Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBOVE:2026:5041

Omgevingswet. Verlening omgevingsvergunning voor het vestigen van een handboogschietterrein. Bopa. Veiligheid van de omgeving. De rechtbank oordeelt dat het college in redelijkheid tot de conclusie is gekomen dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Beroep ongegrond.

Rechtbank Overijssel 24 August 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBOVE:2026:5041 text/xml public 2026-08-24T12:00:25 2026-08-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-08-17 ak_25_2259 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:5041 text/html public 2026-08-19T12:39:07 2026-08-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:5041 Rechtbank Overijssel , 17-08-2026 / ak_25_2259
Omgevingswet. Verlening omgevingsvergunning voor het vestigen van een handboogschietterrein. Bopa. Veiligheid van de omgeving. De rechtbank oordeelt dat het college in redelijkheid tot de conclusie is gekomen dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Beroep ongegrond.
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 25/2259
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats 1] ,
hierna: [eiser] ,

(gemachtigde: mr. M.M. Breukers),

en
het college van burgemeester en wethouders van Hengelo,
hierna: het college,

(gemachtigden: [gemachtigde 1] , [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] ).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [de vergunninghouder], uit [woonplaats 2] (hierna: de vergunninghouder).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een omgevingsvergunning die is verleend ten behoeve van het vestigen van een handboogschietterrein in Hengelo. [eiser] is het niet eens met deze vergunning. Hij voert daartoe aan dat er geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, omdat de veiligheid van zijn woonomgeving niet is gewaarborgd en de reeën in het gebied niet genoeg worden beschermd omdat de voorgeschreven doorgangen van het hekwerk te klein zijn.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de veiligheid van de omgeving en de belangen van de reeën voldoende heeft meegewogen en in redelijkheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat met het verlenen van de omgevingsvergunning sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop en achtergrond
2. Handboogsportvereniging ‘De Vrije Schutter’ (de Vereniging) was voorheen gevestigd aan de Sportlaan Groot Driene in Hengelo. Met het oog op een gewenste verhuizing naar de [adres 1] is bij het college een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend om de vestiging van de Vereniging en het realiseren van een handboogschietterrein aldaar mogelijk te maken.
2.1.
Het terrein aan de [adres 1] bestaat uit twee percelen, die worden gescheiden door de [adres 1]. Het terrein is onderverdeeld in drie velden. Aan de zuidzijde van de [adres 1] ligt veld A. Aan de noordzijde van de [adres 1] liggen de velden B en C. Veld B wordt aan de noordzijde begrensd door de [adres 2]. [eiser] woont aan de [adres 2], tegenover veld B.
2.2.
Het college heeft op de aanvraag beslist en op 28 februari 2025 een omgevingsvergunning verleend voor het vestigen van een handboogschietterrein aan de [adres 3]. De omgevingsvergunning is verleend voor de omgevingsplanactiviteit bouwen en het verrichten van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Hiermee staat de omgevingsvergunning toe dat opstallen worden verplaatst, een sportterrein met parkeergelegenheid wordt aangelegd en het perceel in strijd met het omgevingsplan mag worden gebruikt.
2.3.
[eiser] is het niet eens met de omgevingsvergunning en heeft daartegen bezwaar gemaakt. Met het besluit van 9 juli 2025 heeft het college op dit bezwaar beslist (het bestreden besluit). Het college heeft de bezwaren van [eiser] ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning in stand gelaten. De omgevingsvergunning is, voor zover hier van belang, aangevuld met een vergunningvoorschrift dat inhoudt dat de Vereniging conform het veiligheidsplan moet handelen en de hekwerken en vangwallen in stand moet laten.
2.4.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.5.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.6.
Het college heeft op 27 mei 2026 nadere stukken ingediend.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 12 juni 2026 op zitting behandeld, gelijktijdig met het beroep met zaaknummer 25/2260. Aan de zitting hebben deelgenomen: [eiser] en zijn gemachtigde, de gemachtigden van het college en de vergunninghouder. Ook waren eisers in de zaak 25/2260 en hun gemachtigde aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
Het toetsingskader

3. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente van rechtswege een omgevingsplan dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het hele grondgebied van de gemeente.

