in beide gevallen het nemen van ‘alle maatregelen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevergd’.

Schending van de zorgplicht door [bedrijf 1]

Op basis van de hiervoor uiteengezette feiten en omstandigheden wordt vastgesteld dat [bedrijf 1] op meerdere tijdstippen in de periode van 16 november 2017 tot en met 22 maart 2019 LD-staalslakken heeft toegepast in of op de bodem op het perceel gelegen aan de [adres 1] in [plaats] . Het verweer van de verdediging inhoudende dat een gedeelte van dit perceel, te weten de met puingranulaat aangelegde parkeerplaats, geen bodem is in de zin van artikel 1 Wbb (oud), volgt de rechtbank niet. Volgens artikel 1 Wbb (oud) is de definitie van een bodem ‘het vaste deel van de aarde met de zich daarin bevindende vloeibare en gasvormige bestanddelen en organismen’. Hoewel een puinlaag inderdaad niet altijd onderdeel uitmaakt van de bodem als bedoeld in de Wbb (oud), volgt uit rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State dat een stortlaag die voor minder dan vijftig procent uit bodemvreemd materiaal bestaat nog steeds als bodem in de zin van de Wbb (oud) moet worden beschouwd. Uit geen van de boorprofielen van het verrichte PD-onderzoek volgt dat op het perceel aan de [adres 1] sprake is van een bodem die voor meer dan vijftig procent uit puingranulaat (bodemvreemd materiaal) bestaat. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Niet betwist is, en zo blijkt ook uit de bewijsmiddelen, dat het brengen van staalslakken in of op de bodem een handeling betreft die naar haar aard geschikt is om de bodem te verontreinigen of aan te tasten. Bij de toepassing van staalslakken bestaat het risico dat de vrije kalk in de staalslakken uitloogt en in contact komt met (grond)water. In het water kan die uitlogende kalk een sterk verhoogde pH-waarde veroorzaken en tot bodemverontreiniging leiden.

[bedrijf 1] was, reeds voordat zij betrokken was bij het project in [plaats] , bekend met de toepassingsrisico’s van staalslakken. Namens [bedrijf 1] is door [verdachte] verklaard dat hij wist dat het brengen van staalslakken op of in de bodem, vanwege het risico op uitloging van vrije kalk, in de bodem kon leiden tot een verhoogde pH-waarde. [verdachte] is hierover tijdens een voorlichting van [bedrijf 8] geïnformeerd en daarnaast heeft hij met het ondertekenen van zowel de opdrachtbevestiging als de vrijwaringsverklaring van [bedrijf 8] namens [bedrijf 1] verklaard de gebruiksinstructie met kenmerk N13.01c van 17 juli 2013 te hebben gelezen. In deze gebruiksinstructie is het risico op een verhoging van de pH-waarde beschreven. Ook heeft [verdachte] met het ondertekenen van de vrijwaringsverklaring van [bedrijf 8] namens [bedrijf 1] verklaard volledig geïnformeerd te zijn over en bekend te zijn met de toepassingsrisico’s van staalslakken. Uit de e-mail die [verdachte] op 29 augustus 2016 naar [bedrijf 8] heeft gestuurd, blijkt bovendien dat [bedrijf 1] wist dat staalslakken op een veilige manier moesten worden toegepast om negatieve effecten te voorkomen.

Nu [bedrijf 1] ermee bekend was dat de toepassing van staalslakken kon leiden tot een verontreiniging van de bodem, of dit gelet op het hiervoor overwogene in ieder geval redelijkerwijs had kunnen vermoeden, rustte op haar ingevolge artikel 13 Wbb (oud) de verplichting om alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van haar konden worden gevergd ter voorkoming van een eventuele verontreiniging.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld welke maatregelen in redelijkheid van [bedrijf 1] gevergd konden worden. De ‘hamvraag’ in het dossier is of [bedrijf 1] kennis had van het productcertificaat K131133-01 LD ZV van 1 januari 2017 (hierna: het Productcertificaat) waarin de destijds geldende toepassingsvoorwaarden voor het gebruik van staalslakken zijn opgenomen. [verdachte] heeft hierover verklaard dat hij dit productcertificaat pas in de zomer van 2019, na de stillegging van het project, heeft ontvangen van [bedrijf 8] en dat hij dus ten tijde van het storten van de staalslakken geen kennis had van de inhoud van dit productcertificaat. Op basis van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden concludeert de rechtbank dat [verdachte] , en daarmee [bedrijf 1] , reeds voorafgaand aan het toepassen van de staalslakken in [plaats] kennis had van het Productcertificaat. Zo was het Productcertificaat, althans een kopie daarvan, als bijlage onderdeel van de opdrachtbevestiging van [bedrijf 8] die [verdachte] op 18 juli 2017 namens [bedrijf 1] heeft ondertekend en heeft [verdachte] ditzelfde (kopie)Productcertificaat vervolgens op 10 november 2017 nogmaals per e-mail van [bedrijf 8] ontvangen. Bovendien blijkt uit het dossier dat [verdachte] het Productcertificaat op 1 december 2017 aan [naam 5] en [naam 2] van [bedrijf 2] heeft gemaild. Wat er ook van zij dat het door [verdachte] meegestuurde productcertificaat slechts uit één pagina bestond en niet was voorzien van de rode opdruk ‘KOPIE. Ongeldig als bewijsmiddel’, ook deze e-mail bevestigt naar het oordeel van de rechtbank dat [verdachte] op dat moment reeds over het Productcertificaat beschikte. De rechtbank stelt dan ook vast dat [bedrijf 1] – in ieder geval vanaf de start van de werkzaamheden in november 2017 – kennis had van het Productcertificaat en – ten minste –van de daarin opgenomen toepassingsvoorwaarden.

