Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg.
Rechtbank Rotterdam 18 August 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:10016
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-08-2026
Datum publicatie
18-08-2026
Zaaknummer
C/10/720085 / JE RK 26-981
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
ECLI:NL:RBROT:2026:10016text/xmlpublic2026-08-18T09:02:342026-08-13Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Rotterdam2026-07-13C/10/720085 / JE RK 26-981UitspraakBeschikkingNLRotterdamCiviel recht; Personen- en familierechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:10016text/htmlpublic2026-08-18T09:02:002026-08-18Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBROT:2026:10016 Rechtbank Rotterdam , 13-07-2026 / C/10/720085 / JE RK 26-981 Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg.
RECHTBANK ROTTERDAM Team Jeugd Zaaknummer: C/10/720085 / JE RK 26-981
Datum uitspraak: 13 juli 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west,
hierna te noemen: de GI, gevestigd te Dordrecht, over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam ouder 1] en [naam ouder 2],
hierna te noemen: de ouders, wonende in [woonplaats] ,
[naam pleegouder 1] en [naam pleegouder 2] ,
hierna te noemen: de pleegouders, wonende in [woonplaats] . 1Het verloop van de procedure1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen van 21 mei 2026, bij de rechtbank binnengekomen op diezelfde datum; de brief van de ouders van 9 juli 2026. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 juli 2026. Daarbij waren aanwezig: de ouders de pleegouders; een vertegenwoordiger van de GI, [persoon A] . 1.3. De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige] naar haar mening gevraagd. [voornaam minderjarige] heeft een gesprek met de kinderrechter gehad en daarbij twee brieven aan de kinderrechter overhandigd. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [voornaam minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2De feiten2.1. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] . 2.2.
[voornaam minderjarige] verblijft bij de pleegouders. 2.3. Bij beschikking van 21 oktober 2026 is [voornaam minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI tot 21 oktober 2026. Tevens is er een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] verleend in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij de tante en oom, tot 21 juli 2025. De beslissing op het overige is aangehouden. 3Het (aangehouden) verzoek3.1. De GI heeft verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Er resteert nog een beslissing over de periode tot 21 oktober 2026. 3.2. De ouders verzoeken de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] te beëindigen. 4De standpunten4.1. De GI handhaaft het verzoek en licht dit als volgt toe. [voornaam minderjarige] is heel stellig in haar wens dat zij geen contact met haar ouders wil. In de afgelopen periode is het gelukt om enkele contactmomenten met de moeder te organiseren. Voorafgaand aan deze contactmomenten is bij [voornaam minderjarige] lichamelijke spanning zichtbaar. [voornaam minderjarige] heeft een vertrouwensband opgebouwd met haar hulpverlener van FamilySupport. Daarnaast volgt zij traumabehandeling en psycho-educatie, waarvoor zij gemotiveerd is. Verder gaat het goed met [voornaam minderjarige] . Zij is geslaagd voor haar eindexamen. De pleegmoeder heeft hiervoor een bijeenkomst georganiseerd en daarbij ook de moeder uitgenodigd. Dit vond plaats zonder tussenkomst van de GI. Naar aanleiding van het incident met de voormalige schoonzoon van de pleegouders is het mediationtraject tussen ouders en pleegouders stop gezet en kort geleden weer herstart. Dit traject loopt nog. [voornaam minderjarige] heeft aangegeven dat zij graag bij de pleegouders wil blijven wonen. Voor de komende periode is het van belang om te werken aan de relatie tussen [voornaam minderjarige] en haar ouders. Het zou goed zijn als [voornaam minderjarige] haar ouders in ieder geval kan verdragen en er op een normale manier contact kan plaatsvinden. De GI vindt het knap dat de ouders [voornaam minderjarige] de ruimte geven en haar niet langer onder druk zetten om weer thuis te komen wonen of meer contact met hen te hebben. [voornaam minderjarige] heeft daarnaast aangegeven dat zij graag meer contact wil met haar broertje en zusje, zonder dat de moeder daarbij aanwezig is. [voornaam minderjarige] heeft aangegeven dat zij het fijn vindt dat de jeugdbeschermer bij haar betrokken is en dat zij niet wil dat de ondertoezichtstelling wordt beëindigd. 4.2. De ouders brengen het volgende naar voren. [voornaam minderjarige] heeft duidelijk aangegeven dat zij bij de pleegouders wil wonen en geen contact met haar ouders wenst. Volgens de ouders moet naar deze wens worden geluisterd. Zij geven [voornaam minderjarige] de ruimte en zetten haar niet onder druk. Volgens de ouders zijn een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing daarom niet langer noodzakelijk. Er zijn op dit moment te veel hulpverleners betrokken. De moeder vindt het niet wenselijk dat [voornaam minderjarige] contact heeft met haar broertje en zusje zonder dat de moeder daarbij aanwezig is. Volgens de moeder is dit, gelet op hun jonge leeftijd, te belastend voor haar broertje en zusje. De moeder houdt zich op de achtergrond wanneer er een contactmoment plaatsvindt.
