Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBOVE:2026:5484

Vovo woningsluiting. 174a Gemeentewet en 13b Opiumwet. Evenredigheid. Verzoek afgewezen.

Rechtbank Overijssel 17 September 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBOVE:2026:5484 text/xml public 2026-09-17T12:00:31 2026-09-10 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2026-09-10 ZWO 26/2360 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:5484 text/html public 2026-09-11T10:42:42 2026-09-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2026:5484 Rechtbank Overijssel , 10-09-2026 / ZWO 26/2360
Vovo woningsluiting. 174a Gemeentewet en 13b Opiumwet. Evenredigheid. Verzoek afgewezen.
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 26/2360

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] ,

hierna: [verzoeker] ,

(gemachtigde: mr. R.S.F. ten Kortenaar),

en

de burgemeester van Hengelo,

hierna: de burgemeester,

(gemachtigden: mr. P. Schutte en mr. M. van Dijk).
<nr>1</nr>Samenvatting 1.1.
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van de burgemeester om de woning van [verzoeker] en zijn gezin te sluiten per 27 augustus 2026 voor de duur van drie maanden. [verzoeker] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en wil met het verzoek bereiken dat hij weer toegang krijgt tot de woning en dat dit zo blijft totdat op zijn bezwaarschrift is beslist.
1.2.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Zij is van oordeel dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft en ziet mede in dat licht in het kader van de belangenafweging geen grond om het besluit te schorsen tot de beslissing op bewaar. Dit betekent dat de woning gesloten blijft totdat op het bezwaarschrift van [verzoeker] is beslist.
<nr>2</nr>Inleiding: feiten en procesverloop 2.1.
[verzoeker] woont samen met zijn vrouw en meerderjarige dochter in een woning aan de [adres] in [woonplaats] .
2.2.
De burgemeester heeft van de politie een bestuurlijke rapportage ontvangen. Daarin staat dat op 3 juni 2026 naar aanleiding van een MMA-melding een doorzoeking heeft plaatsgevonden in de woning van [verzoeker] . Daarbij zijn – kort weergegeven – op diverse plekken in en om de woning een handvuurwapen en onderdelen die daarbij horen, verschillende soorten munitie, een grote hoeveelheid contant geld, drugsgerelateerde attributen (expliciet benoemd wordt voorgedraaide vloeitjes en aan hennepteelt te relateren afzuigboxen) en ruim 640 gram, in zakken verdeeld, gootsteenontstopper, een grondstof voor synthetische drugs, aangetroffen. Verder is in de rapportage vermeld dat [verzoeker] in 2021 is aangehouden voor het bezit van softdrugs, dat in 2022 zijn voertuig is gecontroleerd, waarbij briefjes van een growshop zijn aangetroffen, en dat er de afgelopen twee jaar diverse MMA-meldingen zijn gedaan waarin is benoemd dat [verzoeker] vanuit zijn woning in drugs en wapens handelt. Ook wordt in de bestuurlijke rapportage uiteengezet waarom het spoedig treffen van een bestuurlijke maatregel gewenst is. Samengevat komt dat erop neer dat de aangetroffen goederen wijzen op drugshandel en illegale hennepteelt en dat het aangetroffen vuurwapen een aanwijzing is dat [verzoeker] zich bewapent tegen een conflict. Drugshandel gaat vaak gepaard met ernstige openbare ordeverstoringen in de vorm van zwaar geweld en dit vermoeden wordt versterkt door het vuurwapen en de munitie die zijn aangetroffen. Drugshandel gaat ook veelal gepaard met overlast voor omwonenden en de opslag of het vervaardigen van drugs kan gevaar opleveren voor de buurt. De doorzoeking van de woning heeft daarnaast gezorgd voor veel maatschappelijke onrust onder omwonenden.
2.3.
Naar aanleiding van de bestuurlijke rapportage heeft de burgemeester geconcludeerd dat sprake is van verstoring van de openbare orde en ernstige vrees daarvoor rond de woning. In het besluit van 18 augustus 2026 heeft de burgemeester daarom bepaald dat hij de woning van [verzoeker] sluit per 27 augustus 2026, voor de duur van drie maanden. De burgemeester baseert zijn bevoegdheid tot sluiting daarnaast ook op de Opiumwet.
2.4.
[verzoeker] is het met dit besluit niet eens en heeft daartegen bezwaar gemaakt.
2.5.
Op 27 augustus 2026 om 12:00 uur is namens de burgemeester de woning van [verzoeker] gesloten. Op diezelfde dag om 13:30 uur heeft [verzoeker] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
2.6.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van [verzoeker] en een kantoorgenoot en de gemachtigden van het college.
<nr>3</nr>Beoordeling door de voorzieningenrechter 3.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Het beoordelingskader
3.2.
Als tegen een besluit voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3.3.
De voorzieningenrechter beoordeelt eerst of sprake is van onverwijlde spoed. Daarna verricht de voorzieningenrechter een voorlopige beoordeling van de rechtmatigheid van het onderliggende besluit en daarmee van de kans van slagen van het bezwaarschrift en weegt zij de belangen van de partijen bij een schorsing. Daarbij geldt dat hoe zekerder de voorzieningenrechter is over de rechtmatigheid van het bestreden besluit, hoe minder ruimte er is om gewicht toe te kennen aan de belangen van [verzoeker] bij een schorsing.

Spoedeisend belang
3.4.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat [verzoeker] een spoedeisend belang heeft bij een beoordeling van de voorzieningenrechter van zijn verzoek.

