Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing.
Rechtbank Rotterdam 18 August 2026
Jurisprudentie – Uitspraken
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:10163
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-08-2026
Datum publicatie
18-08-2026
Zaaknummer
C/10/721292 / JE RK 26-1158
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
ECLI:NL:RBROT:2026:10163text/xmlpublic2026-08-18T14:54:152026-08-17Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Rotterdam2026-07-17C/10/721292 / JE RK 26-1158UitspraakBeschikkingNLRotterdamCiviel recht; Personen- en familierechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:10163text/htmlpublic2026-08-18T12:23:082026-08-18Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBROT:2026:10163 Rechtbank Rotterdam , 17-07-2026 / C/10/721292 / JE RK 26-1158 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing.
RECHTBANK ROTTERDAM Team Jeugd Zaaknummer: C/10/721292 / JE RK 26-1158
Datum uitspraak: 17 juli 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de GI, over
[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedag 1] 2009 in [plaats 1] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedag 2] 2010 in [plaats 2] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 2] ,
[minderjarige 3]
,
geboren op [geboortedag 3] 2014 in [plaats 2] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 3] ,
[minderjarige 4]
,
geboren op [geboortedag 4] 2018 in [plaats 1] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 4] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder]
,
hierna te noemen de moeder, wonende in [plaats 3] ,
bijgestaan door advocaat mr. R. Tetteroo, kantoorhoudende in Rotterdam,
[vader]
,
hierna te noemen de vader, wonende in [plaats 3] . 1Het verloop van de procedure1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de GI van 11 juni 2026 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI, [vertegenwoordigers GI] . 1.3. De vader is niet ter zitting verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen. 1.4. De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. [voornaam minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [voornaam minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] hebben geen mening gegeven. 2De feiten2.1. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 4] . 2.2.
[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verblijven op een groep van Zorg Hoop Liefde. 2.3.
[voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 4] verblijven in een gezinshuis. 2.4. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 17 juni 2026 de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 4] verlengd tot 5 augustus 2026. 2.5. De kinderrechter heeft bij dezelfde beschikking de machtiging verlengd om [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 4] in een gezinshuis, tot 5 augustus 2026. 3Het (aangehouden) verzoek van de GI3.1. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 4] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 4] in een gezinsgerichte accommodatie te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.2. De GI specificeert het verzoek ter zitting nader, in die zin dat voor [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] een machtiging tot uithuisplaatsing nodig is voor een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en voor [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 4] voor een gezinsgerichte voorziening. Gelet op de naderende meerderjarigheid van [voornaam minderjarige 1] , verzoekt de GI de maatregelen ten aanzien van hem te verlengen tot aan zijn meerderjarigheid. 3.3. De GI handhaaft de verzoeken voor het overige en licht dit als volgt toe. De zorgen die eerder hebben geleid tot de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn nog niet weggenomen. Er is sprake van aanhoudende problematiek in de thuissituatie, waaronder huiselijk geweld tussen de ouders, middelengebruik van de vader en zorgen over de financiële situatie en de woning. Op 17 juni 2026 heeft opnieuw een escalatie plaatsgevonden waarbij sprake was van huiselijk geweld, waarna de moeder een nacht is opgenomen in het ziekenhuis. De vader is inmiddels opgenomen voor behandeling. Op dit moment ontbreekt het aan voldoende zicht op de opvoedvaardigheden en de draagkracht van de moeder en op de veiligheid en stabiliteit van de thuissituatie. Ook zal een aantal praktische omstandigheden moeten worden afgewacht, zoals de scheiding van de ouders en de huisvesting van de moeder. De samenwerking met de hulpverlening, waaronder het wijkteam, komt onvoldoende van de grond. Hierdoor is het volgens de GI nog niet mogelijk om te beoordelen of en onder welke voorwaarden een thuisplaatsing verantwoord is. Tussen de twee jongste kinderen en de ouders heeft nog gen omgang plaatsgevonden. De GI begrijpt van de gezinshuisouders dat een afspraak tweemaal niet is nagekomen. De kinderen profiteren momenteel van de rust, structuur en veiligheid op hun verblijfplaatsen en laten daar een positieve ontwikkeling zien. 4Het standpunt van de moeder4.1. Door en namens de moeder is ter zitting het volgende naar voren gebracht. De moeder erkent dat er zorgen zijn geweest in de thuissituatie, met name als gevolg van de verslavingsproblematiek van de vader en de spanningen tussen de ouders. De ouders gaan uit elkaar en de vader zal na afronding van zijn behandeling niet meer thuis komen wonen. Volgens de moeder zal daarmee een belangrijke bron van onrust verdwijnen en is zij in staat om zelfstandig voor de kinderen te zorgen. De moeder voert aan dat de situatie rondom de woning en financiën onder controle is. Er loopt nog een procedure met de verhuurder, maar de huur wordt betaald en de verwachting is dat de woning behouden kan blijven. De moeder staat open voor hulpverlening, maar geeft aan dat het voor haar niet altijd mogelijk was om afspraken na te komen, onder meer vanwege financiële beperkingen. Volgens de moeder en haar advocaat heeft de GI onvoldoende duidelijk gemaakt wat concreet van haar wordt verwacht en welke voorwaarden gelden voor een terugplaatsing. De moeder verzoekt primair het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de jongste drie kinderen af te wijzen. Subsidiair verzoekt zij de duur van de verlenging te beperken, zodat op korte termijn kan worden beoordeeld of terugplaatsing mogelijk is. Ten aanzien van [voornaam minderjarige 1] refereert de moeder zich aan het oordeel van de kinderrechter. 