Menu

Filter op
content
PONT Klimaat

0

ECLI:NL:RBROT:2026:11504

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening hangende beroep met betrekking tot het besluit van het college om aan vergunninghouder een omgevingsvergunning te verlenen voor de bouw van twee woningen in afwijking van het omgevingsplan en het maken van een uitweg. Er geldt geen wettelijke plicht om één aanvraag gelijktijdig voor alle activiteiten in te dienen. De voorzieningenrechter ziet geen aan...

Rechtbank Rotterdam 9 September 2026

Jurisprudentie – Uitspraken

ECLI:NL:RBROT:2026:11504 text/xml public 2026-09-09T12:00:24 2026-09-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-09-08 ROT 26/5896 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Rotterdam Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:11504 text/html public 2026-09-08T13:26:22 2026-09-09 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:11504 Rechtbank Rotterdam , 08-09-2026 / ROT 26/5896
Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening hangende beroep met betrekking tot het besluit van het college om aan vergunninghouder een omgevingsvergunning te verlenen voor de bouw van twee woningen in afwijking van het omgevingsplan en het maken van een uitweg. Er geldt geen wettelijke plicht om één aanvraag gelijktijdig voor alle activiteiten in te dienen. De voorzieningenrechter ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college de door verzoekster bedoelde hydrologische en geotechnische gevolgen onvoldoende bij het besluit heeft betrokken. Het college is niet gehouden om te toetsen of het bouwplan aannemelijk maakt dat tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden voldoende maatregelen worden getroffen om schade aan omliggende percelen te voorkomen. Het college mocht zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gevolgen van het bouwplan voor het verhoogde terras van verzoekster vindt de voorzieningenrechter niet ernstig genoeg om aan te nemen dat het college daar in de belangenafweging meer gewicht aan had moeten toekennen. Wat verzoekster over het gebrek aan participatie heeft aangevoerd, kan in deze spoedprocedure niet aan de orde komen.

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 26/5896
uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 september 2026 in de zaak tussen
<?linebreak?> [verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: [gemachtigde 1] )
<?linebreak?>en<?linebreak?>het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk
(gemachtigde: [gemachtigde 2] ).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] uit [woonplaats] , vergunninghouder.
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening gaat over de verlening van een omgevingsvergunning door het college voor de bouw van twee woningen in afwijking van het omgevingsplan en het maken van een uitweg op [de locatie] (de locatie). Verzoekster is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld. Zij verzoekt om voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het beroep een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekster.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Inleiding
2. Met het primaire besluit van 18 februari 2026 heeft het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van twee woningen in afwijking van het bestemmingsplan en het maken van een uitweg op de locatie.
2.1.
Met het bestreden besluit van 4 juni 2026 heeft het college het bezwaar van verzoekster tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Verzoekster heeft hiertegen op 15 juli 2026 beroep ingediend en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster en [zoon verzoekster] (zoon); de gemachtigde van het college, vergezeld van [persoon A] (toezichthouder) en [persoon B] ; en vergunninghouder, vergezeld van [persoon C] .
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Toetsingskader

3. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Op de locatie geldt het “Omgevingsplan gemeente Ridderkerk” (omgevingsplan). Dat omgevingsplan bevat een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden.
3.1.
Op de locatie was vóór 1 januari 2024 voor zover van belang het bestemmingsplan “Slikkerveer Rivieroevers” (bestemmingsplan) van kracht. Dit bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Het bouwplan is gelegen op gronden met de bestemmingen “Woondoeleinden” en “Primaire Waterkering”.
3.2.
Op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit uit te voeren.
3.3.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan beoordelingsregels die het toetsingskader vormen dat geldt wanneer het college een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit verleent. Op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl wordt een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
3.4.
Op grond van artikel 8, derde lid, onder b, van de planregels van het bestemmingsplan (planregels) gelden voor het bouwen de aanduidingen op de plankaart bij het bestemmingsplan (plankaart) en mag het aantal woningen per bestemmingsvlak niet meer bedragen dan het aantal dat daarop is aangegeven door middel van een nadere aanwijzing.
3.5.
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de planregels zijn de gronden op de plankaart aangewezen voor primaire waterkeringsdoeleinden primair bestemd voor dijken, kaden, dijksloten en andere voorzieningen ten behoeve van de waterkering.

Op grond van het tweede lid mogen op deze gronden ten behoeve van de in het eerste lid genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden opgericht. Op grond van het vierde lid zijn bouwwerken ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemmingen op deze gronden slechts toelaatbaar als daarvoor vrijstelling door het college is verleend. Het college is bevoegd vrijstelling te verlenen als het belang van de waterkering niet onevenredig wordt geschaad.