Op pagina 2 van het Productcertificaat worden de toepassingsvoorwaarden van het gebruik van staalslakken beschreven. Hierin is onder andere vermeld dat staalslakken niet mogen worden toegepast in direct contact met grondwater en dat daartoe (onder meer) een laag doorlatend zand onder de staalslakken moet worden aangebracht, met een dikte van ten minste 0,50 meter. Deze zandlaag wordt ook wel een capillair onderbrekende laag genoemd.

Aan deze voorwaarde is niet voldaan. Uit de boorprofielen van de op 29 augustus 2019 verrichte grondboringen volgt dat er geen laag doorlatend zand is aangebracht onder de staalslakken. Dit komt overeen met de getuigenverklaringen waaruit volgt dat de staalslakken op de onbeschermde bodem zijn gestort. Uit de boorprofielen volgt daarnaast dat er op drie van de vijf locaties een kleilaag onder de staalslakken aanwezig is. Dit komt overeen met de verklaring van [verdachte] dat onder een deel van de staalslakken een kleilaag is aangebracht. Uit het dossier blijkt echter niet, zoals door de verdediging is gesteld, dat door een professionele partij aan [bedrijf 1] kenbaar was gemaakt dat een kleilaag ook zou volstaan als capillair onderbrekende laag. De rechtbank gaat daarom voorbij aan dit verweer.

Nu de rechtbank enkel de resultaten van de op 29 augustus 2019 verrichte grondboringen (de boorprofielen) voor het bewijs bezigt, behoeft het bewijsuitsluitingsverweer van de verdediging – inhoudende dat de op 29 augustus 2019 geplaatste peilbuizen niet conform de daartoe geldende voorschriften zijn geplaatst – verder geen bespreking.

Door de geldende toepassingsvoorwaarden niet na te leven, terwijl [bedrijf 1] wist of in ieder geval redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat de toepassing van staalslakken bodemverontreiniging kon veroorzaken, heeft zij naar het oordeel van de rechtbank niet alle maatregelen genomen die redelijkerwijs van haar konden worden gevergd om een verontreiniging van de bodem te voorkomen. [bedrijf 1] heeft daarmee de op haar rustende zorgplicht van artikel 13 Wbb (oud) geschonden. Nu het in zoverre gaat om een preventieve zorgplicht, is daarvoor niet vereist dat wordt vastgesteld dat zich daadwerkelijk een verontreiniging heeft voorgedaan.

De omstandigheid dat er mogelijk ook bodemverontreiniging zou zijn opgetreden als [bedrijf 1] wél aan de toepassingsvoorwaarden van het productcertificaat zou hebben voldaan, zoals door de verdediging is gesteld, doet aan het voorgaande niet af. Door bij de toepassing van de staalslakken niet te voldoen aan de toepassingsvoorwaarden van het productcertificaat, heeft [bedrijf 1] niet alle maatregelen getroffen die op dat moment redelijkerwijs van haar gevergd konden worden.

Voor zover het onder 1 ten laste gelegde ziet op het nalaten om maatregelen te treffen ter ongedaanmaking of beperking van de gevolgen van een bodemverontreiniging, zal de rechtbank [bedrijf 1] vrijspreken. Het project is met ingang van 22 maart 2019 stilgelegd door de ODR en [bedrijf 1] mocht vanaf dat moment alleen maatregelen nemen in overleg met en na goedkeuring van het bevoegd gezag. De overig gevoerde verweren van de verdediging behoeven gelet daarop geen bespreking.

Toerekening aan de verdachte rechtspersoon

De rechtbank stelt voorop dat een rechtspersoon als dader van een strafbaar feit kan worden aangemerkt indien de gedraging in redelijkheid aan de rechtspersoon toegerekend kan worden. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de verboden gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon.

De rechtbank overweegt dat de verwerking van grond en bouwstoffen behoort tot de reguliere werkzaamheden van [bedrijf 1] . Uit de vastgestelde feiten en omstandigheden blijkt dat zij verantwoordelijk was voor de aanvoer en verwerking van de staalslakken en dat zij – als opdrachtnemer en afnemer van de staalslakken – verantwoordelijk was voor de uitvoering van de werkzaamheden op een wijze die in overeenstemming was met de daaraan gestelde eisen en verplichtingen.

De rechtbank is gezien het voorgaande van oordeel dat het hiervoor beschreven handelen plaatsvond in de sfeer van de rechtspersoon en daarom aan [bedrijf 1] kan worden toegerekend.

Opzet van de verdachte rechtspersoon

In het economisch strafrecht moet de term opzet worden uitgelegd als kleurloos opzet. Dit betekent dat voor een bewezenverklaring van het opzettelijk begaan van een dergelijk delict niet vereist is dat het opzet van de verdachte was gericht op het niet naleven van de in de bewezenverklaring bedoelde wettelijke verplichtingen. Voldoende is dat het opzet is gericht op de feitelijke gedragingen.