De pleegouders brengen het volgende naar voren. Het gaat heel goed met [voornaam minderjarige] . Zij is zelfstandig en luistert goed naar de pleegouders. Daarnaast heeft zij een vakantiebaan gevonden. Ook kan zij het goed vinden met de dochters van de pleegouders. [voornaam minderjarige] hecht veel waarde aan de betrokkenheid van haar vaste jeugdbeschermer en vindt het prettig dat zij betrokken blijft. [voornaam minderjarige] is bang dat als de ondertoezichtstelling wordt beëindigd, de ouders haar opnieuw onder druk gaan zetten. 5De beoordeling Het verzoek van de GI 5.1. Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter legt hieronder uit waarom. 5.2.
[voornaam minderjarige] verblijft sinds februari 2025 bij de pleegouders. Zij ervaart daar veiligheid en stabiliteit en ontwikkelt zich goed. Zo is zij geslaagd voor haar eindexamen, heeft zij sociale contacten en heeft zij een bijbaan gevonden. [voornaam minderjarige] heeft zich steeds duidelijk en consistent uitgesproken over haar wens om niet terug te keren naar de ouders en op dit moment geen contact met hen te hebben. In de afgelopen periode heeft de GI ingezet op het herstellen van het contact tussen [voornaam minderjarige] en de ouders. Dit is echter niet gelukt. Zowel voorafgaand als tijdens de contactmomenten ervaart [voornaam minderjarige] stress- en traumareacties. Er is daarom contextuele therapie ingezet. Ter zitting hebben de ouders aangegeven dat zij de keuze van [voornaam minderjarige] om bij de pleegouders te wonen en geen contact met hen te hebben, respecteren. Gelet op de behoefte van [voornaam minderjarige] aan veiligheid en stabiliteit, haar duidelijke wens om bij de pleegouders te blijven wonen en de nog bestaande zorgen ten aanzien van het contact met de ouders, acht de kinderrechter een voortzetting van de uithuisplaatsing noodzakelijk. De machtiging tot uithuisplaatsing zal daarom worden verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling. Het verzoek van de ouders 5.3. De kinderrechter ziet geen aanleiding om de ondertoezichtstelling te beëindigen dan wel voor de resterende duur te herroepen. Het is positief dat zowel de ouders als de pleegouders zich in het belang van [voornaam minderjarige] opstellen en haar de ruimte geven om haar eigen keuzes te maken. Dit neemt echter niet weg dat er nog steeds zorgen bestaan over de emotionele veiligheid van [voornaam minderjarige] in relatie tot de ouders. [voornaam minderjarige] lijkt een zekere mate van rust en duidelijkheid te ervaren door de betrokkenheid van de jeugdbeschermer. Ook bestaan er zorgen over het mogelijke loyaliteitsconflict bij [voornaam minderjarige] door de systeemproblematiek tussen de ouders en de pleegouders. Het is aan de GI om de regie te voeren en in de komende periode te onderzoeken welke vervolgstappen het meest in het belang van [voornaam minderjarige] zijn en of en wanneer de ondertoezichtstelling kan worden beëindigd. Zo lang er een ondertoezichtstelling loopt en de minderjarige bij een ander dan de gezaghebbende ouders verblijft, is een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk. Het verzoek van de ouders zal daarom worden afgewezen. 5.4. De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 6De beslissing De kinderrechter: 6.1. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 21 oktober 2026; 6.2. wijst het verzoek van de ouders af; 6.3. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026 door mr. A. Verweij, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R. van der Zeeuw als griffier, en op schrift gesteld op 27 juli 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.