Voor de percelen waar het in deze procedure om gaat, geldt het Omgevingsplan gemeente Hengelo (hierna: het omgevingsplan). Dit omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden.
3.1.
Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.
3.2.
Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, is voor zover van belang, een activiteit die in strijd is met het omgevingsplan. Dit volgt uit bijlage A, behorend bij artikel 1.1. van de Ow.
3.3.
Op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wordt een aanvraag om omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
3.4.
Op de percelen waren, voor zover hier van belang, voorheen het bestemmingsplan ‘’t Weusthag’ (Veld A – zuidzijde [adres 1]) en het bestemmingsplan ‘Hengelo Noord, Slangenbeek’ (velden B en C – noordzijde [adres 1]) van toepassing. Deze bestemmingsplannen maken onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan.
3.5.
De betrokken percelen hebben, voor zover hier van belang, de bestemming Sport, waarbij uitsluitend balsporten zijn toegestaan (zuidzijde [adres 1]) en de bestemming Groen (noordzijde [adres 1]). Daarmee staat het omgevingsplan het gebruik van de percelen als handboogschietterrein niet toe.
3.6.
Het college heeft met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zoals bedoeld in artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl een buitenplanse omgevingsplanactiviteit verleend en staat daarmee toe dat de betrokken percelen, in afwijking van de regels van het omgevingsplan, als handboogschietterrein mogen worden gebruikt. Het beroep van [eiser] richt zich alleen tegen dit onderdeel van de omgevingsvergunning.

Toetsingsmaatstaf

4. Het college komt, bij zijn beslissing om al dan niet in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zoals bedoeld in artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht.

De inhoud van het beroep

5. Het beroep van [eiser] komt er in de kern op neer dat met het verlenen van de omgevingsvergunning geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties omdat 1) daarbij onvoldoende rekening is gehouden met de veiligheid van zijn woonomgeving en 2) onvoldoende rekening is gehouden met de bescherming van de reeën die in het gebied leven. De rechtbank behandelt eerst het onderdeel veiligheid en gaat daarna in op de bescherming van de reeën.

De beoordeling van het beroep

Veiligheid

6. [eiser] stelt dat met het verlenen van de omgevingsvergunning de veiligheid van de zijn woonomgeving om verschillende redenen niet is gewaarborgd, onder meer omdat hij vreest dat uitschietende pijlen in zijn leefomgeving terechtkomen. Daarbij richt het beroep zich tegen de inrichting en het gebruik van veld B omdat [eiser] daartegenover woont.
6.1.
De rechtbank stelt voorop dat het college bij het beoordelen van de vraag of met het verlenen van de omgevingsvergunning sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties binnen de fysieke leefomgeving, ook de veiligheid van de omgeving moet betrekken. Het college moet zich voldoende rekenschap geven van de risico’s die de te vergunnen activiteit voor de specifieke omgeving met zich brengt. In dit geval staat de omgevingsvergunning het realiseren van een handboogschietterrein aan de rand van een woonwijk en onder meer gesitueerd naast de openbare weg en een fietspad toe. Bij het beoordelen van de veiligheid voor de omgeving spelen in dit geval de inrichting van het terrein, het gedrag van de gebruikers van het terrein en het gedrag van derden een rol.
6.2.
Het is aan het college om op basis van die veiligheidsbeoordeling vervolgens een afweging te maken of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Die beoordeling toetst de bestuursrechter terughoudend. In het verlengde van de toetsingsmaatstaf zoals genoemd onder punt 4 moet de bestuursrechter de vraag beantwoorden of het college de veiligheid voldoende heeft betrokken in zijn afweging en vervolgens in redelijkheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De rechtbank oordeelt hierover als volgt.