Het handelen van [bedrijf 1] is te kwalificeren als opzettelijk. Zoals hiervoor overwogen, was zij bekend met de toepassingsrisico’s en de toepassingsvoorwaarden van staalslakken en heeft zij desondanks nagelaten om aan deze voorwaarden te voldoen. In dit nalaten ligt het opzettelijk handelen van [bedrijf 1] besloten. Dat het schenden van een zorgplichtbepaling, waaronder de zorgplichtbepaling van artikel 13 Wbb (oud), niet opzettelijk kan worden begaan, zoals door de verdediging is bepleit, vindt geen steun in het recht.

Feitelijke leidinggeven

De rechtbank acht op basis van voornoemde bewijsmiddelen en overwegingen bewezen dat [bedrijf 1] een strafbaar feit heeft gepleegd. De vraag is of verdachte ter zake daarvan als feitelijk leidinggevende kan worden aangemerkt. De rechtbank overweegt daarover als volgt.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte, naast [naam 1] , in de ten laste gelegde periode (indirect) bestuurder was van [bedrijf 1] en dat hij, mede gezien de handelingen die hij in die hoedanigheid namens [bedrijf 1] verrichtte, zeggenschap had over de bedrijfsactiviteiten. Zo initieerde en onderhield verdachte belangrijke contacten, ondertekende hij overeenkomsten namens [bedrijf 1] en stuurde hij werkzaamheden aan.

De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat [bedrijf 1] bij de toepassing van staalslakken op het terrein in [plaats] niet heeft voldaan aan de toepassingsvoorwaarden in het Productcertificaat en daarmee niet alle maatregelen heeft getroffen die, ter voorkoming van bodemverontreiniging, redelijkerwijs van haar konden worden gevergd. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte bekend was met de toepassingsrisico’s van staalslakken en de toepassingsvoorwaarden in het Productcertificaat. Zo heeft verdachte de voorlichting bij [bedrijf 8] bijgewoond en is hij, onder meer door middel van het tekenen van de opdrachtbevestiging van [bedrijf 8], bekend geraakt met de inhoud van het Productcertificaat. Verdachte wist dat de staalslakken niet in overeenstemming met de vereiste toepassingsvoorwaarden op het terrein in [plaats] werden gestort en was bekend met het feit dat dit bodemverontreiniging kon veroorzaken. Ondanks deze wetenschap heeft verdachte nagelaten passende maatregelen ter voorkoming van de verboden gedraging te nemen. Verdachte was hiertoe bevoegd en uit hoofde van zijn functie redelijkerwijs gehouden, te meer nu hij namens [bedrijf 1] de vrijwaringsverklaring van [bedrijf 8] had ondertekend. Dit maakt ook dat, voor zover ook [naam 1] de werkzaamheden op het terrein aanstuurde, verdachte [naam 1] had moeten aanspreken over de wijze waarop de staalslakken op het terrein werden toegepast. Dit heeft verdachte blijkens het dossier niet gedaan.

Voor zover door de verdediging is bepleit dat verdachte geen opzet had op de verboden gedraging, verwerpt de rechtbank het verweer. Gezien het voorgaande was het opzet van de verdachte, minst genomen in voorwaardelijke zin, op het verrichten van de verboden gedraging gericht.

De rechtbank is daarmee van oordeel dat verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan het door [bedrijf 1] gepleegde strafbare feit.

Concluderend

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat [bedrijf 1] de op haar rustende zorgplicht meermaals opzettelijk heeft geschonden door geen maatregelen te nemen ter voorkoming van een verontreiniging dan wel aantasting van de bodem. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan deze verboden gedraging van [bedrijf 1] .
4.4.4
Overwegingen van de rechtbank ten aanzien van feit 2

Ten aanzien van feit 2 primair

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat op basis van het dossier niet wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan. De rechtbank zal verdachte daarvan vrijspreken.

Ten aanzien van feit 2 subsidiair

Verdachte wordt er onder feit 2 subsidiair van verweten feitelijke leiding te hebben gegeven aan het door [bedrijf 1] meermalen opzettelijk lozen van verontreinigd water vanaf het terrein waarop staalslakken lagen, in het oppervlaktewater. De rechtbank overweegt daarover als volgt.

De lozingen

Op basis van de vastgestelde feiten en omstandigheden wordt geconcludeerd dat op de in de tenlastelegging genoemde data percolaatwater vanaf het terrein waarop LD-staalslakken lagen – vanuit een talud en/of over de onbeschermde bodem – in het oppervlaktewater is gestroomd. Uit analyse van de steekmonsters van het afgevloeide water volgt dat het water telkens een (aanzienlijke) hoeveelheid kalk bevatte en een hoge pH-waarde had. Voor deze lozingen had [bedrijf 1] geen vergunning of vrijstelling noch was artikel 6.3 van de Waterwet (oud) van toepassing.

Toerekening aan de verdachte rechtspersoon

Om de hiervoor omschreven redenen, waarbij de rechtbank betrekt dat uitloging van staalslakken inherent is aan het gebruik dat in deze van die staalslakken als bouwstof in het kader van de normale werkzaamheden van [bedrijf 1] is gemaakt, rekent de rechtbank ook deze gedragingen toe aan [bedrijf 1] .