Op grond van het vijfde lid wint het college schriftelijk advies in bij de beheerder van de waterkering over de vraag of door voorgenomen bouwactiviteiten het belang van de waterkering niet onevenredig wordt geschaad en de eventueel te stellen voorwaarden, voordat het college over het verlenen van vrijstelling ten behoeve van andere, daarmee samenvallende bestemmingen beslist.
3.6.
Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geldt dat als tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld of, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Totstandkoming van het bestreden besluit

4. Vergunninghouder wil op de locatie twee woningen bouwen in afwijking van het bestemmingsplan en een uitweg maken ten behoeve van vergunninghouder en [persoon C] . Op 6 mei 2025 heeft vergunninghouder hiervoor een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend bij het college. Verzoekster woont direct naast de locatie aan [adres] in [plaats] . Zij vreest onder meer voor schade aan de kelder en fundering van haar monumentale woning en negatieve gevolgen zoals schending van de privacy en beperking van het uitzicht door het bouwplan.
4.1.
Met het primaire besluit van 18 februari 2026 heeft het college een omgevingsvergunning aan vergunninghouder verleend voor de activiteiten “buitenplanse omgevingsactiviteit bouwwerken” en “omgevingsplanactiviteit voor het maken of veranderen van een uitweg”.

Op grond van artikel 8, derde lid, onder b, van de planregels bedraagt het maximaal aantal woningen per bestemmingsvlak in dit geval zes stuks. Het bouwplan omvat echter (onder meer) het slopen van één woning en het bouwen van twee woningen, waarmee het totaal aantal woningen op het bestemmingsvlak zeven stuks bedraagt. De buitenplanse omgevingsactiviteit ziet op het afwijken van artikel 8, derde lid, onder b, van de planregels, waarmee het bouwen op de gronden met de bestemming “Woondoeleinden” mogelijk wordt gemaakt.

Op 2 september 2025 heeft het waterschap een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit (watervergunning) verleend voor het bouwen van een woning met uitweg op de locatie op grond van de Waterschapsverordening Hollandse Delta. De watervergunning geeft voorschriften voor het bouwen rondom een dijklichaam. Deze voorschriften waarborgen volgens het waterschap dat de doelstellingen van het waterbeheer voldoende worden beschermd. Gelet op de conclusie van het waterschap in de watervergunning zijn er volgens het college geen bezwaren tegen het verlenen van de omgevingsvergunning. De buitenplanse omgevingsactiviteit ziet daarmee ook op het afwijken van artikel 17, tweede lid, van de planregels, waarmee het bouwen op de gronden met de bestemming “Primaire Waterkering” mogelijk wordt gemaakt.
4.2.
Met het bestreden besluit van 4 juni 2026 heeft het college het bezwaar van verzoekster tegen het primaire besluit ongegrond verklaard, in overeenstemming met het advies van de bezwaarcommissie van 28 mei 2026. Volgens de bezwaarcommissie is er namelijk geen wettelijke plicht om een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor alle activiteiten gelijktijdig in te dienen. Daarnaast is er al een watervergunning verleend door het waterschap. Op basis van de onderbouwing van het primaire besluit en de notitie van geotechnisch adviseur [persoon D] van 16 februari 2026 blijkt volgens de bezwaarcommissie verder niet dat er sprake is van een onaanvaardbaar risico op schade in of rondom het plangebied, of een onevenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Connexiteit

5. Vergunninghouder stelt dat verzoekster de gronden van het beroep in de bodemzaak met zaaknummer ROT 26/5894 niet tijdig heeft ingediend. Verzoekster heeft daarbij niet aannemelijk gemaakt dat zij niet in staat was het verzuim tijdig te (laten) herstellen of tijdig om verlenging van de termijn voor het indienen van de gronden te (laten) verzoeken. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.

6. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster op 15 juli 2025 beroep heeft ingesteld. In het beroepschrift staan de voorlopige beroepsgronden vermeld, onder verwijzing naar het bezwaarschrift (waarin dezelfde gronden zijn aangevoerd) en onder voorbehoud van een nadere aanvulling. De rechtbank heeft verzoekster op 16 juli 2026 bij brief verzocht om de beroepsgronden binnen vier weken (uiterlijk 13 augustus 2026) aan te vullen. Op 20 augustus 2026, een week na het verstrijken van deze termijn, heeft verzoekster om uitstel voor het aanvullen van de beroepsgronden gevraagd. Diezelfde dag heeft zij de beroepsgronden echter alsnog aangevuld. De gronden waren in het verzoekschrift ook al verder uitgewerkt. De voorzieningenrechter vindt voornoemde omstandigheden onvoldoende voor de verwachting dat het beroep in de bodemzaak niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in deze zaak aan het connexiteitsvereiste voor het treffen van een voorlopige voorziening is voldaan.