Veiligheidsplan

7. De rechtbank stelt vast dat een veiligheidsplan onderdeel uitmaakt van de omgevingsvergunning. Dit veiligheidsplan is opgesteld door de Vereniging. Daarnaast heeft de Koninklijke HandboogSport Nederland (KHSN) het terrein bezocht, het veiligheidsplan beoordeeld en vervolgens goedgekeurd. In het veiligheidsplan zijn regels opgenomen over de inrichting van het terrein, het gedrag van de gebruikers van het terrein en het gedrag van derden. Het college stelt dat met dit veiligheidsplan de veiligheid van de omgeving goed genoeg gewaarborgd is en daarom sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Veldindeling

8. De rechtbank stelt vervolgens vast dat voor de inrichting van het terrein het veiligheidsplan grotendeels is gebaseerd op de ‘normen en richtlijnen voor handboogsportaccommodaties’ die hierover door de Nederlandse Handboogbond (NHB), inmiddels KHSN, zijn vastgesteld (de normen). Deze normen zijn onderdeel van het veiligheidsplan. Een belangrijk aspect van die inrichting is het hanteren van onveilige zones waarbinnen afgeschoten pijlen zich kunnen bevinden. Deze zones zijn, voor zover van belang, gebaseerd op het uitgangspunt dat afgeschoten pijlen vanuit de schietpositie bezien maximaal zes graden naar links en naar rechts zullen afwijken. Hiertussen bevinden zich de onveilige zones, die breder worden naarmate de schietafstand groter is. Deze ‘zes-gradenlijn’ is de uitgangspositie van de inrichting van de schietbanen en het treffen van maatregelen om de onveilige zones te elimineren of te beperken.
8.1.
Niet in geschil is dat veld B zal worden gebruikt voor ‘veldschieten’. Kenmerkend voor veldschieten is dat deze vorm van handboogschieten plaatsvindt in een omgeving met natuurlijke begroeiing. [eiser] woont tegenover veld B. Tussen de woning van [eiser] en het terrein bevinden zich nog een weg en een fietspad. De normen kennen speciale regels voor het inrichten van veldschietbanen en het veiligheidsplan verwijst naar die regels. Onderdeel van deze regels is het hanteren van de onder punt 8 genoemde onveilige zones, gebaseerd op de zes-gradenlijn en een specifieke inrichting van het terrein. In het veiligheidsplan staat een veldindeling die afwijkt van die door de normen voorgeschreven inrichting voor veldschietbanen. Reden daarvan zijn de naast veld B gelegen wandel- en fietspaden, waarmee in de voorgeschreven inrichting geen rekening is gehouden. Het veiligheidsplan is op deze situatie aangepast. Deze alternatieve inrichting houdt in dat de schietlijnen die parallel aan een fietspad, wandelpad of doorgaande weg liggen, daarvan schuin weglopen. De veldindeling is een indicatieve schets omdat, zo heeft vergunninghouder op de zitting toegelicht, de definitieve inrichting gelet op het hanteren van de zes-gradenlijn ter plekke moet worden bepaald.
8.2.
Naast de veldindeling gelden ook andere specifieke maatregelen voor veld B. Zo komt achter elk doelpak een afvangvoorziening en minimaal 50 meter vrije ruimte binnen de omheining van het terrein. De schietlijn loopt altijd van boven naar beneden: het doelpak staat lager dan de schietarm waardoor de vlucht van de pijl naar beneden is gericht. Verder komen de dichtstbijzijnde schietpositie, doelpak en zes-gradenlijn verder dan dertig meter van de gevel te liggen. Deze dertig meter is, zo heeft het college onweersproken gesteld, de afstand tussen het (grens-)hekwerk van het terrein en de gevels van de nabijgelegen woningen. Deze richtafstand sluit aan bij de Handreiking Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Partijen zijn het erover eens dat het hanteren van deze afstand op zichzelf de risico’s voor de openbare ruimte tússen de woningen en het terrein niet beperkt. Verder wordt het gehele terrein waarbinnen de activiteiten plaatsvinden omheind met een hekwerk van 1,75 tot 2 meter hoog. De activiteiten, met de daarbij te hanteren zes-gradenlijn, vinden hierbinnen plaats en het hekwerk heeft mede tot doel om te voorkomen dat het terrein ongewenst wordt betreden. De velden B en C worden als één geheel omheind. Op deze omheining worden om de 25 tot 50 meter waarschuwingsborden worden geplaatst met waarschuwingsteksten. De toegangspoort is tijdens sportactiviteiten gesloten.