Opzet van de verdachte rechtspersoon

Voor zover de verdediging heeft aangevoerd dat er geen sprake was van opzet van [bedrijf 1] , verwerpt de rechtbank dit verweer. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat [verdachte] , bestuurder van [bedrijf 1] , bekend was met het risico van uitspoeling van percolaatwater in het oppervlaktewater en ook met het feit dat het aan [bedrijf 1] was om maatregelen te treffen ter voorkoming daarvan. In de periode voorafgaand aan de ten laste gelegde periode is [verdachte] er herhaaldelijk door het waterschap op gewezen dat er lozingen van verontreinigd water in het oppervlaktewater plaatsvonden. Hoewel [bedrijf 1] maatregelen heeft getroffen om (verdere) afspoeling van verontreinigd water te voorkomen, zijn deze niet effectief gebleken nu zich lozingen bleven voordoen. Dit was [verdachte] , en daarmee [bedrijf 1] , bekend. Door na te laten maatregelen te treffen die wel afdoende waren, heeft [bedrijf 1] telkens bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat er door contact met de staalslakken verontreinigd water zou afstromen naar het oppervlaktewater.

Medeplegen van de verdachte rechtspersoon

Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat [bedrijf 1] het onder 2 ten laste gelegde in een nauwe en bewuste samenwerking met een ander heeft begaan. Naar het oordeel van de rechtbank is het (eigen) medeplegen van de vennootschap met de bestuurder of feitelijk leidinggever niet mogelijk, zodat de rechtbank haar zal vrijspreken van het ten laste gelegde medeplegen.

Feitelijke leidinggeven

De rechtbank is – met inachtneming van hetgeen zij onder 4.4.3 ten aanzien van het feitelijke leidinggeven heeft overwogen – van oordeel dat verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging van [bedrijf 1] . Verdachte was bekend met het feit dat er lozingen vanaf het terrein in het oppervlaktewater plaatsvonden en was bevoegd en uit hoofde van zijn functie redelijkerwijs gehouden om ervoor te zorgen dat er afdoende maatregelen werden getroffen ter beëindiging van de lozingen. Dat verdachte ook wist dat hij hiertoe gehouden was blijkt uit de omstandigheid dat verdachte, elke keer als hij bekend werd met het feit dat er een lozing plaatsvond, aan het waterschap liet weten dat hij opdracht ging geven om dit te verhelpen.

Voor zover door de verdediging is bepleit dat verdachte geen opzet had op de verboden gedraging, verwerpt de rechtbank het verweer. Gezien het voorgaande was het opzet van verdachte, minst genomen in voorwaardelijke zin, op het verrichten van de verboden gedraging gericht.

De rechtbank is daarmee van oordeel dat verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan het door [bedrijf 1] gepleegde strafbare feit.

Concluderend

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat [bedrijf 1] meermalen opzettelijk verontreinigd water in het oppervlaktewater heeft gebracht. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan deze verboden gedraging van [bedrijf 1] .
4.4.5
Het verzoek om aanhouding

Ter zitting heeft de verdediging het (herhaalde) verzoek gedaan om de behandeling van de strafzaak tegen verdachte aan te houden. De verdediging heeft daartoe gewezen op de onduidelijkheid die momenteel bestaat over de milieueffecten van de toepassing van LD-staalslakken en over de vraag of staalslakken überhaupt, zelfs met het toepassen van alle mogelijk te nemen maatregelen, veilig op de bodem kunnen worden toegepast. Deze onduidelijkheid maakt aldus de verdediging dat er op dit moment geen adequate beoordeling van de feiten mogelijk is. Het is daarom noodzakelijk dat de rapportages van het RIVM, waarin meer duidelijkheid zal worden gegeven over de toepassing van staalslakken, worden afgewacht. Daarnaast is de uitkomst van de strafzaak tegen [bedrijf 8] ook relevant voor de beoordeling van de vraag of verdachte enig verwijt kan worden gemaakt met betrekking tot de (onjuiste) toepassing van de staalslakken. De behandeling van de strafzaak tegen verdachte dient derhalve ook in afwachting daarvan te worden uitgesteld.

Het aanhoudingsverzoek van de verdediging is ter zitting van 21 mei 2026 door de rechtbank afgewezen. In het licht van het hiervoor overwogene, en in aanmerking genomen de ‘overall fairness’ van de strafzaak tegen verdachte, blijft de rechtbank bij dat oordeel.

De rechtbank overweegt daarover nog het volgende. Voor zover de verdediging heeft bepleit dat de rapportages van het RIVM moeten worden afgewacht om duidelijkheid te verkrijgen over de milieueffecten van staalslakken, overweegt de rechtbank dat, gezien de omstandigheid dat momenteel een algeheel toepassingsverbod voor het gebruik van staalslakken geldt, te verwachten is dat eventuele toekomstige regelgeving ten aanzien van het gebruik van staalslakken niet gunstiger voor verdachte zal zijn dan de regelgeving die gold ten tijde van het plegen van de onderhavige feiten. Met de voortzetting van de strafzaak wordt verdachte dan ook niet geschaad in enig rechtens te respecteren belang. Daar komt bij dat de rechtbank in het licht van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) heeft te waken tegen een onredelijke vertraging van de strafzaak, te meer nu door verdachte ter zitting kenbaar is gemaakt dat hij tot een afronding van de strafzaak wil komen.