5De beoordeling5.1. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom. 5.2. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat nog steeds sprake is van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen. Deze bedreiging hangt samen met de langdurige en complexe problematiek binnen het gezin. Er zijn zorgen over huiselijk geweld tussen de ouders, de verslavingsproblematiek van de vader en de instabiliteit op meerdere leefgebieden, waaronder de financiële situatie en de onzekerheid over de woonsituatie. De recente fysieke escalatie tussen de ouders in juni 2026 die heeft geleid tot een ziekenhuisopname van de moeder onderstreept dat deze zorgen nog actueel zijn. Bij de kinderen wordt nog steeds gezien dat zij een achterstand hebben in hun sociaal-emotionele ontwikkeling. Tegelijkertijd stelt de kinderrechter vast dat de situatie in beweging is. De vader is opgenomen voor behandeling en de moeder heeft aangegeven dat zij de relatie met de vader wil beëindigen. Dit kan op termijn bijdragen aan meer stabiliteit. Daarnaast zal de komende maanden duidelijk worden of de ouders in de woning kunnen blijven. Op dit moment ontbreekt echter nog voldoende zicht op de opvoedvaardigheden en draagkracht van de moeder en op de vraag of zij, met hulpverlening, in staat is om de kinderen een veilige en stabiele opvoedsituatie te bieden. De samenwerking met de hulpverlening is tot nu toe onvoldoende van de grond gekomen, waardoor dit zicht niet is verkregen. 5.3. De kinderrechter acht het van belang dat de ouders, in ieder geval de moeder, de samenwerking met de GI aangaat en dat de GI op korte termijn een duidelijk en concreet plan opstelt, waarin staat welke hulp wordt ingezet, welke voorwaarden gelden en wat er nodig is om een thuisplaatsing van de kinderen mogelijk te maken. Van de moeder wordt verwacht dat zij actief meewerkt aan de hulpverlening en zich beschikbaar stelt voor contact en begeleiding. 5.4. Gelet op het voorgaande is de ondertoezichtstelling daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 4] voor de duur van een jaar. 5.5. De kinderrechter is daarnaast van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen. De kinderen laten op hun huidige verblijfplaatsen een positieve ontwikkeling zien en profiteren van de geboden structuur en veiligheid. Voor [voornaam minderjarige 1] geldt dat hij, gelet op zijn leeftijd en ontwikkeling, gebaat is bij continuering van zijn huidige traject richting zelfstandigheid. Voor [voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 4] geldt dat een terugplaatsing op dit moment nog niet verantwoord is, omdat onvoldoende zicht bestaat op de veiligheid en stabiliteit van de thuissituatie. De kinderrechter acht het echter, anders dan door de GI verzocht, aangewezen om de machtiging tot uithuisplaatsing voor deze kinderen voor een kortere duur te verlengen. De komende periode zal moeten worden benut om duidelijkheid te verkrijgen over de thuissituatie, de inzet van hulpverlening en de mogelijkheden voor terugplaatsing. De kinderen verblijven een keer per maand een weekend bij de nicht van de moeder, waar de moeder de kinderen ook bezoekt. De GI zal de komende tijd bezien of uitbreiding van het verblijf bij de tante mogelijk is. De kinderrechter zal gelet op het voorgaande het resterende deel van het verzoek aanhouden. 5.6. De GI wordt verzocht om twee weken vóór de hierna vermelde pro forma datum een korte briefrapportage (met afschrift aan de belanghebbenden en aan de advocaat van de moeder) te overleggen over de voortgang van de ingezette hulpverlening, de belastbaarheid en opvoedvaardigheden van de beide ouders , de samenwerking met de hulpverlening en de omgang tussen de ouders en de kinderen. 5.7. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 6De beslissing De kinderrechter: 6.1. verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] tot aan zijn meerderjarigheid, te weten tot 14 maart 2027; 6.2. verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 4] tot 5 augustus 2027; 6.3. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot aan zijn meerderjarigheid, te weten tot 14 maart 2027; 6.4. wijst het verzoek betreffende [voornaam minderjarige 1] voor het overige af; 6.5. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 5 februari 2027; 6.6. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 4] in een gezinsgerichte voorziening tot 5 februari 2027; 6.7. verklaart deze beschikking tot dusver uitvoerbaar bij voorraad; en alvorens verder te beslissen: 6.8. houdt de beslissing voor het overige verzochte, te weten de resterende machtiging tot uithuisplaatsing ten aanzien van [voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 4] , aan en bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot 15 december 2026 pro forma; 6.9. bepaalt dat de GI en de belanghebbenden op de genoemde pro forma datum niet ter zitting behoeven te verschijnen; 6.10. verzoekt de GI uiterlijk twee weken voor de genoemde pro forma datum de kinderrechter (met afschrift aan de belanghebbenden en mr. R. Tetteroo) de onder 5.6. verzochte rapportage te doen toekomen. Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026 door mr. K.T.F. Chocolaad-de Bos, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 22 juli 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen. Artikel 1:260 in samenhang met 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Artikel 1:265c, tweede lid, BW.