Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBOVE:2026:4652

Beroep ongegrond. Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Het college heeft de aanvraag om algemene bijstand van 24 februari 2026 terecht afgewezen. Verzoekers zijn uitgesloten van het recht op bijstand omdat zij niet in Nederland wonen en er zijn geen zeer dringende redenen om toch bijstand te verlenen. Er is geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

Rechtbank Overijssel 6 August 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBOVE:2026:4652 text/xml public 2026-08-06T12:00:39 2026-07-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-07-30 ZWO 26/1747 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:4652 text/html public 2026-07-31T11:16:14 2026-08-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:4652 Rechtbank Overijssel , 30-07-2026 / ZWO 26/1747
Beroep ongegrond. Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Het college heeft de aanvraag om algemene bijstand van 24 februari 2026 terecht afgewezen. Verzoekers zijn uitgesloten van het recht op bijstand omdat zij niet in Nederland wonen en er zijn geen zeer dringende redenen om toch bijstand te verlenen. Er is geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummers: ZWO 26/1747 en 26/2014

uitspraak van de voorzieningenrechter op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoeker 1] en [verzoeker 2], uit [woonplaats], verzoekers
(gemachtigde: [gemachtigde 1]),

en
het college van burgemeester en wethouders van Enschede, het college
(gemachtigden: [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3]).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekers om algemene bijstand. Verzoekers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij hebben daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voeren een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen. Verzoekers zijn uitgesloten van het recht op bijstand omdat zij niet in Nederland wonen en er zijn geen zeer dringende redenen om toch bijstand te verlenen. Verzoekers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Inleiding: feiten en procesverloop 2.1.
Verzoekers zijn afkomstig uit Kosovo en beschikken over de Nederlandse nationaliteit. Na een verblijf van zo’n dertig jaar in Zuid-Limburg zijn zij geëmigreerd naar Duitsland waar [verzoeker 1] heeft gewerkt in de transportwereld. Na het faillissement van zijn werkgever ontving [verzoeker 1] achtereenvolgens een werkloosheidsuitkering en een bijstandsuitkering. Verzoekers wonen zelfstandig in [plaats] en ontvangen mantelzorg van hun zoons, die in hetzelfde complex woonachtig zijn.
2.2.
In mei/juni 2025 is bij [verzoeker 1] longkanker geconstateerd waarvoor hij wekelijks in een Duits ziekenhuis wordt behandeld. De ziekte bevindt zich inmiddels in een vergevorderd stadium (stadium IV). [verzoeker 2] lijdt aan hartfalen waarvoor zij dagelijks diverse soorten medicatie gebruikt.
2.3.
Verzoekers hebben hun verblijfsrecht als EU-burger in Duitsland verloren omdat zij niet meer aan de voorwaarden voldoen. Bij vonnis van het Socialgericht Oldenburg van 26 november 2025 is bepaald dat de Duitse zorgverzekering en de verstrekte financiële bijstand op 31 januari 2026 eindigen.
2.4.
Op 8 januari 2026 hebben verzoekers het college gevraagd hen een briefadres te verstrekken. Nadat deze aanvraag was afgewezen, is door de voorzieningenrechter bij uitspraak van 19 februari 2026 bepaald dat het college een briefadres moet verstrekken, wat het college ook heeft gedaan.
2.5.
Op 24 februari 2026 hebben verzoekers een aanvraag ingediend om algemene bijstand. Op de aanvraag hebben verzoekers ingevuld dat zij sinds 31 januari 2026 geen inkomen meer hebben en nu van nul euro moeten leven. Er is dringend geld nodig voor levensmiddelen en om de zorgverzekering bij Menzis te betalen. De polis is binnen, maar zolang er geen geld is voor de premie, kan de noodzakelijke behandeling voor de stadium IV longkanker van [verzoeker 1] in het MST Enschede niet opgestart worden. Dit is levensgevaarlijk omdat de zorg nu stilstaat. Ook is het zonder geld onmogelijk om wekelijks naar Enschede te reizen voor de verplichte postcontrole.
2.6.
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 26 maart 2026 afgewezen. Daaraan ligt ten grondslag dat verzoekers hun hoofdverblijf niet in Nederland hebben, maar in Duitsland. Het in artikel 11, eerste lid, van de Participatiewet (PW) neergelegde territorialiteitsbeginsel sluit iedereen die woonachtig is buiten Nederland uit van het recht op bijstand. Er is ook geen sprake van zeer dringende redenen om alsnog bijstand toe te kennen. Het niet verlenen van bijstand heeft niet tot gevolg dat verzoekers geen beroep meer kunnen doen op medische zorg. Verzoekers hebben aangegeven dat zij nog steeds medische zorg vanuit het ziekenhuis in Duitsland ontvangen. Daarnaast is inmiddels ook een zorgverzekering afgesloten bij Menzis en kunnen verzoekers daarom ook een beroep doen op zorg in Nederland. Ook ontvangen verzoekers maandelijks een bedrag ter hoogte van