Ook in de omstandigheid dat [bedrijf 8] mogelijk in strafrechtelijke zin een verwijt kan worden gemaakt, ziet de rechtbank – in het bijzonder in het licht van hetgeen de rechtbank heeft overwogen over de zorgplicht van [bedrijf 1] en de rol van verdachte daarin – geen reden tot uitstel van de strafzaak.
4.5
De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en onder 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 1 subsidiair

[bedrijf 1] B.V. op tijdstippen in de periode van 16 november 2017 tot en met 22 maart 2019 te [plaats] , gemeente [plaats] ,

opzettelijk,

handelingen als bedoeld in artikel 6 tot en met 11 van de Wet bodembescherming (oud) heeft verricht, te weten op een perceel aan of nabij de [adres 1] , aldaar, op of in de bodem brengen van LD staalslakken (Linz-Donawitz) waarin zich vrije kalk bevond dat na contact met (grond)water in de bodem een verhoogde pH-waarde kan veroorzaken, terwijl zij, verdachte, wist althans redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kon worden verontreinigd of aangetast, en niet aan haar verplichting heeft voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van haar konden worden gevergd, teneinde die verontreiniging of aantasting te voorkomen,

zulks terwijl hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging.

feit 2 subsidiair

[bedrijf 1] B.V. op tijdstippen in de periode van 2 oktober 2019 tot en met 26 februari 2020 te [plaats] , gemeente [plaats] ,

opzettelijk,

een stof, te weten een vloeistof waarin zich vrije kalk bevond afkomstig van LD staalslakken (Linz-Donawitz), die aanwezig waren op een perceel aan of nabij de [adres 1] , aldaar, heeft gebracht in watergangen, zijnde oppervlaktewaterlichamen, die waren gelegen langs voornoemd perceel, terwijl:

a. een daartoe strekkende vergunning niet was verleend door Onze Minister dan wel het bestuur van het betrokken waterschap, en

b. daarvoor geen vrijstelling was verleend bij of krachtens algemene maatregel van

bestuur, en

c. artikel 6.3 van de Waterwet (oud) niet van toepassing was, immers

-stroomde op 2 oktober 2019 die vloeistof uit/via een talud in een C-watergang met nummer [nummer 1] , en

-stroomde op 18 oktober 2019 die vloeistof uit/via een talud in een B-watergang met nummer [nummer 2] , en

-stroomde op 6 december 2019 die vloeistof uit/via een talud in een watergang nabij het kadastrale nummer [nummer 5] , en

-stroomde op 29 januari 2020 die vloeistof uit/via een talud en over de onbeschermde bodem in een C-watergang met nummer [nummer 3] , en

-stroomde op 26 februari 2020 die vloeistof over de onbeschermde bodem in een C-watergang met nummer [nummer 4] ,

zulks terwijl hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
<nr>5</nr>De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 13 Wet bodembescherming (oud), artikel 6.2 Waterwet (oud), in combinatie met de artikelen 1a (oud), 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1 subsidiair

het misdrijf: feitelijke leidinggeven aan overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13 van de Wet Bodembescherming (oud), opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;

feit 2 subsidiair:

het misdrijf: feitelijke leidinggeven aan overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 6.2 van de Waterwet (oud), opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.
<nr>6</nr>De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.
<nr>7</nr>De op te leggen straf 7.1
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van driehonderd uren, waarvan honderd uren voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.
7.2
Het standpunt van de verdediging

In het geval van een bewezenverklaring heeft de verdediging verzocht om aan verdachte een geheel voorwaardelijke straf op te leggen. De verdediging heeft daartoe gewezen op de gevolgen die de strafzaak voor verdachte heeft gehad. Verdachte heeft geleden onder de negatieve media-aandacht die gepaard ging met de stillegging van het project en onderhavige strafzaak. Als gevolg van deze aanhoudende media-aandacht, is het voor verdachte nog steeds moeilijk om (met [bedrijf 1] ) nieuwe opdrachten aan te trekken. Verdachte vreest dan ook, gezien zijn financiële situatie, voor het behoud van zijn woning. De verdediging heeft daarnaast gewezen op de omstandigheid dat het oude feiten betreft en dat sprake is van een forse overschrijding van de redelijke termijn. Verdachte heeft gedurende al die tijd in onzekerheid moeten leven over de afdoening van zijn strafzaak. Dit heeft spanning bij verdachte opgeleverd, hetgeen niet bevorderlijk is geweest voor zijn gezondheid nu hij hartklachten heeft.
7.3
De gronden voor een straf

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.

Aard en ernst van de feiten

Verdachte heeft zich – als feitelijke leidinggever aan [bedrijf 1] – schuldig gemaakt aan twee milieu-gerelateerde delicten. Bij de toepassing van een zeer grote hoeveelheid staalslakken op het terrein van [bedrijf 2] , te weten 670.000 ton, heeft [bedrijf 1] niet conform de geldende toepassingsvoorwaarden gehandeld en daarmee herhaaldelijk de op haar ingevolge artikel 13 Wbb (oud) rustende zorgplicht geschonden. Uit hoofde van zijn functie als (mede)bestuurder van [bedrijf 1] was verdachte ertoe gehouden om na te gaan of de staalslakken op de juiste wijze op het terrein werden aangebracht, te meer nu hij bekend was met de toepassingsvoorwaarden en met het feit dat het niet naleven daarvan kon leiden tot bodemverontreiniging. Door dit na te laten heeft verdachte telkens het risico genomen dat er vervuiling van de bodem zou optreden. Daarnaast heeft [bedrijf 1] zich bij herhaling schuldig gemaakt aan het lozen van (door uitloging van staalslakken) verontreinigd water in de watergangen rondom het terrein van [bedrijf 2] . [bedrijf 1] heeft daarmee in strijd gehandeld met de voorschriften die gelden voor het lozen van afvalwater dat in enige mate verontreinigd is geraakt door het contact met inerte goederen, in dit geval staalslakken. Ook ten aanzien daarvan kan het verdachte, als bestuurder van [bedrijf 1] , worden aangerekend dat hij niet adequaat heeft ingegrepen om verdere afspoeling van verontreinigd water te voorkomen.

