Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBOVE:2026:4649

Sluiting pand met toepassing van artikel 13b Opiumwet. Last onder bestuursdwang. Beroep gegrond. Onvoldoende is gemotiveerd waarom de sluiting van het pand in dit geval een geschikt en noodzakelijk middel is om het doel van de sluiting te bereiken.

Rechtbank Overijssel 6 August 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBOVE:2026:4649 text/xml public 2026-08-06T12:00:28 2026-07-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-07-30 ak_25_3482 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:4649 text/html public 2026-07-31T11:01:25 2026-08-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:4649 Rechtbank Overijssel , 30-07-2026 / ak_25_3482
Sluiting pand met toepassing van artikel 13b Opiumwet. Last onder bestuursdwang. Beroep gegrond. Onvoldoende is gemotiveerd waarom de sluiting van het pand in dit geval een geschikt en noodzakelijk middel is om het doel van de sluiting te bereiken.
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 25/3482

uitspraak van de enkelvoudige kamer van de rechtbank Overijssel in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser,
hierna te noemen: [eiser],

(gemachtigde: mr. P.W.M. Huisman),

en
de burgemeester van Enschede
hierna te noemen: de burgemeester,

(gemachtigde: [gemachtigde]).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een last onder bestuursdwang van de burgemeester waarbij het pand aan de [adres] (hierna: het pand) voor de duur van zes maanden is gesloten. [eiser] is het daarmee niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de burgemeester onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de sluiting van het pand in dit geval een geschikt en noodzakelijk middel was om het doel van de sluiting te bereiken. [eiser] krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 22 oktober 2025 op het bezwaar van [eiser] is de burgemeester bij het besluit van 1 april 2025, waarbij het pand met ingang van 8 april 2025 voor de duur van zes maanden is gesloten, gebleven.
2.1.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 15 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen:

[naam 1] namens [eiser], bijgestaan door mr. P.W.M. Huisman;

[gemachtigde] namens de burgemeester.
Beoordeling door de rechtbank
De feiten
3.1.
[eiser] is eigenaar en verhuurder van een pand aan de [adres] (hierna: het pand). In het pand was een zonnestudio gevestigd. Het pand was verhuurd aan [naam 2] (hierna: [naam 2]). Op 21 juni 2024 heeft ’s ochtends vroeg een explosie plaatsgevonden bij de hoofdingang van het pand. Dit heeft geleid tot een last onder bestuursdwang van 28 juni 2024 waarbij het pand voor drie maanden is gesloten.
3.2.
Naar aanleiding van het incident op 21 juni 2024 heeft [eiser] stappen gezet om te komen tot beëindiging van de huurovereenkomst. Tussen partijen is niet in geschil dat de huurovereenkomst bij vonnis van deze rechtbank van 6 augustus 2024 is beëindigd. Het pand diende uiterlijk op 30 augustus 2024 ontruimd te zijn. [naam 2] heeft het pand niet ontruimd. Vervolgens is bij deurwaardersexploit van 31 oktober 2024 ontruiming van het pand tegen 3 december 2024 aangezegd.
3.3.
Nog voordat de ontruiming van het pand daadwerkelijk plaatsvond, heeft op 19 november 2024 een doorzoeking van het pand plaatsgevonden naar aanleiding van de constatering van een henneplucht bij het pand. Bij deze doorzoeking zijn henneptoppen, hasj, aan softdrugs gerelateerde goederen en een bedrag van € 6.000 aan contant geld aangetroffen. Kort na de doorzoeking van het pand is de ontruiming op 4 december 2024 daadwerkelijk geëffectueerd.
3.4.
Bij het besluit van 1 april 2025 is het pand op grond van het bepaalde in artikel 13b van de Opiumwet voor de duur van zes maanden gesloten met ingang van 8 april 2025. [eiser] heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit, van 22 oktober 2025 is het bezwaar ongegrond verklaard.