Tussenconclusie veldindeling
8.3.
[eiser] stelt dat de zes-gradenlijn om verschillende redenen onvoldoende veilig is. Deze norm is gebaseerd op verouderde proeven en bij de totstandkoming daarvan is geen rekening gehouden met externe factoren als weersinvloeden of onvoorspelbaar gedrag van mensen of dieren. [eiser] onderbouwt deze stelling verder niet, terwijl deze zes-gradenlijn is gefundeerd in de normen die de KHNS, de landelijke bond waarvan zeggingskracht mag uitgaan, vandaag de dag hanteert. De KHNS heeft het gebruik van die normen ook in dit specifieke geval goedgekeurd. Het college had daarom ook niet, zoals [eiser] stelt, ruimere veiligheidsmarges hoeven te hanteren zoals in sommige andere landen gebeurt. Dat in sommige landen de veiligheidsmarges ruimer zijn betekent immers niet dat de Nederlandse normen onvoldoende zijn. Tot slot is in de normen die gelden voor veldschieten en beschreven in paragraaf 11.4, wel rekening gehouden met een begroeide omgeving. Een begroeide omgeving is volgens de normen immers kenmerkend voor veldschieten en daaruit volgt dat daarmee rekening is gehouden bij het opstellen van deze specifieke normen. Het betoog slaagt niet.
8.4.
[eiser] stelt verder dat de indicatieve schets van de veldindeling van veld B, zoals omschreven onder punt 8.1., een vrije indeling impliceert en dat daarom sprake is van rechtsonzekerheid voor wat betreft het waarborgen van de veiligheid. De rechtbank volgt deze stelling niet. De indicatieve schets is slechts een van de aspecten van het veiligheidsplan. Het veiligheidsplan bevat, zoals onder punt 8.2. uiteengezet, immers meerdere eisen waaraan de veldindeling in het kader van de veiligheid moet voldoen. Dit samenstel van eisen als geheel biedt daarmee voldoende duidelijkheid over de veldindeling. Bovendien is de reden van het opnemen van een indicatieve schets navolgbaar. Daarom mag het veiligheidsplan volstaan met een indicatieve schets. Het betoog slaagt niet.

Gedrag

9. De rechtbank stelt vast dat het veiligheidsplan, naast de inrichtingseisen, ook ziet op het gedrag van de gebruikers van het terrein. Uit het veiligheidsplan volgt dat gedrag een essentiële voorwaarde is voor de veiligheid van de sportbeoefenaars, terreinbezoekers en ook de veiligheid van de omgeving. In het veiligheidsplan wordt verwezen naar verschillende gedragscodes, die daarmee onderdeel zijn van het veiligheidsplan. In de normen zijn specifieke gedragsregels opgenomen die gaan over het gebruik van veldschietbanen zoals op veld B zal plaatsvinden. Die houden onder meer in dat de sport alleen onder toezicht plaatsvindt en alleen vanaf de standplaats op het doel mag worden geschoten. Als deze regels niet worden nageleefd heeft dat uitsluiting van deelname tot gevolg.
9.1.
[eiser] stelt over het menselijk gedrag in relatie tot de veiligheid dat dit gedrag niet volledig beheersbaar is. Daarmee blijven er altijd risico’s voor de omgeving bestaan. Een handboogschietterrein heeft een recreatief doel voor slechts een beperkte groep. Gelet op dat recreatieve karakter kan het college in dit geval pas van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties spreken als het risico voor de omgeving nul is, aldus [eiser] .
9.2.
Geen van de partijen betwist dat menselijk gedrag, ondanks gedragsregels, altijd een onzekere factor blijft. Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank ook voor de mogelijkheid dat buitenstaanders, ondanks het hekwerk en waarschuwingen, het terrein ongewenst betreden. Voor een evenwichtige toedeling van functie aan locaties is anders dan door [eiser] gesteld bij activiteiten met een recreatief karakter geen voorwaarde dat de risico’s voor de omgeving volledig zijn uitgesloten. Zoals onder punt 6.1. overwogen, moet het college de risico’s voldoende onderkennen en meenemen in haar afweging om te beoordelen of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Volgens het college is de veiligheid van de omgeving met het veiligheidsplan en de daarin opgenomen maatregelen tot een aanvaardbaar niveau teruggebracht en is daarmee sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het is aan de bestuursrechter om te beoordelen of het college in redelijkheid tot dat oordeel heeft kunnen komen.