De toepasselijke wet- en regelgeving heeft tot doel potentieel milieuverontreinigende activiteiten te reguleren zodat verontreiniging van het milieu zoveel mogelijk kan worden voorkomen. Verdachte heeft er onvoldoende op toegezien dat deze wet- en regelgeving zou worden nageleefd en daarmee de (mogelijke) nadelige gevolgen voor het milieu ernstig veronachtzaamd.

De rechtbank rekent dit alles verdachte aan, te meer nu van hem als bestuurder, met bovendien een universitaire achtergrond in biologie, zorgvuldig en adequaat handelen mocht worden verwacht. De rechtbank rekent het verdachte ook aan dat hij gedurende het strafrechtelijk onderzoek veelal met een beschuldigende vinger naar anderen heeft gewezen en daarmee geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn eigen strafbare handelen.

Tegelijkertijd houdt de rechtbank in dat verband rekening met de omstandigheid dat alleen verdachte in het kader van onderhavige strafzaak ter verantwoording is geroepen, terwijl ook [naam 1] ten tijde van het toepassen van de staalslakken bestuurder was van [bedrijf 1] en in die periode verantwoording droeg voor het handelen van het bedrijf. Ook heeft verdachte, na de stillegging in maart 2019, namens [bedrijf 1] meegewerkt met het bevoegd gezag om de nadelige effecten van de situatie op het terrein in [plaats] voor zover mogelijk ongedaan te maken.

Persoon van verdachte

De rechtbank houdt rekening met hetgeen door de raadslieden ter zitting naar voren is gebracht over de gevolgen die onderhavige strafzaak, alsook de strafzaak jegens [bedrijf 1] , voor verdachte heeft gehad. De rechtbank acht aannemelijk dat [bedrijf 1] door de stillegging van het project en door de strafzaak (financiële) schade heeft geleden en dat dit alles (nadelige) gevolgen heeft gehad, en nog steeds heeft, voor de bedrijfsvoering van [bedrijf 1] , en daarmee (indirect) voor verdachte.

In het over verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies van 28 april 2026 beschrijft de reclassering de gevolgen die de strafzaak voor verdachte heeft gehad. Vanwege het uitblijven van nieuwe opdrachten voelt verdachte zich genoodzaakt om [bedrijf 1] op korte termijn definitief te sluiten. Dit zal verdachte financieel in de problemen brengen en mogelijk ook gevolgen hebben voor het behoud van zijn woning. De reclassering beschrijft verder dat de strafzaak veel impact op verdachte heeft gehad en dat hij de zaak zo snel mogelijk achter zich wil laten. Gezien de persoon van verdachte en de aard van de strafbare feiten ziet de reclassering geen aanleiding voor begeleiding vanuit de reclassering. Het risico op recidive wordt ingeschat als laag en verdachte is volgens de reclassering in staat om een werkstraf uit te voeren.

De rechtbank heeft tot slot acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 22 april 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.

De op te leggen straf

De ernst van de feiten, waarbij de rechtbank onder andere heeft gelet op de enorme hoeveelheid staalslakken die op de bodem zijn gestort en de risico’s die hierdoor voor het milieu zijn ontstaan, rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank de oplegging van een taakstraf. Alles afwegende, acht de rechtbank in beginsel de oplegging van een taakstraf van 210 uren passend en geboden.

De rechtbank is van oordeel dat er rekening mee moet worden gehouden dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Op 4 augustus 2020 heeft in het kader van het strafrechtelijk onderzoek een doorzoeking plaatsgevonden op onder andere het woonadres van verdachte. Op dat moment is jegens verdachte een handeling verricht waaraan hij in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De rechtbank stelt aldus vast dat op 4 augustus 2020 de redelijke termijn is aangevangen waarbinnen verdachte dient te worden berecht. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting moet worden afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De datum van dit vonnis is 2 juli 2026, wat een overschrijding van de redelijke termijn van bijna vier jaren betekent. Deze forse termijnoverschrijding komt voor rekening van het Openbaar Ministerie, nu niet is gesteld of gebleken dat sprake is van bijzondere omstandigheden die overschrijding van de redelijke termijn kunnen rechtvaardigen.

Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank een taakstraf opleggen voor de duur van 180 uren. De rechtbank ziet gezien het tijdsverloop geen meerwaarde in het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel.
<nr>8</nr>De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 22c, 22d en 57 Sr.
<nr>9</nr>De beslissing
De rechtbank:

vrijspraak

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 primair en onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en onder 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feiten

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 subsidiair, het misdrijf: feitelijke leidinggeven aan overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13 van de Wet Bodembescherming (oud), opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;

feit 2 subsidiair, het misdrijf: feitelijke leidinggeven aan overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 6.2 van de Waterwet (oud), opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren;

- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 (negentig) dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. ten Boer, voorzitter, mr. H. Manuel en mr. R.P. van Campen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Kannegieter, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.