Voorlopige rechtmatigheidsbeoordeling
3.5.
De burgemeester heeft naar aanleiding van de bevindingen in de hiervoor bij 2.2. samengevatte bestuurlijke rapportage de woning op grond van artikel 174a, eerste lid, aanhef en onder a en onder c van de Gemeentewet alsmede artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b van de Opiumwet gesloten. [verzoeker] heeft de bevoegdheid van de burgmeester om dat te doen niet betwist. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester in dit geval zijn bevoegdheid terecht op de combinatie van bevindingen in de bestuurlijke rapportage heeft gebaseerd.
3.6.
[verzoeker] vindt de sluiting van de woning voor de duur van drie maanden onevenredig. Hij betwist de noodzaak van de sluiting en stelt vragen bij de evenwichtigheid van de maatregel.
3.7.
De voorzieningenrechter komt tot het voorlopige oordeel dat de burgemeester heeft kunnen concluderen dat de sluiting van de woning voor de duur van drie maanden noodzakelijk is en dat hij niet met een minder ingrijpend middel hoefde te volstaan. Gedurende de voorlopige voorzieningenprocedure heeft het college ter onderbouwing van hetgeen in de bestuurlijke rapportage van 16 juli 2026 wordt vermeld twee MMA-meldingen van juni 2026 overgelegd waarin wordt gesproken over de drugs- en wapenhandel vanuit de woning. [verzoeker] heeft de inhoud van deze MMA-meldingen betwist en betoogd dat de inhoud van deze meldingen niet aansluit bij wat in de woning is aangetroffen. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat de meldingen weliswaar een heftiger beeld schetsen dan wat in de woning is aangetroffen, maar niet afdoen aan de ernst van wat in de woning is aangetroffen of de bevindingen in de bestuurlijke rapportage daarover tenietdoen. De informatie uit de bestuurlijke rapportage van 16 juli 2026 geeft de burgemeester voldoende grond om te concluderen dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel, dat de openbare orde rondom de woning ernstig is verstoord, dat ernstige vrees bestaat dat verdere verstoring zal ontstaan en dat de vrees bestaat dat (verdere) verstoring van de openbare orde zich zal voortzetten indien de woning niet gesloten zal worden. Dat er sinds de doorzoeking geen concrete aanwijzingen meer zijn (geweest) waaruit blijkt dat sprake is van verstoring van de openbare orde, leidt niet zonder meer tot de conclusie dat deze is hersteld. De combinatie van de aangetroffen zaken, de politiebevindingen over eerdere politiecontacten met [verzoeker] , de MMA-meldingen over een periode van twee jaar en de argumenten waarom bestuurlijk ingrijpen gewenst is, heeft naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter de burgemeester tot de conclusie kunnen leiden dat een zichtbare sluiting voor drie maanden nog noodzakelijk is om richting de buitenwereld een signaal af te geven, waarmee de openbare orde en rust in de omgeving kan worden hersteld. Het tijdverloop sinds de doorzoeking is niet zodanig groot dat de noodzaak enkel daardoor is verdwenen. Een sluiting voor de duur van drie maanden is, mede gelet op het beleid van de gemeente bij woningsluitingen gebaseerd op enkel de Opiumwet navolgbaar.
3.8.
Daarnaast is de voorzieningenrechter van oordeel dat de burgemeester de woningsluiting voor de duur van drie maanden niet alleen geschikt en noodzakelijk, maar ook evenwichtig heeft mogen vinden. Dat [verzoeker] gevolgen ondervindt van de sluiting van de woning is inherent aan de aard van de maatregel en op zichzelf geen reden om van sluiting af te zien. De enkele stelling dat de dochter nog studeert en afhankelijk is van een stabiele woonomgeving is onvoldoende om anders te oordelen. De burgemeester heeft mogen vinden dat [verzoeker] niet heeft kunnen concretiseren waarom de sluiting daarmee leidt tot nadelige gevolgen die onevenredig zijn gelet op de met het besluit te dienen doelen. Van een bijzondere binding met de woning vanwege de studie van dochter is niet gebleken. Ook anderszins is vooralsnog niet gebleken dat de aanwezigheid van de dochter in de woning maakt dat het besluit onevenwichtig is. Verder overweegt de voorzieningenrechter dat evenmin is gebleken dat voor [verzoeker] de financiële mogelijkheden ontbreken om voor drie maanden een andere woonruimte te huren (of in te richten). Deze stelling heeft [verzoeker] niet nader onderbouwd. Daarbij volgt uit het besluit dat de burgemeester aan [verzoeker] heeft aangeboden om gezamenlijk te kijken naar eventuele oplossingen voor vervangende woonruimte, indien hij deze niet zelfstandig kan vinden. De burgemeester heeft het belang bij de woningsluiting dan ook zwaarder mogen laten wegen dan de belangen van [verzoeker] .
3.9.
De voorzieningenrechter komt daarmee tot het oordeel dat het bezwaar van [verzoeker] geen redelijke kans van slagen heeft. De burgemeester was bevoegd om de woning te sluiten en heeft ook gebruik kunnen maken van die bevoegdheid.

Belangenafweging
3.10.
Gelet op wat de voorzieningenrechter hiervoor heeft overwogen onder de voorlopige rechtmatigheidsbeoordeling, weegt het belang van de burgemeester bij het gesloten houden van de woning op dit moment zwaarder dan het belang van [verzoeker] bij het openhouden van de woning totdat op zijn bezwaarschrift is beslist.
<nr>4</nr>Conclusie en gevolgen 4.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.P.K. van Rosmalen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C. Smitstra, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Meld Misdaad Anoniem.

Artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel delen