Spoedeisend belang

7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster voldoende spoedeisend belang heeft bij haar verzoek. Vergunninghouder is inmiddels gestart met de bouwwerkzaamheden op de locatie. Hiermee is het spoedeisend belang naar het oordeel van de voorzieningenrechter gegeven.

Gronden van het verzoek

8. Verzoekster betoogt dat haar belangen onvoldoende zijn meegewogen bij de vergunningverlening. Volgens haar ontbreekt een integrale beoordeling van de woningbouw, ophoging van de grond en keerwand. Deze aspecten kunnen niet los van elkaar worden gezien.

Daarnaast ontbreekt een deugdelijk hydrologisch en geotechnisch onderzoek. De door vergunninghouder overgelegde notitie van geotechnisch adviseur [persoon D] (de notitie) is onvoldoende onderbouwd. Verzoekster heeft hiertegenover een second opinion van geotechnisch adviseur [persoon E] van [bedrijf] van 11 mei 2026 overgelegd, die concludeert dat schade aan het perceel van verzoekster niet kan worden uitgesloten.

De ophoging van de grond vormt een risico op verhoogde grondwaterdruk en waterinfiltratie bij de kelder- en terraswand van verzoekster. Ondanks deze risico’s zijn aan de omgevingsvergunning geen voorwaarden verbonden ter bescherming van het perceel van verzoekster.

De afstand van het bouwplan tot de erfgrens van verzoekster is teruggebracht van zeven tot acht meter naar drie meter, terwijl de bouwmassa vijf meter naar achter is verplaatst en het maaiveld drastisch wordt opgehoogd. Dit leidt tot aantasting van privacy, uitzicht en daglichttoetreding. Er is geen bezonningsstudie of zichtanalyse verricht.

Ten slotte heeft verzoekster meermaals haar zorgen geuit over de situering van het bouwplan, de afstand tot het perceel en de ophoging. Deze reacties zijn niet inhoudelijk verwerkt in de vergunningverlening. Er heeft geen zorgvuldig participatietraject plaatsgevonden.

Integrale beoordeling

9. Op grond van artikel 5.7, eerste lid, van de Ow, oordeelt de voorzieningenrechter dat een aanvraag om een omgevingsvergunning naar keuze van de aanvrager op één of meer activiteiten betrekking kan hebben. Er geldt geen wettelijke plicht om één aanvraag gelijktijdig voor alle activiteiten in te dienen. Het staat de aanvrager vrij om de benodigde toestemmingen afzonderlijk aan te vragen. Op de zitting heeft het college naar het oordeel van de voorzieningenrechter verder genoegzaam toegelicht dat voor de ophoging van de grond geen vergunning nodig is. Dat er nog andere aan het bouwplan gerelateerde procedures lopen en vergunningen moeten worden aangevraagd, zoals voor de keerwand, kan de rechtmatigheid van de onderhavige omgevingsvergunning hoe dan ook niet raken. Dat laat onverlet dat het bouwplan niet mag worden gerealiseerd zonder dat alle noodzakelijke vergunningen zijn verleend. Dat is echter de verantwoordelijkheid van vergunninghouder. Mochten bepaalde noodzakelijke vergunningen uiteindelijk ontbreken, dan betreft dit een handhavingskwestie.

Hydrologisch en geotechnisch onderzoek
9.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat aan de omgevingsvergunning een grondige onderbouwing in de vorm van diverse documenten ten grondslag ligt waaronder de notitie, waarbij ook de relevante waterstaatkundige aspecten zijn betrokken. De door verzoekster overgelegde second opinion legt hiertegenover naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende gewicht in de schaal. De second opinion bevat een “beknopte geotechnische beschouwing” op de notitie en geen eigen onderzoeksresultaten waaruit volgt dat de conclusies uit de notitie feitelijk onjuist zijn. In de second opinion staat onder meer: “Mijn rol is niet om de conclusies van [persoon D] te weerleggen, maar om vast te stellen welke onderbouwing een geotechnisch advies in deze situatie zou moeten bevatten, en in hoeverre die nu aanwezig is”. De second opinion betreft geen contra-expertise waaruit volgt dat de bouwwerkzaamheden schade veroorzaken, maar concludeert enkel dat effecten op het perceel van verzoekster niet zijn uitgesloten. In wat verzoekster heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter op dit moment geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college de door verzoekster bedoelde gevolgen onvoldoende bij het besluit heeft betrokken.