Hoge Raad 19 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:23, r.o. 3.3.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier SEOUL/ONRBA19005 van de politie eenheid Oost-Nederland, Team milieu, en het Waterschap Rivierenland. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Een geschrift, te weten een uittreksel van de Kamer van Koophandel van 2 oktober 2019 betreffende [bedrijf 1] B.V., p. 37 en 38.

Een geschrift, te weten een uittreksel van de Kamer van Koophandel van 31 mei 2019 betreffende [bedrijf 1] B.V., SEO-061-03, p. 1214 en 1215.

Het proces-verbaal van bevindingen mutaties zeggenschap van 7 januari 2020, SEO-061, p. 1208 en 1209.

Een geschrift, te weten een uittreksel van de Kamer van Koophandel van 3 december 2019 betreffende [bedrijf 6] B.V., SEO-061-06, p. 1220 en 1221.

Een geschrift, te weten een uittreksel van de Kamer van Koophandel van 31 mei 2019 betreffende [bedrijf 1] B.V., SEO-061-03, p. 1214 en 1215.

Een geschrift, te weten een uittreksel van de Kamer van Koophandel van 4 december 2019 betreffende [bedrijf 3] B.V., p. 39.

Een geschrift, te weten een omgevingsvergunning van de gemeente Lingewaal van 9 januari 2012, SEO 010-47, pagina 2346 tot en met 2348.

Een geschrift, te weten een e-mailbericht van 3 december 2015 met als onderwerp ‘Tweede baan aan de overzijde van de weg’, SEO-165-02, p. 2399.

Een geschrift, te weten een iCOV-rapportage betreffende [bedrijf 2] B.V., SEO-055-03, p. 1171.

Een geschrift, te weten een Memo van [verdachte] namens [bedrijf 1] B.V. aan [naam 2] van [bedrijf 2] B.V d.d. 19 februari 2016, SEO-165-03, p. 2401 tot en met 2403.

Een geschrift, te weten een e-mailbericht van 3 juni 2016 met als onderwerp ‘RE: Voorstel aanleg geluidswal en voorzieningen Zuidbaan [bedrijf 2] 2016’, SEO-165-06, p. 2407 en 2408.

Het algemeen relaas, p. 18.

Het algemeen relaas, p. 19.

Een geschrift, te weten de ‘Circulaire Toepassing van staalslak en hoogovenslak(zand) in

aanvullingen en ophogingen’ uit de Staatscourant van 6 juli 2005 (nr. 128/pag. 19), SEO-198, p. 2570.

Een geschrift, zijnde een e-mailbericht van 4 maart 2016 met als onderwerp ‘Leverantie staalslakken Project [bedrijf 2] (Zuidbaan), SEO-042-15, p. 1442.

Het proces-verbaal van de zitting van 21 mei 2026, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte; een geschrift, te weten de sheet ‘Randvoorwaarden toepassing’ van de PowerPointpresentatie ‘LD-staalslak en Bbk’, SEO-042-38, p. 289 en 294.

Het proces-verbaal van bevindingen betreffende ‘Bevindingen gevorderde bescheiden [bedrijf 8]’, SEO-084, p. 1432.

Het proces-verbaal van bevindingen betreffende ‘toepassing van de LD-staalslakken’, SEO-078, p. 1402.

Het proces-verbaal van bevindingen betreffende ‘Bevindingen gevorderde bescheiden [bedrijf 8]’, SEO-084, p. 1433.

Een geschrift, te weten de ‘opdrachtbevestiging zandvervangingsproject geluidswal golfbaan [bedrijf 2] te [plaats] ’ van [bedrijf 8] d.d. 18 juli 2017, SEO-042-34, p. 174 tot en met 176.

Een geschrift, te weten het NL BSB productcertificaat K131133/01 ‘Slakken en slakmengsels voor toepassing in GWW-werken. LD -staalslakgroep ZV voor toepassing als niet-vormgegeven bouwstof’ van Kiwa, uitgegeven op 2017-01-01, A1.03.01.001, p. 2545 tot en met 2547.

Een geschrift, te weten de gebruiksinstructie ‘Gebruik van LD-staalslak als ophoogmateriaal in zandvervangingsprojecten’ van [bedrijf 8] met kenmerk N13.01c, gedateerd 17 juli 2013, SEO-042-34-C, p. 187, 190 en 191.

Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 19 oktober 2021, SEO-133, p. 160.

Een geschrift, te weten een overeenkomst van opdracht/bemiddeling/aanneming van werk van [bedrijf 2] d.d. 6 september 2017, SEO-163, p. 165 tot en met 172.

Een geschrift, te weten, een vrijwaringsverklaring van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , SEO-042-34-D, p. 195 en 196.

Een geschrift, te weten een e-mailbericht van [naam 4] van [bedrijf 8] van 10 november 2017 met als onderwerp ‘K1 31 133-01 NL BSB LD ZV - kopie.pdf’, SEO-042-28, p. 295.

Geschriften, te weten een e-mailbericht van 1 december 2017 met als onderwerp ‘RE: certificaat bouwstof’, een e-mailbericht van 3 december 2017 met als onderwerp ‘image002.jpg’, en het NL BSB productcertificaat K131133/01 ‘Slakken en slakmengsels voor toepassing in GWW-werken. LD -staalslakgroep ZV voor toepassing als niet-vormgegeven bouwstof’ van Kiwa, uitgegeven op 2017-01-01, SEO-165-11, p. 204 tot en met 206.