€ 599,- vanuit de Allgemeine Ortskrankenkasse (AOK) in Duitsland ten behoeve van medische kosten. Verder verblijven verzoekers in een woning in Duitsland met meerdere bewoners, veelal familieleden, die gezamenlijk de woonlasten betalen.
2.7.
Verzoekers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om de voorlopige voorziening te treffen dat zij een voorschot krijgen op de bijstand voor de duur van de bezwaarprocedure omdat zij al maanden geen inkomen hebben en ernstig ziek zijn. Sinds begin juni 2026 is de toegang tot de Duitse zorg verder onder druk komen te staan doordat behandelingen per geval bij de AOK moeten worden goedgekeurd. De continuïteit van de levensreddende zorg is hiermee onzeker geworden. Het uitblijven van inkomen brengt de toegang tot medische zorg rechtstreeks in gevaar. Ook zijn er oplopende schulden, zowel bij de AOK als anderszins. De gemeente weigert bijstand omdat er geen woning in Nederland is, maar zonder inkomen krijgen verzoekers geen woning. De corporatie (Domijn) bevestigt dat zij maatwerk toepast, maar daarvoor een toezegging van de gemeente over de uitkering nodig heeft, en juist die toezegging weigert de gemeente. Er is sprake van een acute noodsituatie. De zorg in Duitsland loopt niet door en zorg via Menzis is praktisch onbruikbaar vanwege de afstand tot de woning. Het Pflegegeld is bedoeld voor medische kosten, niet voor levensmiddelen. De woonlasten worden door de familie betaald maar die is daardoor zelf in de schulden geraakt.
2.8.
Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 op het bezwaar van verzoekers is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoekers hebben hiertegen beroep ingesteld, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.
2.9.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 28 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekers en de gemachtigden van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. Als de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, kan onmiddellijk uitspraak worden gedaan in de hoofdzaak. Deze situatie doet zich in deze zaak voor en ook verder zijn er geen beletselen om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
3.1.
De voorzieningenrechter toetst een besluit op een aanvraag voor de periode van de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het besluit op die aanvraag. Dat is vaste rechtspraak. In dit geval loopt deze periode van 24 februari 2026 tot en met 26 maart 2026.
3.2.
Uit de zinsnede ‘hier te lande’ in artikel 11, eerste lid, van de PW volgt dat alleen iemand die in Nederland woont aanspraak kan maken op bijstand. Niet in geschil is dat verzoekers wel een briefadres hebben in Enschede, maar dat zij het zwaartepunt van hun persoonlijk leven hebben in Duitsland en daar dus wonen. Zij hebben daarom in beginsel geen recht op bijstand.
3.3.
Het college kan aan een persoon die op grond van artikel 11, eerste lid, van de PW geen recht op bijstand heeft, toch bijstand verlenen als zeer dringende redenen dat noodzakelijk maken. Deze uitzonderingsmogelijkheid staat in artikel 16, eerste lid, van de PW. Zeer dringende redenen als bedoeld in deze bepaling doen zich voor als er een acute noodsituatie is en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Dit is vaste rechtspraak. Een acute noodsituatie kan zich bijvoorbeeld voordoen als een situatie levensbedreigend is of als blijvend ernstig geestelijk of lichamelijk letsel of invaliditeit daarvan het gevolg kan zijn. Een acute noodsituatie doet zich voor als het niet-verlenen van bijstand voor de betrokkene tot ernstige gevolgen leidt, met name voor diens gezondheid. De wetgever heeft bij het begrip ‘zeer dringende redenen’ gedacht aan een extreme situatie en heeft nadrukkelijk niet beoogd een algemene ontsnappingsclausule te bieden. Daarom moet het gaan om een schrijnende situatie waarvan het evident is dat weigering van bijstand zonder meer onaanvaardbaar is. Dit volgt uit eerdere rechtspraak.
3.4.
Verzoekers doen met hun beroep op artikel 16, eerste lid, van de PW een beroep op de uitzondering op de hoofdregel van artikel 11, eerste lid, van de PW. Daarom moeten verzoekers aannemelijk maken dat aan de voorwaarden voor die uitzondering is voldaan. Dit volgt uit vaste rechtspraak. Verzoekers zijn daarin niet geslaagd. Dit oordeel berust op het volgende.
3.5.
