Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBOVE:2026:4938

Verzoek om een voorlopige voorziening. Bopa. Het bezwaar heeft geen redelijke kans van slagen. De mogelijke motiveringsgebreken ten aanzien van de aspecten geluid en verkeer zijn in de bezwaarfase te herstellen. Het belang van vergunninghouder om door te kunnen bouwen weegt zwaarder dan het belang van verzoeker om de omgevingsvergunning te schorsen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Rechtbank Overijssel 18 August 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBOVE:2026:4938 text/xml public 2026-08-18T12:00:06 2026-08-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-08-11 AK_26_1917 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:4938 text/html public 2026-08-12T11:51:46 2026-08-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:4938 Rechtbank Overijssel , 11-08-2026 / AK_26_1917
Verzoek om een voorlopige voorziening. Bopa. Het bezwaar heeft geen redelijke kans van slagen. De mogelijke motiveringsgebreken ten aanzien van de aspecten geluid en verkeer zijn in de bezwaarfase te herstellen. Het belang van vergunninghouder om door te kunnen bouwen weegt zwaarder dan het belang van verzoeker om de omgevingsvergunning te schorsen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 26/1917
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [eiser] B.V., uit [vestigingsplaats],
(gemachtigde: mr. G. Siebel),

en
het college van burgemeester en wethouders van Zwartewaterland
(gemachtigde: [gemachtigde]).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] uit [woonplaats] (de vergunninghouder).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de door het college verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning aan de [adres 1]. [eiser] is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening in de vorm van de schorsing van de verleende omgevingsvergunning en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van [eiser].

2. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Het bezwaar heeft geen redelijke kans van slagen. De mogelijke motiveringsgebreken ten aanzien van de aspecten geluid en verkeer zijn in de bezwaarfase te herstellen. Het belang van vergunninghouder om door te kunnen bouwen weegt zwaarder dan het belang van [eiser] om de omgevingsvergunning te schorsen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
3. [eiser] exploiteert een kraanverhuurbedrijf aan de [adres 2].

4. Met het bestreden besluit van 17 juni 2026 heeft het college aan de vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een woning aan de [adres 1]. Dit heeft het college gedaan met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa).

5. [eiser] heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

6. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] namens [eiser] (via een onlineverbinding), de gemachtigde van [eiser], de gemachtigde van het college en de vergunninghouder.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
7. De voorzieningenrechter bekijkt of het nodig is om het besluit van het college te schorsen in afwachting van de beslissing op het bezwaar. De voorzieningenrechter geeft daarvoor een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het besluit en daarmee de kans van slagen van het bezwaarschrift en hij relateert dat voorlopige oordeel aan de belangen van [eiser], het college en vergunninghouder bij een schorsing van het besluit. Daarbij geldt dat hoe zekerder de voorzieningenrechter is over de rechtmatigheid van het besluit, hoe minder ruimte er is om gewicht toe te kennen aan de belangen van [eiser] bij het schorsen daarvan. De beoordeling door de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventuele beroepsprocedure niet.

8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt hij verder uit hoe hij tot dit oordeel komt.

Spoedeisend belang

9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, nu vergunninghouder al is gestart met de werkzaamheden en ter zitting is aangegeven dat doorgebouwd zal worden, [eiser] spoedeisend belang heeft bij een beoordeling door de voorzieningenrechter.

Heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?

10. [eiser] stelt zich op het standpunt dat de verleende omgevingsvergunning geen stand kan houden. Zo heeft het college bij de toetsing van het plan aan de omgevingsverordening van de provincie Overijssel aan artikel 4.5 (ladder duurzame verstedelijking) ten onrechte getoetst aan het tweede lid, in plaats van aan het eerste lid. Volgens het eerste lid kan de ontwikkeling niet gerealiseerd worden. Verder heeft het college niet in redelijkheid kunnen concluderen dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, omdat er met betrekking tot het aspect ‘geluid’ onvoldoende rekening is gehouden met de bedrijfsactiviteiten van [eiser] en daardoor niet duidelijk is of er onaanvaardbare geluidshinder zal zijn of niet. Ook is er geen rekening gehouden met de nadelige gevolgen als gevolg van de bouw van de woning voor eventuele uitbreidingsmogelijkheden van het bedrijf. In de ruimtelijke onderbouwing is daarnaast niet ingegaan op de invloed van het verkeer van en naar de [adres 2] en de toename van verkeer op de verkeersveiligheid. Tot slot heeft het college onvoldoende beoordeeld of er sprake is van een plan waarbij verplichte participatie plaats dient te vinden.

11. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is er op onderdelen sprake van een motiveringsgebrek maar is er onvoldoende aanleiding om aan te moeten nemen dat de verleende omgevingsvergunning met een aanvullende motivering niet in stand kan blijven. Hij overweegt hiertoe als volgt.