Een geschrift, te weten een aanvraag voor een omgevingsvergunning met aanvraagnummer [nummer 6], ingediend door verdachte op 31-08-2017, SEO-010-15, p. 2330 tot en met 2342.

Een geschrift, te weten een omgevingsvergunning van de gemeente Lingewaal met registratienummer HZ WABO-2017-0106, gedateerd 4 mei 2018.

Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 19 oktober 2021, SEO-133, p. 161 en 162.

Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 20 oktober 2021, SEO-201, p. 267.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 6] van 30 april 2019, SEO-090W, p. 1778 en het bijgevoegde rapport van luchtwaarneming van 9 mei 2018, p. 1782.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 7] van 4 juni 2020, SEO-093W, p. 1817 en 1818; een geschrift, te weten een mailwisseling tussen [naam 7] en [verdachte] d.d. 23 en 24 januari 2019, p. 1832 tot en met 1834.

Een geschrift, te weten een rapport van de Omgevingsdienst Rivierenland genaamd ‘WP2019 [bedrijf 2] controle aanlegvergunning [nummer 7]’ van 30 april 2019, SEO-017-06, p. 780 en 782.

Een geschrift, te weten de ‘rapportage van monstername van water op het terrein van de nieuw aan te leggen golfbaan en watergangen te [plaats] ’, opgemaakt door [naam 8] op 22 februari 2019, p. 1860 tot en met 1862.

Geschriften, te weten een viertal rapporten van AQUON van respectievelijk 5 maart 2019 en 7 maart 2019, p. 1867, 1868, 1871, 1875, 1876, 1879 en 1180.

Het proces-verbaal van bevindingen betreffende ‘PV bevindingen Controlerapporten Omgevingsdienst Rivierenland’ van 27 september 2019, SEO-017, p. 753.

Een geschrift, te weten het rapport van [naam 8] van 7 mei 2019, p. 2183 en het bijgevoegde rapport van AQUON van 29 maart 2019, p. 2189; een geschrift, te weten een rapport van [naam 8] van 14 mei 2019, p. 2193 en 2194 en het bijgevoegde rapport van AQUON van 8 april 2019 , p. 2199 en 2200; een geschrift, te weten een rapport van [naam 8] van 7 augustus 2019, p. 2231 en 2232 en de bijgevoegde rapporten van AQUON van 18 juni 2019, p. 2243, 2244, 2251 en 2252.

Het proces-verbaal van bevindingen monstername [plaats] 14-08-2019 (art. 6.2 lid 1 WW) van 31 oktober 2019, SEO-099W, p. 1888 tot en met 1890 en het bijgevoegde rapport van AQUON van 23 augustus 2019, p. 1899 en 1900.

Het proces-verbaal van bevindingen betreffende ‘PD-onderzoek en monstername’ van 3 september 2019, SEO-041, p. 1072 en 1073.

Het proces-verbaal van bevindingen betreffende ‘Grondboringen PD onderzoek’ van 8 mei 2020, SEO-087, p. 1641 en de bijlage SEO-078-01 op pagina 1642 tot en met 1644.

Het proces-verbaal van bevindingen monstername [plaats] 02-10-2019 (art. 6.2 lid 1 WW) van 17 juni 2020, SEO-110W, p. 2005 tot en met 2008 en het bijgevoegde rapport van AQUON van 10 september 2019, p. 2014 en 2015.

Het proces-verbaal van bevindingen monstername [plaats] 18-10-2019 (art. 6.2 lid 1 WW) van 12 mei 2020, SEO-111W, p. 2066 tot en met 2069 en het bijgevoegde rapport van AQUON van 13 december 2019, p. 2077 en 2078.

Het proces-verbaal van bevindingen [naam 9] inzake de [adres 1] te [plaats] van 2 december 2020, SEO-174W, p. 2488 en 2489 en het bijgevoegde rapport van AQUON van 13 december 2019, p. 2483; een geschrift, te weten de situatietekening 6 december 2019 d.d. 10 december 2019, p. 2472.

Het proces-verbaal van bevindingen monstername [plaats] 29-01-2020 (art. 6.2 lid 1 WW) van 12 mei 2020, SEO-113W, p. 2099 en 2100 en het bijgevoegde rapport van AQUON van 4 februari 2020, p. 2110 en 2111.

Het proces-verbaal van bevindingen monstername [plaats] 26-02-2020 (art. 6.2 lid 1 WW) van 12 april 2020, SEO-114W, p. 2118 en 2119 en het bijgevoegde rapport van AQUON van 5 maart 2020, p. 2131 en 2132.

Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 21 oktober 2021, SEO-201, p. 267.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 17 september 2019, SEO-046, p. 101; het proces-verbaal van aangifte van J.D. [aangever] van 17 juni 2019, SEO-003, p. 558.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 6] van 30 april 2019, SEO-091W, p. 1785.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 17 september 2019, SEO-046, p. 101.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] bij de rechter-commissaris van 19 januari 2026, p. 2 tot en met 4; het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] bij de rechter-commissaris van 19 januari 2026, p. 2 tot en met 4.

Wanneer de rechtbank hierna spreekt van bodemverontreiniging, bedoelt zij daarmee ook aantasting van de bodem.

HR 6 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2976, r.o. 2.5.1.

ABRvS 9 januari 2008, ECLI:RVS:2008:BC1508, r.o. 2.4.3.

Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] van 19 oktober 2021, SEO-133, p. 160.

HR 4 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2247.

Artikel delen