Schade aan het perceel van verzoekster
9.2.
De voorzieningenrechter oordeelt dat, voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit die het bouwen van nieuwe bouwwerken inhoudt, de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als aannemelijk is dat wordt voldaan aan de regels van Hoofdstuk 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Dat volgt uit artikel 8.3b, eerste lid, van het Bkl. Als aannemelijk is gemaakt dat het bouwplan aan de regels van Hoofdstuk 4 van het Bbl voldoet, moet het college de omgevingsvergunning verlenen. Het college is gelet op het toetsingskader van artikel 8.3b, eerste lid, van het Bkl, niet gehouden om te toetsen of het bouwplan aannemelijk maakt of tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden voldoende maatregelen worden getroffen om schade door de bouwwerkzaamheden aan omliggende percelen te voorkomen. De voorzieningenrechter wijst er wel op dat Hoofdstuk 7 van het Bbl een zorgplicht bevat voor iedereen die bouw- of sloopwerkzaamheden verricht of laat verrichten om gevaar voor de gezondheid en veiligheid in de directe omgeving te voorkomen of niet te laten voortduren. Naleving van Hoofdstuk 7 van het Bbl moet worden afgedwongen via de zorgplicht en dus via een handhavingsprocedure. De onderhavige procedure leent zich daar niet voor.

Privacy, uitzicht en daglichttoetreding
9.3.
Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en moet het de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt daarom niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de gronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
9.4.
Het college stelt zich in het primaire besluit op het standpunt dat de toekomstige ontwikkeling passend is in de omgeving en de ruimtelijke kwaliteit wordt verbeterd. Er is geen strijdigheid met provinciale belangen. De woningen worden in de lijn van de bestaande woningen gesitueerd en sluiten aan op de stedenbouwkundige opzet van het gebied. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van de ontwikkeling die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De aspecten luchtkwaliteit, geluid, geur, trillingen, bodem, omgevingsveiligheid en mobiliteit hebben geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Uit onderzoek is gebleken dat er geen nadelige effecten van stikstofdepositie optreden op het gebied en beschermde plant- of diersoorten. Voor wat betreft ‘natuur en ecologie’ geldt dat er geen negatieve invloed is op het realiseren van een veilige en gezonde leefomgeving. De ontwikkeling heeft naar verwachting geen negatieve effecten op het behoud van landschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden. De voorgenomen ontwikkeling heeft naar verwachting geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Het plan en het plangebied voldoen aan de wettelijke normen en vereisten op het gebied van duurzaamheid en geven waar mogelijk invulling aan verschillende duurzaamheidskaders. Gelet op het voorgaande mocht het college zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter in zoverre in redelijkheid op het standpunt stellen dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Als het gaat om de gevolgen voor het woon- en leefklimaat van verzoekster denkt de voorzieningenrechter daar niet anders over. Op zitting heeft hij met partijen naar de situatie ter plaatse gekeken op kaartmateriaal. Natuurlijk verandert de situatie door het bouwplan. De voorziene woning komt ten opzichte van de oude woning dichter bij de perceelsgrens en verder naar achteren. Maar in de oude situatie stond er ook een garage dicht op de perceelsgrens. En doordat de nieuwe woning verder naar achteren ligt, wordt de situatie er eerder beter dan slechter op als je naar de woning van verzoekster kijkt. Als je het verhoogde terras van verzoekster als uitgangspunt neemt, verslechtert de situatie wel. Maar dat vindt de voorzieningenrechter niet ernstig genoeg om op grond daarvan aan te nemen dat het college daar in de belangenafweging het gewicht aan had moeten toekennen dat verzoekster daaraan gehecht wil zien.

Participatie
9.5.
Wat verzoekster over het gebrek aan participatie heeft aangevoerd, kan in deze spoedprocedure naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aan de orde komen. Dit laat echter onverlet dat het goed is als buren op goede voet met elkaar staan en dat zij elkaar op de hoogte houden van hun bouwplannen. Ter zitting is gebleken dat de relatie tussen verzoekster en vergunninghouder inmiddels is bekoeld, maar dat tussen partijen wel enige vorm van overleg is geweest. Overleg tussen partijen en de daaruit voortvloeide uitkomsten, brengt hoe dan ook niet de verplichting met zich dat vergunninghouder gehouden is om zijn bouwplan aan te passen.
Conclusie en gevolgen
10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de omgevingsvergunning blijft gelden. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing<?linebreak?>
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V. van Dorst, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.A. Brekelmans, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 8 september 2026.

De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Ow in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.

Op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow.

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.

Zie Hoofdstuk 7 van het Bbl (Bouw- en sloopwerkzaamheden); Stb. 2020, 400, p. 1090 en Stb. 2023, 298, p. 118.

Artikel delen