Inhoudelijke beoordeling

4. De rechtbank stelt vast dat de last onder bestuursdwang inmiddels is uitgewerkt. Omdat het pand als gevolg van de last in de periode van 8 april tot 8 december 2025 was gesloten, kon [eiser] het pand niet verhuren. Niet onaannemelijk is dat [eiser] hierdoor inkomstenverlies heeft geleden. Omdat dit inkomstenverlies rechtstreeks is gerelateerd aan het besluit van 1 april 2025 heeft [eiser] nog altijd belang bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

5. De rechtbank stelt voorop dat de last onder bestuursdwang een herstelmaatregel is, in dit geval met als doel het beëindigen van een geconstateerde overtreding van de Opiumwet, het tenietdoen van de gevolgen daarvan en het voorkomen van verdere overtredingen van de Opiumwet, steeds in of vanuit het pand. Deze maatregel kan de vorm krijgen van een sluiting van het pand voor een bepaalde duur. De burgemeester kan, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, kiezen voor een minder ingrijpend middel, zoals een last onder dwangsom of het geven van een waarschuwing.
6.1.
Vaststaat dat op 19 november 2024 in het pand een handelshoeveelheid verdovende middelen is aangetroffen. De burgemeester was daarom op grond van het bepaalde in artikel 13b van de Opiumwet bevoegd om over te gaan tot sluiting van het pand.
6.2.
De rechtbank overweegt dat de bevoegdheid van de burgemeester om een pand met toepassing van artikel 13b van de Opiumwet te sluiten een discretionaire bevoegdheid is. Bij de toepassing van de deze bepaling dient de burgemeester na te gaan of de sluiting een geschikt en noodzakelijk middel is. Ook dient de burgemeester zich ervan te vergewissen of de sluiting in de gegeven omstandigheden evenwichtig is. Verder dient de burgemeester te beoordelen of de nadelige gevolgen van de sluiting evenredig zijn aan het doel dat hij beoogt met de sluiting te bereiken.
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat de burgemeester onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de sluiting van het pand in dit geval een geschikt en noodzakelijk middel was om het doel van de sluiting te bereiken. De enkele verwijzing naar het Damoclesbeleid Enschede 2025 is in dit verband onvoldoende. Een aantal omstandigheden is hiervoor van belang. Zo was de ontruiming van het pand op 4 december 2024 daadwerkelijk geëffectueerd en heeft [naam 2] het pand verlaten. Hierbij komt dat de burgemeester na de doorzoeking op 19 november 2024 ruim vier maanden heeft gewacht voordat is overgegaan tot oplegging van de last onder bestuursdwang. Niet gemotiveerd is waarom het belang van de beëindiging van de overtreding en het voorkomen van de negatieve effecten daarvan in april 2025 nog aan de orde waren. Verder blijkt uit de overgelegde stukken dat [eiser] na het eerdere incident met betrekking tot het pand, op 21 juni 2024, al stappen had gezet om te komen tot beëindiging van de huurovereenkomst. Dat het pand niet eerder dan begin december 2024 kon worden ontruimd was het gevolg van een politiestaking en niet van nalatigheid aan de kant van [eiser].
6.4.
Het bestreden berust daarom in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet op een deugdelijke motivering en dient om die reden te worden vernietigd.
Conclusie en gevolgen 7.1.
Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. De burgemeester dient, met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen, opnieuw op het bezwaar te beslissen.
7.2.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan [eiser] het door hem betaalde griffierecht vergoeden.
7.3.
De rechtbank ziet aanleiding om de burgemeester te veroordelen in de proceskosten die [eiser] in verband met de behandeling van zijn beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor het indienen van het beroepschrift en voor het verschijnen ter zitting wordt één punt (ter waarde van € 934) toegekend. Ook voor het indienen van het bezwaarschrift en voor het bijwonen van de hoorzitting in bezwaar wordt één punt toegekend. De vergoeding bedraagt daarom in totaal € 3.736.
Beslissing
De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat de burgemeester met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen opnieuw op het bezwaar dient te beslissen;

draagt de burgemeester op het betaalde griffie van € 194 aan [eiser] te vergoeden;

veroordeelt de burgemeester in de proceskosten van [eiser] tot een bedrag van

€ 3.736.

Deze uitspraak is gedaan door mr.W.J.B. Cornelissen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. van der Weij, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op .

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Artikel delen