12. Het college heeft bij de toetsing aan provinciale regelgeving het plan terecht getoetst aan artikel 4.5, tweede lid, van de Omgevingsverordening van de provincie Overijssel. Er is geen sprake van uitleg van de kern Hasselt, op basis waarvan volgens de toelichting op de omgevingsverordening het eerste lid van toepassing zou zijn. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat de beoordeling van het college onjuist is.

13. Ten aanzien van het aspect geluid overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Ter zitting is vast komen te staan dat de afstand van de nieuw te realiseren woning tot de bedrijfsbestemming van [eiser] circa 70 meter is. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstand uit de Handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG van 50 meter tussen een bedrijf met milieucategorie 3.1 en een geluidsgevoelig object. In principe kan het college ervan uitgaan dat, als voldaan wordt aan de richtafstand, er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Onduidelijk is echter of in de huidige situatie met een verwijzing naar de richtafstand kan worden volstaan, of dat het college ook had moeten toetsen aan de normen uit het tijdelijk deel van het Omgevingsplan (de bruidsschat) en/of het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). [eiser] heeft overigens niet concreet onderbouwd of aangetoond dat er sprake is van een overschrijding van deze normen en dit zou moeten leiden tot het weigeren van een bopa. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is dit echter een aspect dat in bezwaar verder onderzocht en aanvullend gemotiveerd dient te worden door het college.

14. Voor wat betreft de beperking van de bedrijfsmogelijkheden van [eiser] is het verder relevant dat op een nog kortere afstand tot het bedrijf een andere woning is gelegen aan de [adres 3]. Het effect van deze reeds aanwezige woning kan daarmee een grotere impact hebben op de bedrijfsmogelijkheden van [eiser] dan de nieuw te bouwen woning aan de [adres 1]. Het college kan dit in bezwaar onderzoeken.Als het gaat om het effect van de nieuwe woning op toekomstige activiteiten binnen de bestemming stelt de voorzieningenrechter verder vast dat [eiser] reeds de maximale mogelijkheden van de bedrijfsbestemming lijkt te hebben ingevuld. Zo is volgens de aanwezige bedrijfsbestemming een bedrijf mogelijk in milieucategorie 2, terwijl op het perceel als uitzondering het huidige kraanverhuurbedrijf (categorie 3.1) is toegestaan. Ook is de aanwezige loods al volledig op de grens van de bedrijfsbestemming gerealiseerd aan de zijde van [adres 1]. Er lijkt daarom geen uitbreiding mogelijk te zijn in omvang van locatie of bedrijfsvoering die milieubelastende effecten met zich meebrengt.

15. Ten aanzien van het aspect verkeer en verkeersveiligheid is in de ruimtelijke motivering behorende bij de omgevingsvergunning aangegeven dat het toevoegen van de woning zal leiden tot circa 9 extra verkeersbewegingen per etmaal en dat dit slechts een geringe impact heeft op de omgeving. Daarbij is geen aandacht besteed aan de verkeersbewegingen van het zwaardere verkeer afkomstig van [eiser] en de invloed daarvan op het woon- en leefklimaat van de [adres 1]. Ook dit kan het college echter nader motiveren in de beslissing op bezwaar. Het lijkt de voorzieningenrechter niet waarschijnlijk dat de verleende omgevingsvergunning om deze reden niet in stand kan blijven.

16. Tot slot overweegt de voorzieningenrechter dat uit het Participatiebeleid fysieke leefomgeving van de gemeente Zwartewaterland volgt dat er enkel bij initiatieven met een grote impact op de omgeving verplichte participatie dient plaats te vinden. Gelet op de impactbarometer van het beleid is er in dit geval geen sprake van een initiatief met een grote impact op de omgeving, waardoor er geen sprake is van verplichte participatie. Initiatiefneemster heeft wel overleg gepleegd met verschillende bewoners en bedrijven in de buurt maar kennelijk geen overleg gepleegd met [eiser], maar gelet op het voorgaande was dat ook niet verplicht.

De belangenafweging

17. Gelet op het voorgaande is mogelijk sprake van een motiveringsgebrek op verschillende punten (geluid en verkeer). Dit is echter te herstellen in de bezwaarfase, waardoor het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter weegt de belangen van de vergunninghouder om door te kunnen met het bouwen van de woning daarom zwaarder dan de belangen van [eiser] om de omgevingsvergunning te schorsen. Overigens heeft vergunninghouder ter zitting bevestigd dat zij weet dat het bouwen zonder dat de omgevingsvergunning onherroepelijk is, voor haar eigen rekening en risico komt.
Conclusie en gevolgen
18. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. Hesseling, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Fortuin, griffier, uitgesproken in het openbaar op

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Artikel delen