Uit de stukken en uit wat is besproken op de zitting komt duidelijk naar voren dat verzoekers zeer ernstig ziek zijn. Ook is duidelijk geworden dat zij veel medische zorg en veel ondersteuning van hun familie nodig hebben. De voorzieningenrechter ziet dat de situatie van verzoekers schrijnend is, maar dit betekent nog niet dat sprake is van een zeer dringende reden als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW op grond waarvan toch bijstand moet worden verleend. Zoals de gemachtigde van verzoekers op de zitting heeft toegelicht, kregen verzoekers in de te beoordelen periode (en overigens ook nu nog) in Duitsland de medische zorg die zij nodig hebben. Hiervoor is wel telkens een beoordeling door de AOK nodig, wat veel tijd en energie kost van verzoekers en hun familie. Ook hebben verzoekers niet aannemelijk gemaakt dat zij in de te beoordelen periode, als dat nodig zou zijn, vanwege gebrek aan financiële middelen niet met familie naar het meest nabije ziekenhuis in Nederland hadden kunnen reizen voor noodzakelijke medische behandelingen, in het geval een beoordeling door de AOK negatief uit was gevallen. Om de benodigde noodzakelijke zorg te verkrijgen was het dus niet nodig dat het college, in afwijking van de hoofdregel, bijstand zou verlenen.
3.6.
Verzoekers hebben verder aangevoerd dat zij geen woning kunnen krijgen in Nederland zolang het college hen geen bijstand verleent. Uit de stukken en uit wat op de zitting is besproken volgt echter dat verzoekers zich kunnen inschrijven op woningen in ieder geval Enschede, en dat, als zij in aanmerking komen voor die woning, de corporatie (Domijn) contact opneemt met het college. De woning blijft dan gereserveerd voor verzoekers, maar sleuteloverdracht vindt dan nog niet plaats totdat het college bevestigt dat een uitkering is toegekend. Door deze samenwerking tussen de corporatie en het college kunnen verzoekers wel een woning én bijstand krijgen in Enschede, als zij aan de overige voorwaarden voor bijstandsverlening voldoen. Er is geen reden om te veronderstellen dat dit in de te beoordelen periode anders was. De voorzieningenrechter merkt daarbij op dat op het moment van de zitting door de corporatie een woning is gereserveerd voor verzoekers en dat er contact is tussen het college en de corporatie over wat er nodig is om de toewijzing van de woning door te laten gaan. De gemachtigden van het college hebben gezegd hiernaar welwillend te willen kijken, maar dat wel een nieuwe aanvraag om algemene bijstand van verzoekers en een beoordeling daarvan door het college nodig is. Verzoekers hebben dus niet aannemelijk gemaakt dat het niet verkrijgen van een woning werd veroorzaakt door de weigering bijstand te verstrekken.
3.7.
Ook de door verzoekers gestelde schulden hebben niet tot een acute noodsituatie geleid. Hierbij is van betekenis dat verzoekers ondanks die schulden in de woning hebben kunnen blijven wonen en medische zorg zijn blijven ontvangen. Verder volgt uit de wetsgeschiedenis dat alleen het feit dat het de belanghebbende ontbreekt aan financiële middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, nog niet leidt tot de conclusie dat gesproken kan worden van zeer dringende redenen om bijstand te verlenen.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college de aanvraag om algemene bijstand van 24 februari 2026 terecht heeft afgewezen. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoekers krijgen daarom het griffierecht niet terug.
Beslissing
De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eikelenboom, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.A.H. Beenen-Oskam, griffier. Uitgesproken in het openbaar op

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Artikel 8:81, vijfde lid

Indien een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan nadat bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld en op dit bezwaar of beroep wordt beslist voordat de zitting heeft plaatsgevonden, wordt de verzoeker in de gelegenheid gesteld beroep bij de bestuursrechter in te stellen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt gelijkgesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende het beroep bij de bestuursrechter.

Artikel 8:86, eerste lid

Indien het verzoek wordt gedaan indien beroep bij de bestuursrechter is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

Participatiewet (PW)

Artikel 11, eerste lid

Iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.

Artikel 16, eerste lid

Aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, kan het college, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van deze paragraaf, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.

Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 23 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:204.

Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 17 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1028 en 8 april 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:643.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:985

Zie de uitspraak van 27 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1192

Kamerstukken II, 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 46/47.

Artikel delen