Conclusie veiligheid
9.3.
Voor de beantwoording van de vraag of het college, kortgezegd, in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat met het verlenen van de omgevingsvergunning voor wat betreft de veiligheid sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties acht de rechtbank het volgende van belang. Het veiligheidsplan is op zorgvuldige wijze en in overleg met de KHNS tot stand gekomen. In het veiligheidsplan zijn de verschillende risico’s onderkend. Deze risico’s zien op de inrichting van de schietbanen, waarvan het risico op afwijkende pijlen groot onderdeel is door middel van de zes-gradenlijn. Daarnaast zien die op het gedrag van de sportbeoefenaars, terreinbezoekers en buitenstaanders die het terrein ongewenst betreden. Het veiligheidsplan bevat ook veiligheidsmaatregelen die deze risico’s beheersen en het veiligheidsplan is onderdeel van de omgevingsvergunning.

Gelet op de totstandkoming en de inhoud van het veiligheidsplan is de rechtbank van oordeel dat het college de veiligheid voldoende heeft meegewogen in haar afweging en in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college heeft daarom ook geen nadere risico-inventarisatie hoeven maken, zoals door [eiser] betoogd. De beroepsgrond slaagt niet.

Bescherming van de reeën

10. [eiser] stelt dat met het verlenen van de omgevingsvergunning de belangen van de reeën die in het gebied leven onvoldoende worden beschermd omdat de openingen van het hekwerk te klein zijn om reeën te laten passeren. [eiser] verwijst daarbij naar schriftelijke reacties van Staatsbosbeheer en het Kenniscentrum Reeën.
10.1.
De rechtbank stelt vast dat in de omgevingsvergunning een voorschrift is opgenomen dat, voor zover van belang, inhoudt dat een ree het hekwerk moet kunnen passeren. Daarbij is opgenomen dat onderdoorgangen van 35 centimeter hoogte en 30 centimeter breedte daarvoor voldoende zijn. Het college heeft toegelicht dat dit voorschrift is opgenomen met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hieronder valt voor het college ook de natuurwaarden die het gebied in zich heeft, waaronder het leefgebied van reeën. Door het hekwerk wordt het leefgebied omsloten en daarmee verkleind. Om het terrein als leefgebied voor de reeën te behouden, heeft het college het voorschrift opgenomen.
10.2.
Het college heeft bij het bepalen van de afmetingen van de onderdoorgang geprobeerd evenwicht te vinden tussen aan de ene kant het belang van de reeën bij een zo groot mogelijke doorgang en aan de andere kant te voorkomen dat mensen het terrein via diezelfde opening betreden. Om de juiste afmetingen te bepalen heeft het college navraag gedaan bij het Rijksvastgoedbedrijf, dat defensieterreinen beheert. Bij de omheining van die terreinen speelt immers dezelfde afweging een rol. De stadsecoloog heeft aanvullend ter zitting toegelicht dat de opening voor reeën idealiter groter is, maar dat de reeën de opening wel kunnen passeren. Daarbij heeft de stadsecoloog er ter zitting ook op gewezen dat inmiddels reeën op het terrein zijn gesignaleerd, en dat impliceert dat reeën de opening zijn gepasseerd. Dit is door [eiser] ook niet weersproken.
10.3.
De rechtbank oordeelt dat de afweging van het college over de grootte van de opening navolgbaar is, waarbij de rechtbank in aanmerking neemt dat [eiser] deze afweging ook onweersproken heeft gelaten. Het college heeft dan ook in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat met de inhoud van het voorschrift sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan het locaties. De beroepsgrond slaagt niet.

Relativiteit

11. Op grond van artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een regel die niet strekt tot bescherming van diegene die zich daarop beroept. Omdat het beroep niet slaagt, is er geen reden voor de rechtbank om de beroepen die op de zitting op het relativiteitsbeginsel zijn gedaan verder te bespreken.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Piksen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J. van Heijningen, griffier en uitgesproken in het openbaar op

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Ow in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.

Normen en richtlijnen voor Handboogsportaccommodaties, 2 oktober 1998, p. 70.

Veiligheidsplan, p. 10.

Normen en richtlijnen voor Handboogsportaccommodaties, 2 oktober 1998, p. 70-71.

Artikel delen